Blog

BIJBELSTUDIE; de MAN GODS EN DE LEEUW UIT JUDA

Posted by Miriyam Burger on December 16, 2012 at 5:55 PM

 

 

BIJBELSTUDIE; de MAN GODS EN DE LEEUW UIT JUDA

Paul J.M. van Teeffelen

Nu de VN (29.11.2012) de Palestijns-Arabische staat symbolisch heeft erkend, hetgeen niets anders betekent dan een eerste stap om Israël en Jeruzalem te verdelen, al zo’n 2800 jaar geleden voorzegd in Joël 3:2, gevolgd door een tweede stap om de Joodse staat te vernietigen, en de Paus (12.12.2012) opriep tot een wereldregering (incl.een wereld-economie en wereld-kerk), waarbij hij de wederkomst van Yeshua ontkende, bemerken we het woeden van de volken, waaronder kerken (Psalm 2).

Deze tekenen der tijden, waarbij Yeshua de wereldwijde haat tegen Gods oogappel Israël benadrukt (Matt.24), bepalen Gods volk voor de eindtijd bij een wonderlijke voorafschaduwing uit het verre verleden, die ter waarschuwing en ten voorbeeld is gegeven. In deze studie gaan we op die voorafschaduwing in.

De splitsing van het Koninkrijk

Nadat David’s zoon Salomo was gestorven, werd door een Goddelijke ingreep het Koninkrijk verdeeld in een noordelijk rijk Israël (de 10 stammen) onder leiding van Jerobeam, en een zuidelijk rijk Juda (de 2 stammen Juda en Benjamin) onder gezag van Salomo’s zoon Rehabeam.

Jerobeam werd door God uitverkoren om koning te zijn over de 10 stammen (1 Koningen 11:31). Maar hij week totaal af van de weg van de Here.

Omdat de Tempel te Jeruzalem stond, het centrum van het zuidelijk rijk Juda, waarheen geheel Israël drie keer per jaar optrok om de feesten te vieren, was Jerobeam bevreesd om zijn macht over het noordelijk rijk te verliezen.

Daarom dacht hij zijn eigen godsdienst uit.

Eerst liet hij twee gouden kalveren oprichten te Bethel in het zuiden (dus zo dicht mogelijk bij Jeruzalem) en te Dan in het noorden. En hij sprak de volgende valse getuigenis: ‘Zie, uw goden, o Israël, die u uit Egypteland opgebracht hebben’ (1 Kon.12:28).

Deze zogenaamde religie was niets meer dan een imitatie van de ware eredienst in Jeruzalem. Zo kwam er een namaak-tempel, een imitatie-altaar, waarop geofferd diende te worden, een namaak-priesterschap (1 Koningen 13:33; 2 Kronieken 11:15; 13:9), een pseudo-Loofhuttenfeest, en zelfs aapte hij Salomo na, zoals deze de tempel ingewijd had (1 Koningen 12:32,33).

Op deze sluwe wijze dacht Jerobeam zichzelf tot politiek en religieus hoofd van het koninkrijk der 10 stammen te maken. Dat is in feite de werkwijze van satan: liever een namaak-religie dan geen religie.

Deze afgodendienst was een grote en directe belediging van de God van Israël.

Als Jerobeam dan zelf voorgaat in het ontsteken van een offer op het namaak-altaar te Bethel, zendt God een man Gods (profeet) uit Juda op hem af.

In de Bijbel wordt de man Gods niet met een naam aangeduid, maar Flavius Josephus noemt deze man ‘Jadon’ (De oude geschiedenis der Joden, Boek VIII, hoofdstuk 8, 230).

‘Jadon’ betekent: ‘degene, die richt of oordeelt’.

Deze man Gods uit Juda spreekt niet tot koning Jerobeam of tot het gouden kalf, maar tot het altaar. Dat is het profetische woord des Heren: ‘Altaar, altaar, zo zegt de Here: Zie, een zoon zal aan het huis van David geboren worden, wiens naam zal zijn Josia; die zal op u offeren de priesters der hoogten, die op u roken, en men zal mensenbeenderen op u verbranden’.

Dit profetisch woord houdt in dat eenmaal een koning uit het huis Davids op datzelfde altaar de botten van de valse priesters zal verbranden en dat het altaar zal scheuren.

Volkomen volgens deze Goddelijke belofte is dit later door koning Josia geschied (2 Koningen 23:15 e.v.).

Wondertekenen

Vervolgens kondigt de man Gods uit Juda een eerste wonderteken aan. Dat wonderteken zal hierin bestaan dat het afgoden-offeraltaar uit elkaar gescheurd zal worden en de as van de afgoden-offers afgestort wordt.

Daarop strekt Jerobeam zijn hand uit in een bevel aan zijn dienaren om de man Gods uit Juda te grijpen. Maar in plaats dat de man Gods wordt gegrepen, verdort zijn uitgestrekte hand, zodat Jerobeam zijn arm niet meer langs zijn lichaam kan terugbrengen. Tegelijk scheurt het afgoden-offeraltaar en de as wordt afgestort.

Omdat hij persoonlijk is getroffen, grijpt de angst Jerobeam aan. Jerobeam komt ineens tot de erkenning dat de ware God hem kan genezen. Als hij dringend aan de man Gods vraagt om het aangezicht des Heren te aanbidden, opdat zijn hand geneze, spreekt hij dan ook van ‘Uws Gods’ (1 Kon.13:6). Vervolgens verhoort de Here het gebed van de man Gods en geschiedt een 2e wonderteken. Dat is de genezing van de hand van Jerobeam.

In plaats van zich te bekeren tot de ware God, wil Jerobeam alleen zoete broodjes bakken door de man Gods mee te nemen naar zijn huis om hem aldaar een geschenk geven. Maar de man Gods uit Juda weigert dit en maakt rechtsomkeert.

De reden daarvoor is dat de Here hem geboden heeft geen brood te eten noch water te drinken onderweg in een huis, terwijl hij eveneens niet mag wederkeren naar Juda langs dezelfde weg als waardoor hij gekomen is.

En dit gebod des Heren opvolgend, gaat de man Gods via een andere weg heen en keert niet weder door de weg door welke hij te Bethel gekomen was (1 Koningen 13:8-10).

De terugweg

Nu leefde in Bethel een oude profeet, die door zijn zonen van de gebeurtenissen op de hoogte werd gesteld. Flavius Josephus omschrijft deze oude man als een boosaardige leugen-profeet, die bij Jerobeam in hoog aanzien stond (De oude geschiedenis der Joden, boek VIII, hoofdstuk 9, 236).

De zonen van de oude man hebben ook de andere weg gezien, die de man Gods op zijn terugreis heeft ingeslagen. Daarop rijdt de oude man op zijn ezel de man Gods achterna.

Als hij hem dan onderweg gevonden heeft, nodigt hij de man Gods uit om in zijn huis te Bethel de maaltijd te gebruiken.

Maar de man Gods slaat deze uitnodiging af om dezelfde reden als hij de eerdere invitatie van Jerobeam heeft geweigerd. Dat is dus het Goddelijk gebod om geen brood te eten noch water te drinken onderweg in een huis alsmede zonder oponthoud een andere terugweg te nemen.

Dan zegt de oude man: ‘Ik ben ook een profeet gelijk gij, en een engel heeft tot mij gesproken door het woord der Heren, zeggende: Breng hem weder met u in uw huis, dat hij brood ete en water drinke. Doch hij loog hem’ (1 Koningen 13:18).

De oude man blijkt dus inderdaad een leugen-profeet te zijn.

Nu is het merkwaardige dat de man Gods deze ernstige leugen voor waarheid houdt in plaats van rechtstreeks de Here te raadplegen. Zonder verder iets te vragen gaat hij mee naar het huis van de leugen-profeet om daar de maaltijd te gebruiken.

Dat is dus tegen het uitdrukkelijk gebod des Heren in.

Als zij dan aan tafel zitten, komt een woord der Heren tot de leugen-profeet.

Dat is opmerkelijk maar niet onbegrijpelijk. Want ook de leugen-profeet Bileam (Numeri 22:35) moet het woord des Heren aangaande Israël spreken.

Zo moet ook de oude leugen-profeet uit Bethel, in plaats van leugens, opeens de Goddelijke waarheid verkondigen.

Deze Goddelijke boodschap is de volgende: ‘Daarom dat gij de mond des Heren zijt wederspannig geweest, en niet gehouden hebt het gebod, dat u de Here uw God geboden had, maar zijt wedergekeerd en hebt brood gegeten en water gedronken ter plaatse, waar Hij tot u gesproken had: Gij zult geen brood eten noch water drinken; zo zal uw dode lichaam niet in uwer vaderen graf komen.’

Vervolgens zadelt de oude leugen-profeet een ezel, waarop de man Gods wegrijdt naar Juda.

Dan gebeurt het volgende op de weg:

. een leeuw vindt de man Gods en doodt hem;

. zijn dode lichaam ligt op de weg;

. aan weerszijden van zijn dode lichaam staan de leeuw en de ezel;

. de leeuw verslindt noch het dode menselijk lichaam, noch de ezel.

Dit betekent het 3e wonderteken.

Want in ‘normale gevallen’ had de leeuw zowel het dode menselijk lichaam als de ezel verslonden. De leeuw is hier dus een instrument van de Here God (zie ook Hosea 5:14).

Dit wonderlijk tafereel wordt door reizigers langs deze weg gezien, die hiervan vertellen in de stad Bethel.

Zo verneemt ook de oude leugen-profeet dit bericht, waarop deze naar de plaats rijdt waar nog steeds het dode lichaam van de man Gods op de weg ligt tussen de leeuw en de ezel.

De oude leugen-profeet neemt dan het dode lichaam van de man Gods mee en legt dit in zijn graf te Bethel. En zo komt het woord des Heren in vervulling dat de man Gods niet bij zijn vaderen wordt begraven.

Dan zegt de oude leugen-profeet tot zijn zonen: ‘Als ik zal gestorven zijn, zo begraaft mij in dat graf, waarin de man Gods begraven is, en legt mijn beenderen bij zijn beenderen’ (1 Koningen 13:31).

Uit het vorenstaande blijkt dat de Here God tot 3 keer toe ‘gepoogd heeft’ om Jerobeam van zijn heilloze weg te doen terugkeren. Maar ondanks het drietal wondertekenen van de Here God, bekeert Jerobeam zich niet en vervolgt zijn afgodendienst, waarin hij als koning de tien stammen van het noordelijk koninkrijk Israël voorgaat.

Dus blijft de Here God niets anders over dan het huis van Jerobeam uit te roeien, waarbij ook de deportatie van de 10 stammen naar Assur wordt aangekondigd (1 Koningen 14:10-16).

Hoofdzaken

In deze wonderlijke geschiedenis kunnen we een aantal hoofdzaken onderscheiden.

We zullen deze eerst puntsgewijze bezien.

a) de man Gods moest –zonder oponthoud- naar Juda terugkeren langs een andere weg

(1 Kon.13:9,10)

Dit Goddelijk gebod hield verband met de weg, die Jerobeam als koning met het noordelijk koninkrijk van de 10 stammen bewandelde. Dat was een doodlopende weg.

Zo was ook de weg die Balak, de koning van Moab met Israël wilde gaan via de leugen-profeet Bileam, een weg, die ten dode voerde (Numeri 22:32-34).

Immers, de andere weg, die de man Gods diende te gaan, was de terugweg naar huis, de levende en profetische weg, die vooruit wees naar de komst van het Lam Gods en de wederkomst van de Leeuw uit Juda (Romeinen 1:3, Hebreën 7:14 en Openbaring 5:5).

Een levende en profetische weg, die niet via Jerobeam, maar via de koning van Juda (Rehabeam, de zoon van Salomo) zou lopen.

Zie ook het geslachtsregister van Yeshua in Matteüs, Hoofdstuk 1.

b) de man Gods werd de 2e keer verleid (1 Kon.13:19)

De eerste keer probeerde Jerobeam de man Gods te verleiden met een maaltijd alsmede een geschenk in zijn huis. Tegen deze verleiding was de man Gods toen nog opgewassen.

Bij de 2e keer sprak de oude leugen-profeet de man Gods aan als profeet, een erkenning.

Daarnaast verpakte de leugen-profeet de zogenaamde verandering van de Goddelijke instructie in de boodschap van een engel. Kennelijk kwam deze 2e keer de boodschap als waarheid over voor de man Gods.

Bovendien had de man Gods overeenkomstig Gods gebod op de heen- en terugreis niets gegeten of gedronken, zodat hij steeds meer hongerig en dorstig werd. Altijd op het zwakste ogenblik komt satan met zijn verleidingen.

c) de leeuw die de man Gods doodt (1 Kon.13:24)

De oude leugen-profeet trachtte de dood van de man Gods zo voor te stellen, dat deze de rechtvaardige straf kreeg voor het zich niet houden aan het gebod Gods.

Daarbij poogde de oude leugen-profeet te verdoezelen dat nota bene hijzelf de oorzaak was van zowel de verleiding als de leugens door te schermen met een hem verschenen engel (zie ook Galaten 1:8).

Neen, de dood van de man Gods was geen straf. De Here God zei immers alleen dat ‘het dode lichaam van de man Gods niet in het graf van zijn vaderen zou komen’. Dat hield uitsluitend in dat de man Gods niet begraven zou worden in Juda, maar onderweg tijdens de terugreis.

Dat de man Gods niet mocht wederkeren op dezelfde weg, die hij op de heenreis ging, was alleen een heenwijzing naar de weg die Jerobeam ging en de andere weg, die hij als koning van de 10 stammen (het noordelijk rijk) moest inslaan.

Daarbij vertegenwoordigde de dood van de man Gods uitsluitend het voorbeeld van het dodelijk resultaat, indien van die doodlopende weg niet zou worden wedergekeerd.

De plotselinge dood van de man Gods door de leeuw, die het dode lichaam van de man Gods niet aanraakte noch de ezel, diende daarom als een 3e wonderteken van de Here teneinde Jerobeam alsnog van zijn doodlopende weg te doen terugkeren.

Maar Jerobeam, die ook van dit 3e wonderteken op de hoogte was, bekeerde zich niet (1 Koningen 13:33).

d) de man Gods werd begraven in het graf van de leugen-profeet (1 Kon.13:30,31)

Daarbij moeten we letten op hetgeen de oude leugen-profeet zegt tot zijn zonen: ‘Als ik zal gestorven zijn, begraaft mij in dat graf waarin de man Gods begraven is, en legt mijn beenderen bij zijn beenderen’.

Flavius Josephus (De oude geschiedenis der Joden, boek VIII, hoofdstuk 9, 242) merkt hierbij de list op van de leugen-profeet. Hij zei tegen zijn zonen dat inderdaad alles wat de man Gods geprofeteerd had tegen het imitatie-altaar en de namaak-priesters waar was, maar hij zelf zou als leugen-profeet daarvan na zijn dood geen schade ondervinden. Immers, niemand zou na zijn dood kunnen vaststellen welke botten van wie waren.

Dat is de weg die reeds eeuwenlang door de vijand, dat is de vader der leugen (satan), gevolgd is. De weg waarbij sprake is van vermenging.

De profetische les

Nu gaat het er uiteraard om wat deze geschiedenis ons te zeggen heeft.

Wij die in het laatst der dagen vóór de wederkomst van de Leeuw uit Juda leven.

We mogen allereerst begrijpen dat hier sprake is van een profetische boodschap.

Deze gebeurtenissen strekken Gods volk, dat is Israël én de gemeente, ten voorbeeld.

Het is een les die Gods volk nog op het allerlaatst tot zich kan nemen.

De profetische boodschap is dat koning Jerobeam als politiek heerser een beeld is van de anti-christ met de gouden kalveren van het wereld-systeem, dat zogenaamd redding brengt, en de oude leugen-profeet vooruit wijst naar de valse profeet met de namaak-godsdienst van de valse wonderen, het merkteken en de aanbidding van het beeld.

Immers, Gods woord zegt in Jesaja 9:14 dat de leugen-profeet de staart is.

De staart wijst niet alleen op de staart van satan (Openbaring 12:4) maar vooral ook op het tijdstip. Dat is het laatst der dagen waarin satan rondgaat als een brullende leeuw en weinig tijd meer heeft.

De wereld, in het bijzonder Gods volk, komt onderweg tenminste de voorlopers van dit satanisch tweetal tegen. Met verleidelijke leugens, en door vermenging. Met name de 2e keer, dat is voordat de Here wederkomt.

Let op dat Yeshua Zelf waarschuwt voor de valse profeten en namaak-christussen in het laatst der dagen, voordat de Grote Verdrukking aanvangt (Matteüs, Hoofdstuk 24).

Enkele ingrediënten van deze profetische les voor het laatst der dagen kunnen we samenvatten:

1) De oude leugen-profeet, dat is de valse profeet, die spreekt als de oude slang satan (Openbaring 13:11-18), en die al de macht uitoefent alsmede maakt dat alle volken de anti-christ aanbidden, houdt de wereld een imitatie-religie met gouden kalveren voor, door middel van een vermenging tussen kerk en wereld;

Gouden kalveren als de Mammon met het merkteken, en de aanbidding van het beeld;

Gouden kalveren als de evolutie-theorie en het superieure ras.

2) Satan en zijn dienaren (anti-christ en valse profeet) doen zich voor als engelen des lichts (2 Kor.11:14-15) en bedienen zich van bedriegelijke wonderen, die de hele wereld verleiden;

Deze verleiding komt op een hoogtepunt in het zwakste moment, namelijk wanneer de volken alleen eten en drinken kunnen kopen of verkopen door middel van het merkteken.

Het spreekt voor zich dat deze doodlopende weg met leugens en verleidingen, in het bijzonder voorafgaande aan de 2e keer, dat is de wederkomst van de Leeuw uit Juda, door Gods volk tijdig gemeden dient te worden.

Dat zal o.a. inhouden dat vooral in de hoogste nood de weg naar huis moet worden ingeslagen, dat is de andere en smalle weg, de levende terugweg naar de Leeuw uit Juda, die tegelijk het Lam Gods is en de Koning der Koningen, de Vredevorst.

In de geschiedenis van de man Gods uit Juda is de leeuw, die noch het menselijk lichaam, noch de ezel aanraakt, voor Gods volk een verwijzing naar het gebod des Heren om onderweg niets tot zich te nemen uit handen van de vader der leugen (satan).

Hoe dorstig en hongerig Gods volk ook is op het zwakste moment. Zoals in het voorbeeld van Yeshua, die tenslotte hongerig en dorstig was en door de duivel juist toen werd verzocht (zie o.a. Matteüs 4:1-11), maar deze verleidingen weerstond.

Zoals ook Gods volk Israël, op weg naar het beloofde, door honger en dorst aan het eind van hun krachten was en door God wonderlijk werd ontzet (o.a. Exodus 14:9-22 en 15:22-27). Want spijze en drank van de vader der leugen bewerkt geen herstel van krachten maar de dood. De man Gods uit Juda strekte hier tot voorbeeld en dat ondervond Jerobeam.

Alleen God Zelf zal zeker op het allerlaatst voorzien.

Maar waarom is dan zo uitdrukkelijk geboden om onderweg voor eten en drinken geen huis te betreden? (zie 1 Kon.13:15,18,19).

God heeft voorzien dat juist in de eindtijd door satan voorbereidingen worden getroffen.

Zo zal de invoering van het merkteken eerst niet verplicht worden, maar uiteraard wel worden bevorderd door de acceptatie aanlokkelijk te maken met een niet te versmaden beloning. Enerzijds bijv. door gratis of aanzienlijk goedkopere vakantiereizen, vervoermiddelen, en andere duurzame goederen.

Anderzijds door het duurder maken van de eerste levensbehoeften voor degenen, die het dus nog niet verplichte merkteken weigeren.

Het punt is dat door de in 2 Tessalonicenzen (2:9) en in Openbaring gesignaleerde ‘krachten, tekenen en wonderen der leugen’ niet alleen degenen, die het merkteken accepteren, maar ook hun huizen (inclusief het voedsel) ‘besmet’ zullen zijn.

Dit lijkt wellicht op speculatie. Maar dat is het niet. Immers, Yeshua spreekt in Matteüs 24 eveneens over pestilentiën, dat zijn besmettelijke ziekten. Het beeld wat we daarvan hebben, is niet beperkt tot de ons tot nu toe bekende besmettelijke-, nucleaire-, biologische- of chemische ziekten. Immers, in Ezechiël, de hfst.38 en 39, is sprake van besmettelijke ziekten, die mensen in korte tijd doden (zie ook Zacharia 14:12).

Omdat aan de buitenkant niet kan worden gezien welke mensen en welk huis ‘besmet’ is –mensen en huizen, die zich door acceptatie van het merkteken blootstellen aan satanische krachten, tekenen en wonderen- waarschuwt de Here om geen huis te betreden.

Bovendien moet met name in het laatst der dagen nauwkeurig gelet worden op de andere weg, dat is de weg, de waarheid en het leven of de Levende weg die de Here gaat met Israël en de wereld, indachtig de 2 bijzondere ontsnappingen voor de volheid der heidenen en de volheid van Israël (1 Tessalonicenzen 4:13-17 en Openbaring 12:6,14).

De eerste 3 wondertekenen

In de geschiedenis van de man Gods uit Juda was sprake van 3 wondertekenen.

Zo waren er –op weg naar het beloofde- in de geschiedenis van de uittocht uit Egypte ook een eerste drietal plagen, waaraan Gods volk zich niet kon onttrekken. Maar deze eerste drie plagen waren tegelijk voor Gods volk wondertekenen. Nadat deze drie eerste plagen zich hadden voltrokken, werd Gods volk wonderlijk afgezonderd.

De Bijbel vergelijkt de uittocht uit Egypte met de terugkeer van het Joodse volk in onze dagen (Jeremia 16:14-16). God heeft verzekerd om de tekenen (plagen) en wonderen te herhalen die Hij in Egypte deed (vergl.Joël 2:30; Micha 7:15 en Jeremia 23:7-8).

De tijd van deze herhaling is het laatst der dagen. En betreft de hele wereld. Dat kunnen we eveneens afleiden uit het feit dat de wereldwijde oordelen in het laatste Bijbelboek de Openbaring nagenoeg overeenstemmen met alle wondertekenen en/of plagen van Egypte.

Nogmaals: bij de plagen van Egypte zien we dat Gods volk zich niet kan onttrekken aan de eerste drie plagen/wondertekenen.

De eerste plaag –water in bloed veranderd- maken we al geruime tijd mee. Yeshua is niet alleen het levende brood maar ook het levend water. Door grootschalige dumping van chemisch en nucleair afval alsmede door terreur en oorlogen, ontstaat in bloed veranderd water, terwijl de evolutietheorie dood water bewerkt bij grote delen van de wereldbevolking .

De tweede plaag betreft de kikvorsen. Deze kikvorsen zijn ‘onreine geesten van duivelen’ (Openbaring 16:13).

De mensheid wordt door allerlei vormen van onreinheid besprongen via radio/televisie/internet/drukwerk. Ook deze plaag is wereldwijd duidelijk aanwezig.

Met name in de huizen van de mensen.

De derde plaag betreft steekvliegen/muggen/luizen. Deze plaag doet zich vooral in de laatste tijd voor. Het zijn de bloedzuigers die het leven wegzuigen. Door o.a. pestziekten, drugs, marteling, anti-semitisme, stress, abortus en euthanasie.

In de geschiedenis van de man Gods uit Juda hebben we het begin gezien van de splitsing van Israël in twee delen, namelijk het noordelijk rijk (de 10 stammen) en het zuidelijk rijk (de 2 stammen Juda en Benjamin). Maar Ezechiël 37:22 kondigt de tijd aan waarin Israël weer één volk zal zijn. Dat ene volk Israël van alle 12 stammen gaan we steeds meer herkennen in onze dagen.

De profetieën vertellen ons dat Israël in het laatst der dagen eerst moet komen in de grootste benauwdheid, waarbij Jeruzalem als een magneet voor de volken zal zijn.

Zoals Yeshua ons zegt in Matteüs 24:15 e.v. (zie ook Openbaring 12:6,14) gaat die grote benauwdheid vooraf aan de Grote Verdrukking.

Als het om het begin der weeën gaat, die aan de voleinding der wereld vooraf gaan, spreekt Yeshua o.a. over (financiële) aardbevingen en ‘oorlogen en geruchten van oorlogen’, waarbij Israël gehaat zal worden door alle volken om Zijn Naams wil (o.a. Markus 13:13 en Lukas 21:17). Dat wil zeggen dat die haat in wezen gericht is tegen de eeuwige Naam van God, dat is de God van Abraham, Isaäk en Jakob, de God van Israël (Exodus 3:15).

In onze dagen bestaat een rechtstreeks verband tussen letterlijke uitspraken in de wereld en de tekenen, die Yeshua geeft. Deze letterlijke haat wordt bijv. vertolkt door de Islam-staten en de Iraanse president Ahmadinejad, die Israël benoemde ‘als meest gehate mensen op deze planeet’. De haat jegens Israël en haar beschermers neemt iedere dag toe, zo zei hij voor de Iraanse televisie. Noord-Korea werkt op nucleair gebied samen met Iran. Daarnaast heeft Syrië raketten, voorzien van koppen met VX-gas, die gereed staan om elke stad in Israël te treffen.

Die letterlijke haat is inderdaad wereldwijd (o.a. Verenigde Naties) te constateren. Dat is speciaal tot uitdrukking gekomen op 29 nov.2012 waarbij door de VN de Arabisch-Palestijnse staat werd erkend. Dat betekent de instemming van de volken met de verdeling van het beloofde land en Jeruzalem. Daarmee staat Gods ingrijpen voor de deur (zie Joël 3:2 en 12).

Niet alleen de volken, maar ook internationale kerken werken naar dit Goddelijk ingrijpen toe. Bijv. de Paus ontkent de wederkomst van Yeshua, en ziet Rome – in plaats van Jeruzalem- als de centrale plaats op aarde. Maar hoe erg de vijanden van Israël ook tekeer gaan, God zal wonderen en tekenen verrichten en zowel Jeruzalem (de stad van de grote Koning) als Gods oogappel Israël zullen altoos blijven.

Zo zien we dat we in een tijd leven waarin deze tekenen wereldwijd worden vervuld. En dat betekent dat Gods volk spoedig wordt afgezonderd, op weg naar het beloofde, dat is de wonderlijke thuisreis.

Op deze weg zal opnieuw een leeuw uit Juda worden tegengekomen. Maar deze leeuw zal niet doden. Integendeel, het is de Leeuw die dood en duivel heeft overwonnen en eeuwig leven schenkt.

Dat is de Leeuw uit Juda, de Wortel Davids (Openbaring 5:5; zie ook Genesis 49:9), Gods Zoon, die Zijn volk (Israël én de gemeente) wonderbaar zal opnemen. Hem zij de glorie tot in alle eeuwigheid. Amen.

 

Tags: Bijbel, Bijbelstudie, Paul J.M. van Teeffelen, Studie

 

 

Weergaven: 10

Bijlagen:

Categories: None

Post a Comment

Oops!

Oops, you forgot something.

Oops!

The words you entered did not match the given text. Please try again.

Already a member? Sign In

0 Comments