|
|

/Chayei Sarah/ Sarah's Leven
Thora: B’reshit/Genesis 23:1-25-18
Haftarah: M’lachim Alef/1 Koningen 1:1-31
B’rit haChadasha: Matit’yahu/Mattheüs 2:1-23
B’reshit 23:1-25:18 1 En Sarah leefde honderd zevenentwintig jaar; dit waren de jaren van Sarah’s leven. 2 En Sarah stierf te Kiryat-Arba, dat is Hevron, in het land Kanaän, en Avraham ging naar binnen om over Sarah te weeklagen en haar te bewenen. 3 Toen stond Avraham op, en ging heen van zijn dode, en sprak tot de Hethieten: 4 Een vreemdeling en bijwoner ben ik bij u, geeft mij een eigen grafstede bij u, opdat ik mijn dode moge uitdragen en begraven. 5 Toen antwoordden de Hethieten Avraham en zeiden tot hem: 6 Luister naar ons, mijn heer, een vorst Gods zijt gij in ons midden: begraaf uw dode in de keur onzer grafsteden; niemand van ons zal u zijn grafstede weigeren om uw dode te begraven. 7 Daarna stond Avraham op, wierp zich neder voor het volk des lands, de Hethieten , en sprak tot hen: 8 Indien het naar uw wil is, dat ik mijn dode uitdrage en begrave, luistert dan naar mij en dringt voor mij bij Efron, de zoon van Sochar, erop aan, 9 dat hij mij de spelonk van Machpela geve, welke hem toebehoort en aan het einde van zijn veld ligt; hij geve mij die voor de volle prijs tot een eigen grafstede onder u. 10 Efron nu was een gezeten man onder de Hethieten. En de Hethiet Efron antwoordde Avraham ten aanhoren van de Hethieten , van allen die de poort zijner stad ingingen: 11 Neen, mijn heer, luister naar mij; het veld geef ik u en de spelonk aldaar geef ik u: in tegenwoordigheid van mijn volksgenoten geef ik het u; begraaf uw dode. 12 Toen wierp Avraham zich neder voor het volk des lands, 13 en sprak tot Efron ten aanhoren van het volk des lands: Waarlijk, indien gij genegen zijt, luister dan naar mij: ik geef de prijs van het veld; neem die van mij aan, opdat ik mijn dode daar begrave. 14 En Efron antwoordde Avraham en zeide tot hem: 15 Och, mijn heer, luister naar mij: een stuk land van vierhonderd sikkelen zilver, wat maakt dat uit tussen mij en u? Begraaf toch uw dode. 16 Toen hoorde Avraham naar Efron, en Avraham woog aan Efron het geld af, waarvan hij gesproken had ten aanhoren der Hethieten, vierhonderd sikkelen zilver, gangbaar bij de koopman. 17 Zo ging het veld van Efron, dat in Machpela tegenover Mamre ligt, het veld en de spelonk aldaar, en al het geboomte op het veld, op het gehele terrein ervan rondom, 18 in eigendom aan Avraham over, in tegenwoordigheid van de Hethieten, van allen die de poort zijner stad ingingen. 19 Daarna heeft Avraham zijn vrouw Sarah begraven in de spelonk van het veld van Machpela, tegenover Mamre, dat is Hevron , in het land Kanaän. 20 Zo is het veld met de spelonk aldaar van de Hethieten aan Avraham overgegaan tot een eigen grafstede. 24:1 Avraham nu was oud en hoogbejaard , en de Eeuwige had Avraham in alles gezegend. 2 En Avraham zeide tot zijn knecht, de oudste in zijn huis, die alles wat hij had bestuurde: Leg toch uw hand onder mijn heup, 3 opdat ik u doe zweren bij de Eeuwige, de God des hemels en der aarde, dat gij voor mijn zoon geen vrouw zult nemen uit de dochters der Kanaänieten, in wier midden ik woon. 4 Maar gij zult naar mijn land en naar mijn maagschap gaan om een vrouw te nemen voor mijn zoon Yitschak. 5 Toen zeide de knecht tot hem: Misschien zal die vrouw mij niet willen volgen naar dit land; moet ik dan uw zoon terugbrengen naar het land, vanwaar gij uitgetrokken zijt? 6 Maar Avraham zeide tot hem: Wacht u ervoor mijn zoon daarheen terug te brengen. 7 De Eeuwige, de God des hemels, die mij genomen heeft uit mijns vaders huis en uit het land mijner maagschap, en die tot mij gesproken heeft, en mij heeft gezworen: aan uw nageslacht zal Ik dit land geven , Hij zal zijn engel voor uw aangezicht zenden, en gij zult vandaar voor mijn zoon een vrouw nemen. 8 Indien echter die vrouw u niet wil volgen, zult gij van deze eed aan mij ontslagen zijn; alleen, gij zult mijn zoon daarheen niet terugbrengen. 9 Toen legde de knecht zijn hand onder de heup van zijn heer Avraham, en zwoer hem, wat hij gevraagd had. 10 Hierop nam de knecht tien van de kamelen van zijn heer en ging op weg met allerlei kostbaarheden van zijn heer bij zich ; hij maakte zich op en ging naar Mesopotamie, naar de stad van Nachor. 11 En hij liet de kamelen neerknielen buiten de stad bij een waterput, tegen de avond , de tijd, dat de vrouwen uitgaan om te putten. 12 Toen zeide hij: de Eeuwige, God van mijn heer Avraham, laat mij toch heden slagen en bewijs genade aan mijn heer Avraham. 13 Ik sta hier bij de waterbron , en de dochters van de mannen der stad gaan uit om water te putten. 14 Laat het nu zo zijn, dat het meisje, tot wie ik zeg: Neig toch uw kruik, opdat ik drinke, en dat zegt: Drink , en ook uw kamelen zal ik drenken; dat Gij haar hebt bestemd voor uw knecht Yitschak; dan zal ik daaraan weten, dat Gij genade bewezen hebt aan mijn heer. 15 Hij was nog niet uitgesproken , of zie, Rebekka, die geboren was aan Betuel, de zoon van Milka, de vrouw van Nachor, de broeder van Avraham, kwam naar buiten met haar kruik op haar schouder. 16 En het meisje was zeer schoon van uiterlijk, een maagd, met wie geen man gemeenschap had gehad. Zij daalde af naar de bron, vulde haar kruik, en kwam naar boven. 17 Toen liep de knecht haar tegemoet en zeide: Laat mij toch een weinig water drinken uit uw kruik. 18 Daarop zeide zij: Drink, mijn heer, en zij liet haar kruik snel op haar hand neerglijden, en gaf hem te drinken. 19 Toen zij hem genoeg had laten drinken, zeide zij: Ik zal ook voor uw kamelen putten , totdat zij genoeg gedronken hebben. 20 Daarop goot zij snel haar kruik leeg in de drinkbak, liep andermaal naar de put om te scheppen en putte voor al zijn kamelen. 21 En de man sloeg haar zwijgend gade om te weten, of de Eeuwige zijn weg voorspoedig gemaakt had of niet. 22 Toen de kamelen genoeg gedronken hadden, nam de man een gouden ring van een halve sikkel in gewicht, en twee armbanden van tien halve sikkelen goud in gewicht, 23 en hij zeide: Wiens dochter zijt gij ? Vertel het mij toch. Is er in uws vaders huis voor ons plaats om te overnachten ? 24 Daarop zeide zij tot hem: Ik ben de dochter van Betuel, de zoon van Milka, die zij Nachor gebaard heeft. 25 Verder zeide zij tot hem: Er is bij ons zowel stro als voeder in overvloed, ook plaats om te overnachten. 26 Toen boog de man zijn knieën en wierp zich neder voor de Eeuwige, 27 en zeide: Geprezen zij de Eeuwige, de God van mijn heer Avraham, die zijn goedertierenheid en trouw niet onttrokken heeft aan mijn heer; wat mij aangaat, de Eeuwige heeft mij geleid op de weg naar het huis der broeders van mijn heer. 28 En het meisje snelde heen en verhaalde het gebeurde aan haar moeders huis. 29 Rebekka nu had een broeder, die Lavan heette . En Lavan snelde naar de man, naar buiten, bij de bron. 30 Zodra hij namelijk de (neus)ring gezien had en de armbanden aan de handen van zijn zuster, en zodra hij de woorden van zijn zuster Rebekka gehoord had: Zo heeft die man tot mij gesproken, ging hij naar de man toe; en zie, deze stond bij de kamelen aan de bron. 31 En hij zeide: Kom, gij gezegende van de Eeuwige, waarom staat gij buiten , terwijl ik reeds het huis gereed gemaakt heb en ook de plaats voor de kamelen. 32 Toen kwam de man in huis. En men ontzadelde de kamelen, gaf aan de kamelen stro en voeder en bracht water om zijn voeten en de voeten der mannen die bij hem waren, te wassen. 33 Maar toen hem te eten werd voorgezet , zeide hij: Ik zal niet eten, voordat ik mijn woord gesproken heb . En hij zeide: Spreek. 34 Daarop zeide hij: Ik ben de knecht van Avraham. 35 de Eeuwige heeft mijn heer zeer gezegend , zodat hij rijk geworden is; Hij heeft hem gegeven kleinvee en runderen, zilver en goud, slaven en slavinnen kamelen en ezels . 36 En Sarah, de vrouw van mijn heer, heeft mijn heer een zoon gebaard, nadat zij oud geworden was, en hij heeft hem gegeven alles wat hij bezit. 37 Nu heeft mijn heer mij doen zweren: Gij zult voor mijn zoon geen vrouw nemen uit de dochters der Kanaänieten, in wier land ik woon, 38 maar gij zult naar mijns vaders huis gaan en naar mijn geslacht, en daar een vrouw voor mijn zoon nemen. 39 En ik zeide tot mijn heer: Misschien zal die vrouw mij niet volgen. 40 Maar hij zeide tot mij: de Eeuwige, voor wiens aangezicht ik gewandeld heb, zal zijn engel met u zenden, en zal uw weg voorspoedig maken, zodat gij voor mijn zoon een vrouw zult nemen uit mijn geslacht en uit mijns vaders huis. 41 Slechts dan zult gij ontslagen zijn van de eed aan mij, wanneer gij komt tot mijn geslacht, en men haar aan u niet wil geven; dan zult gij ontslagen zijn van de eed aan mij. 42 Nu kwam ik heden bij de bron, en ik zeide: de Eeuwige, God van mijn heer Avraham, wil toch de weg, waarop ik ga, voorspoedig maken; 43 zie, ik sta bij de waterbron; laat het nu zo zijn dat de maagd, die naar buiten komt om te putten en die, als ik tot haar zeg: Geef mij toch een weinig water te drinken uit uw kruik, (SV-) tot mij zal zeggen: 44 Drink zelf, en ook voor uw kamelen zal ik putten, dat zij de vrouw zal zijn die de Eeuwige voor de zoon van mijn heer bestemd heeft. 45 Ik had dit nog nauwelijks bij mijzelf gezegd, of zie, Rebekka kwam naar buiten met haar kruik op haar schouder , en zij daalde af naar de bron, en putte . En ik zeide tot haar: Geef mij toch te drinken. 46 Toen liet zij snel haar kruik neerglijden en zij zeide: Drink, en ook uw kamelen zal ik drenken. Toen dronk ik, en ook de kamelen drenkte zij. 47 Daarop vroeg ik haar en zeide: Wiens dochter zijt gij? En zij zeide: De dochter van Betuel, de zoon van Nachor, die Milka hem gebaard heeft. Toen deed ik de ring aan haar neus, en de armbanden aan haar handen. 48 Ik boog mijn knieen en wierp mij neder voor de Eeuwige, en ik prees de Eeuwige, de God van mijn heer Avraham, die mij op de rechte weg geleid had om de dochter van de broeder van mijn heer voor zijn zoon te nemen. 49 En nu, indien gij liefde en trouw wilt bewijzen aan mijn heer, laat het mij weten; en zo niet, laat het mij ook weten , opdat ik mij naar rechts of naar links wende. 50 Toen antwoordde Lavan, alsook Betuel en zij zeiden: Dit is een bestiering van de Eeuwige; wij kunnen niets tot u zeggen, ten kwade of ten goede. 51 Zie, daar is Rebekka, neem haar en ga heen, opdat zij de vrouw worde van de zoon van uw heer, zoals de Eeuwige gesproken heeft. 52 Toen de knecht van Avraham hun woorden hoorde, wierp hij zich ter aarde neder voor de Eeuwige. 53 En de knecht bracht zilveren en gouden sieraden te voorschijn, en klederen , en gaf deze aan Rebekka; ook gaf hij aan haar broeder en aan haar moeder kostbare geschenken. 54 Daarna aten en dronken zij, hij en de mannen die bij hem waren, en zij overnachtten er. Toen zij des morgens opstonden, zeide hij: Laat mij naar mijn heer gaan. 55 Doch haar broeder zeide, alsook haar moeder : Laat het meisje een dag of tien bij ons blijven, ga daarna heen. 56 Hij echter zeide tot hen: Houd mij niet op, nu de Eeuwige mijn weg voorspoedig gemaakt heeft; laat mij vertrekken, opdat ik naar mijn heer ga. 57 Daarop zeiden zij: Laten wij het meisje roepen en het haar zelf vragen. 58 Toen riepen zij Rebekka en zeiden tot haar: Wilt gij met deze man meegaan ? En zij zeide: Ja. 59 Zij dan lieten hun zuster Rebekka en haar voedster en de knecht van Avraham en zijn mannen gaan. 60 En zij zegenden Rebekka en zeiden tot haar: Onze zuster, moogt gij tot duizenden van tienduizenden worden, en uw nageslacht bezitte de poort van zijn haters. 61 Toen maakte Rebekka zich met haar dienstmaagden gereed en zij reden op kamelen weg, en volgden de man. De knecht nam Rebekka mede en ging heen. 62 En Yitschak kwam uit de richting van de put Lachai-roi; hij woonde namelijk in het Zuiderland. 63 Yitschak ging tegen het vallen van de avond uit om te peinzen in het veld. Hij sloeg zijn ogen op, en zag daar kamelen aankomen. 64 Toen Rebekka haar ogen opsloeg en Yitschak zag, liet zij zich van de kameel glijden. 65 En zij zeide tot de knecht: Wie is die man daar, die ons tegemoet komt in het veld? En de knecht zeide: Dat is mijn heer. Daarop nam zij de sluier en bedekte zich. 66 En de knecht vertelde Yitschak alles wat hij gedaan had. 67 Toen bracht Yitschak haar in de tent van zijn moeder Sarah, en hij nam Rebekka, en zij werd hem tot vrouw, en hij kreeg haar lief . Zo vond Yitschak troost na de dood van zijn moeder. 25:1 En Avraham nam wederom een vrouw, Ketura geheten. 2 En zij baarde hem Zimran, Joksan, Medan , Midjan, Jisbak en Suach. 3 En Joksan verwekte Seba en Dedan. En de zonen van Dedan waren de Assurieten de Letusieten en de Leumieten. 4 En de zonen van Midjan waren Efa, Efer, Chanok, Abida en Eldaa. Deze allen waren de zonen van Ketura. 5 Avraham nu gaf alles wat hij had aan Yitschak, 6 maar aan de zonen van de bijvrouwen, die Avraham had, gaf Avraham geschenken, en hij zond hen, nog bij zijn leven, weg van zijn zoon Yitschak, oostwaarts, naar het Oosterland. 7 Dit nu was het getal der jaren van Avraham’s leven, die hij geleefd heeft: honderd vijfenzeventig jaar. 8 En Avraham gaf de geest en stierf in hoge ouderdom, oud en van het leven verzadigd , en hij werd vergaderd tot zijn voorgeslacht. 9 En zijn zonen Yitschak en Ismael begroeven hem in de spelonk van Makpela, in het veld van Efron, de zoon van de Hethiet Sochar, dat tegenover Mamre gelegen is, 10 het veld, dat Avraham van de Hethieten had gekocht; daar werd Avraham begraven, evenals zijn vrouw Sarah. 11 Na de dood van Avraham zegende God zijn zoon Yitschak; en Yitschak woonde bij de put Lachai-roi. 12 Dit nu zijn de nakomelingen van Ismael, de zoon van Avraham, die Hagar, de Egyptische , de slavin van Sarah, Avraham gebaard had. 13 Dit zijn dan de namen der zonen van Ismael , genoemd naar hun afstamming: de eerstgeborene van Ismael Nebajot, voorts Kedar, Adbeel , Mibsam, 14 Misma, Duma, Massa, 15 Hadar, Tema, Jetur, Nafis en Kedema . 16 Dit zijn dan de zonen van Ismael, en dit zijn hun namen, naar hun dorpen en hun tentenkampen, twaalf vorsten naar hun volksstammen. 17 En dit waren de jaren van Ismaels leven: honderd zevenendertig jaar. Toen gaf hij de geest en stierf, en werd vergaderd tot zijn voorgeslacht. 18 En zij woonden van Chawila tot Sur , dat ten oosten van Egypte ligt, in de richting van Assur. Zij hebben zich tegenover al hun broeders gevestigd.
M’lachim Alef 1:1-31 1 Koning David nu was oud en hoogbejaard , en hoewel men hem met dekens toedekte , werd hij niet warm. 2 Toen zeiden zijn dienaren tot hem: Men zoeke voor mijn heer de koning een jonge maagd , opdat zij de koning ten dienste sta en hem tot verzorgster zij, en in uw schoot ligge, zodat mijn heer de koning warm wordt. 3 Men zocht dan een schoon meisje in het gehele gebied van Israël en men vond Abisag, de Sunamitische, en bracht haar tot de koning. 4 Het meisje was uitermate schoon; zij was de koning tot verzorgster en bediende hem, maar de koning had geen gemeenschap met haar. 5 Adonia nu, de zoon van Chaggit, was zo overmoedig te denken: Ik zal koning worden; hij schafte zich wagens en ruiters aan en vijftig mannen, die voor hem uit liepen. 6 Nu had zijn vader hem zijn leven lang geen verwijt gemaakt: Waarom doet gij zo? Ook was hij zeer welgevormd van gestalte en volgde in geboorte op Absalom. 7 Hij dan hield besprekingen met Joab, de zoon van Seruja, en met de priester Abjatar, en zij werden helpers en volgelingen van Adonia. 8 Maar de priester Sadok, Benaja, de zoon van Jojada, de profeet Natan, Simi, Rei en Davids helden stonden niet aan de zijde van Adonia. 9 Daarop slachtte Adonia schapen, runderen en gemest vee bij de steen Zochelet naast de bron Rogel, en nodigde al zijn broeders, des konings zonen, en alle mannen van Juda, des konings dienaren; 10 maar de profeet Natan, Benaja, de helden en zijn broeder Salomo nodigde hij niet. 11 Toen zeide Natan tot Batseba, de moeder van Salomo: Hebt gij niet gehoord , dat Adonia, de zoon van Chaggit, koning is geworden, zonder dat onze heer David het weet? 12 Nu dan, laat mij u toch een raad geven, opdat gij uw leven en dat van uw zoon Salomo redt. 13 Ga heen, treed bij koning David binnen en zeg tot hem: Hebt gij, mijn heer de koning, aan uw dienstmaagd niet gezworen: Voorzeker, Salomo, uw zoon, zal na mij koning worden en hij zal op mijn troon zitten? Waarom is dan Adonia koning geworden? 14 Zie, terwijl gij dan nog met de koning in gesprek zijt, zal ik na u binnenkomen en uw woorden aanvullen. 15 Dus trad Batseba bij de koning de kamer binnen; de koning was zeer oud en Abisag, de Sunamitische, bediende de koning. 16 Toen knielde Batseba en boog zich voor de koning neer, waarop de koning zeide : Wat hebt gij? 17 Daarop zeide zij tot hem: Mijn heer, gij hebt bij de Eeuwige, uw God, uw dienstmaagd gezworen : Voorzeker, Salomo, uw zoon, zal na mij koning worden, en hij zal op mijn troon zitten. 18 Maar nu, zie, Adonia is koning geworden , en zelfs thans weet gij, mijn heer de koning, het niet. 19 Hij heeft runderen, gemest vee en schapen in menigte geslacht, en al de zonen van de koning en de priester Abjatar en de legeroverste Joab uitgenodigd, maar uw knecht Salomo heeft hij niet uitgenodigd. 20 Op u echter, mijn heer de koning, op u zijn de ogen van geheel Israël gericht, dat gij hun bekend zult maken wie op de troon van mijn heer de koning na hem zitten zal. 21 Anders zal het gebeuren, dat ik en mijn zoon Salomo als opstandelingen zullen gelden , zodra mijn heer de koning bij zijn vaderen te ruste gegaan is. 22 En zie, terwijl zij nog met de koning in gesprek was, daar kwam de profeet Natan, 23 en men meldde de koning: De profeet Natan is er. Toen Natan tot de koning gekomen was, en zich voor de koning had neergebogen met het aangezicht ter aarde, 24 zeide hij: Mijn heer de koning, gij hebt dus zelf gezegd: Adonia zal na mij koning zijn en hij zal op mijn troon zitten; 25 want hij is heden runderen, gemest vee en schapen in menigte gaan slachten ; hij heeft al de zonen van de koning, de legeroversten en de priester Abjatar uitgenodigd, en zie, zij zijn bij hem aan het eten en drinken, en zij roepen: Leve koning Adonia! 26 Maar mij, uw knecht, de priester Sadok, Benaja, de zoon van Jojada, en uw knecht Salomo heeft hij niet uitgenodigd. 27 Indien dit vanwege mijn heer de koning is geschied, dan hebt gij uw knechten niet laten weten, wie op de troon van mijn heer de koning na hem zitten zal. 28 Toen antwoordde koning David: Roept mij Batseba. Zij trad binnen bij de koning en bleef voor de koning staan. 29 Toen zwoer de koning en zeide: Zo waar de Eeuwige leeft, die mij uit alle benauwdheid heeft verlost, 30 zeker, zoals ik u bij de Eeuwige, de God van Israël gezworen heb: Salomo, uw zoon, zal na mij koning zijn en hij zal in mijn plaats op mijn troon zitten, zo zal ik heden doen. 31 Toen knielde Batseba met het aangezicht ter aarde, boog zich voor de koning neer en zeide: Mijn heer de koning David leve in eeuwigheid!
Matit’yahu 2:1 Toen nu Yeshua geboren was te Betlehem in Judea, in de dagen van koning Herodes, zie, wijzen uit het Oosten kwamen te Jeruzalem, 2 en vroegen: Waar is de Koning der Joden, die geboren is? Want wij hebben zijn ster in het Oosten gezien en wij zijn gekomen om Hem hulde te bewijzen. 3 Toen koning Herodes hiervan hoorde, ontstelde hij en geheel Jeruzalem met hem. 4 En hij liet al de overpriesters en schriftgeleerden van het volk vergaderen en trachtte van hen te vernemen, waar de Mashiach geboren zou worden. 5 Zij zeiden tot hem: Te Betlehem in Judea, want aldus staat geschreven door de profeet: 6 En gij, Betlehem, land van Juda, zijt geenszins de minste onder de leiders van Juda, want uit u zal een leidsman voortkomen, die mijn volk Israël weiden zal. 7 Toen riep Herodes de wijzen in het geheim en deed bij hen nauwkeurig navraag naar de tijd, dat de ster geschenen had. 8 En hij liet hen naar Betlehem gaan, en zeide: Gaat en doet nauwkeurig onderzoek naar dat kind; en zodra gij het vindt, bericht het mij, opdat ook ik hem hulde ga bewijzen. 9 Zij hoorden de koning aan en reisden weg; en zie, de ster, die zij hadden gezien in het Oosten, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats, waar het kind was. 10 Toen zij de ster zagen, verheugden zij zich met zeer grote vreugde. 11 En zij gingen het huis binnen en zagen het kind met Mirjam, zijn moeder, en zij vielen neder en bewezen hem hulde. En zij ontsloten hun kostbaarheden en boden hem geschenken aan: goud en wierook en mirre. 12 En van Godswege in de droom gewaarschuwd om niet tot Herodes terug te keren, trokken zij langs een andere weg naar hun land terug. 13 Toen zij weggetrokken waren, zie, een engel des Heren verschijnt Yosef in de droom en zegt: Sta op, neem het kind en zijn moeder en vlucht naar Egypte, en blijf aldaar, totdat Ik het u zeg; want Herodes zal alles in het werk stellen om het kind om te brengen. 14 Hij stond op en hij nam in de nacht het kind en zijn moeder en week uit naar Egypte, 15 en daar bleef hij tot de dood van Herodes, opdat vervuld zou worden hetgeen Adonai door de profeet gesproken heeft, toen hij zeide: Uit Egypte heb Ik mijn Zoon geroepen. 16 Toen Herodes zag, dat hij door de wijzen misleid was, ontstak hij in hevige toorn en zond bevel om in Betlehem en het gehele gebied daarvan al de jongens van twee jaar oud en daar beneden om te brengen, in overeenstemming met de tijd, die hij bij de wijzen had uitgevorst. 17 Toen werd vervuld het woord, gesproken door de profeet Yir’m’yahu, toen hij zeide: 18 Een stem is te Rama gehoord, geween en veel geklaag: Rachel, wenend om haar kinderen, weigert zich te laten troosten, omdat zij niet meer zijn. 19 Toen Herodes gestorven was, zie, een engel des Heren verschijnt in de droom aan Yosef in Egypte, 20 en zegt: Sta op, neem het kind en zijn moeder en reis naar het land Israël, want zij, die het kind naar het leven stonden, zijn gestorven. 21 En hij stond op en hij nam het kind en zijn moeder en kwam in het land Israël. 22 Toen hij echter hoorde, dat Archelaüs koning over Judea was in de plaats van zijn vader Herodes, vreesde hij daarheen te gaan. En van Godswege in de droom gewaarschuwd, ging hij naar het gebied van Galilea, 23 en, daar gekomen, vestigde hij zich in een stad, genaamd Nazaret, opdat in vervulling zou gaan hetgeen door de profeten gesproken is, dat Hij Nazoreeër zou heten.
Een paar gedachten:
>Als je God dient, in een wereld die God niet dient, dan leef je wel in de wereld maar van een andere kant ben je geen deel van die wereld. Je bent een vreemdeling (23:4). Er kwam eens iemand op bezoek bij Rabbijn DovBer van Mezheritch. Hij schrok van de armoede die hij zag. Er stonden bijna geen meubelen. ‘Hoe kan u hier leven’ vroeg de bezoeker. ‘Zelf ben ik niet rijk maar ik heb op z’n minst meubelen’. De rabbijn antwoorde hem. ‘Maar hoe kan jij dan leven. Ik zie dat je geen meubelen bij je hebt’. De bezoeker antwoordde daarop. ‘Dat komt omdat ik op reis ben. Dan neem ik alleen het noodzakelijke mee. Maar bij mij thuis, daar is het anders’. ‘Ah ja’, antwoordde de rabbijn. ‘Thuis daar is het anders’.
> Avraham (die met God leeft) biedt bij de 3 engelen in woorden iets kleins aan (een bete broods) maar geeft ze een complete maaltijd (18:5-8). Efron biedt (met woorden) iets groots aan en geeft uiteindelijk niets (23:11-16)
>Door het land te kopen krijgt hij de volledige rechten op dat stuk land (23:16). Zo is ook de tempelberg door David met geld gekocht. (1 Kron. 21:22 David zeide tot Ornan: Geef mij de plaats van de dorsvloer, om daarop een altaar voor de Eeuwige te bouwen; geef ze mij voor de volle prijs, opdat de plaag van het volk moge ophouden…25 En David gaf Ornan voor die plaats zeshonderd gouden sikkels in gewicht.) alsook het graf van Jozef in Sichem Gen. 33:18 Jakob kwam op zijn tocht uit Paddan-aram behouden bij de stad Sichem, in het land Kanaän en sloeg zijn legerplaats ten oosten van de stad op; 19 hij kocht voor honderd geldstukken het stuk land waarop hij zijn tent gespannen had, van de zonen van Hemor, de vader van Sichem. Jozua 24:32 Het gebeente van Jozef, dat de Israëlieten uit Egypte meegevoerd hadden, heeft men te Sichem begraven, in het stuk land, dat Jakob voor honderd stukken geld van de zonen van Hemor, de vader van Sichem, gekocht had, en dat de Jozefieten verkregen tot een erfelijke bezitting.)
> Begraven van hun doden wordt met zorg gedaan (23:4,19). Het is een belangrijke mitswe je doden met zorg te begraven.
>Avraham gaat met respect om met zijn (andersdenkende) landgenoten (23:7)
>De belofte van God (dat God hun het land ten erfdeel zal geven) wordt bij Avraham uitgewerkt in dat wat hij op dat moment kan nl. een stuk grond kopen (23:16).
>Avraham leefde in gehoorzaamheid naar de wil van God. God heeft hem in alles gezegend (24:1)
>Op basis van het verbond wat God met Avraham heeft laat hij Eliëzer (zie ook 15:2) zweren dat hij voor Yitschak een goede vrouw zal zoeken. Een vrouw naar de wil van God. Het tekent hoe hij in alles de wil van God zocht te doen. De hand onder zijn heup leggen wil zeggen de hand op het besnijdenisteken leggen. Het teken van Gods verbond met Avraham (24:2)
>Eliëzer mag Yitschak niet meenemen terug naar de plaats van waaruit ze door God geroepen waren om naar het land Kanaän te gaan (24:6). Hij laat niet ter wille van een goede partner voor zijn zoon de woorden van God los.
>Voor dat je zelf gaat eten hoor je ervoor te zorgen dat je dieren eerst te eten hebben gekregen.(24:32,33)
> Yitschak zondert ook ’s middags tijd af om met God te spreken (24:63)
>Sarai betekend ‘mijn prinses’. Sarah betekend ‘de prinses’. Eerst had ze alleen betekenis voor Avram alleen. Daarna voor (naast haar nageslacht) de hele wereld.
>(24:67). Yitschak bracht haar in Sarah’s tent. Hij leerde haar het huishouden te doen zoals Sarah, de aartsmoeder, dat voor God deed. Zij deed voor hoe je in praktische zin voor God moest leven.
>Gods belofte van God aan Avraham m.b.t. zijn nageslacht wordt direct al echt zichtbaar bij Yitschak (25:11).
Tags: חיי שרה, Bijbel, Chayei Sarah, Parashat Hashavuah, Shabbat, Thora, Thoralezing
Categories: None
The words you entered did not match the given text. Please try again.
Oops!
Oops, you forgot something.