Blog

De Zaligsprekingen

Posted by Miriyam Burger on March 23, 2013 at 9:25 AM

Bijbelstudie over

DE ZALIGSPREKINGEN - ASH’REI

Deel 1: De zaligsprekingen in de Bergrede

Vrijwel iedere gelovige kent de zaligsprekingen uit de Bergrede en elke praktiserende Jood behoort het Ash’rei te kennen, dat ten minste drie maal per dag gereciteerd wordt in de Joodse gebeden, twee keer tijdens Shacharit en een keer tijdens Mincha, maar wat de meesten niet weten is, dat deze aan elkaar gerelateerd zijn. Het Ash’rei is immers niets anders dan een aaneenschakeling van zaligsprekingen uit diverse Psalmen. Daarnaast komen wij overigens ook een hele reeks zaligsprekingen tegen in de bijbelse wijsheidsliteratuur (Mish’lei [Spreuken] 3:13, 8:32 en 34, 14:21, 16:20, 20:7 en 28:14) en in de profetieën over de komst van het Messiaanse vrederijk (Yeshayahu [Jesaja] 30:18, 32:20 en 56:2). Ook weten velen niet, dat er naast de zaligsprekingen uit Mattheüs 5 nog een tweede reeks zaligsprekingen in het Nieuwe Testament staat, namelijk in het boek Openbaring. De allereerste zaligspreking vinden wij echter al in de Tora. Daar zegt Moshe [Mozes] immers: “Welzalig zijt gij, Israël; wie is aan u gelijk? Een volk, verlost door de Eeuwige, die het schild uwer hulp en het zwaard uwer hoogheid is. Daarom zullen uw vijanden veinzen u hulde te brengen, en gij zult op hun hoogten treden!” (D’varim [Deuteronomium] 33:29). In deze bijbelstudiereeks zullen wij daarom in meerdere afleveringen de diverse groepen van zaligsprekingen grondig doornemen omdat de Eeuwige ons hiermee een aantal belangrijke lessen wil meegeven op onze levenspad. Wij beginnen deze studiereeks met de alom bekende zaligsprekingen uit Matityahu [Mattheüs] 5:3-11 omdat zij in dit tekstgedeelte immers rechtstreeks door Yeshua zelf in totaal negen keer zijn uitgesproken om ons te bemoedigen, maar ook om ons te laten beseffen hoe gelukkig, of beter gezegd hoe welzalig of welgelukzalig wij zijn als wij voldoen aan Zijn eisen. Velen zijn zich daar niet van bewust en zien het maar als vanzelfsprekend. Men onderschat doorgaans de lading van het woord “zalig”, dat eigenlijk meer de betekenis heeft van “Hij mag van geluk spreken” of “Hij heeft behoorlijk veel mazzel gehad” en dus beter vertaald zou kunnen worden met “gelukkig”, zoals in de Nieuwe Bijbelvertaling dan ook het geval is, of eigenlijk nog beter met “gelukkig te prijzen”, zoals de Studiebijbel het Griekse woord makarioV makarios vertaalt. Voor de herkenbaarheid zal ik echter de woorden “zalig” en “welzalig” blijven hanteren, die wij vanuit de NBG-vertaling kennen. Waarschijnlijk zal u daarbij wel opgevallen zijn, dat bij alle zaligsprekingen met uitzondering van de negende in vers 11, die in feite deel uitmaakt van de achtste in vers 10, een hulpwerkwoord ontbreekt. Zo staat er bijvoorbeeld in vers 3 niet: “Zalig zijn de armen van geest”, maar gewoon: “Zalig de armen van geest” en in vers 5 niet: “Zalig zijn de zachtmoedigen”, maar slechts: “Zalig de zachtmoedigen”. Dit is één van de vele bewijzen waaruit blijkt, dat het Mattheüs-evangelie oorspronkelijk in het Hebreeuws geschreven was, waarvan wij helaas geen origineel manuscript meer ter beschikking hebben. Als wij de zaligsprekingen namelijk vanuit het Grieks terugvertalen in het Hebreeuws, dan zien we precies dezelfde stijlvorm als in de zaligsprekingen die we in de TeNaCH tegenkomen. Zo is de zinsconstructie van Ash’rei barei levav, ki hem yir’u et Elohim [Zalig de reinen van hart, want zij zullen G’d zien] in Matityahu [Mattheüs] 5:8 zonder meer vergelijkbaar met die van Ash’rei yosh’vei veitecha, od y’hal’lucha [Welzalig zij die in Uw huis wonen, zij loven U gestadig!] (Tehilim [Psalm] 84:5). In beide gevallen ontbreekt het woordje ‘zijn’ van “zijn zij…” en “zijn de reinen…”. In plaats daarvan staat hier slechts “Zalig de reinen…” en “welzalig zij…”. Het ontbreken van het hulpwerkwoord ‘zijn’ is dus een duidelijke henwijzing naar de Hebreeuwse oorsprong van de zaligsprekingen in het Nieuwe Testament waaruit wij dus mogen concluderen dat het Griekse makarios evenals het Latijnse beatus slechts vertalingen van het Hebreeuwse ash’rei zijn, dat op zijn beurt weer afgeleid is van osher, dat ‘geluk’ betekent. Een ander Hebreeuws woord met dezelfde stam is isher, dat de betekenis heeft van ‘bevestigen’ en ‘bekrachtigen’. Aan de hand hiervan zou men dus kunnen zeggen dat het bevestigen en bekrachtigen van het Verbond geluk en zaligheid brengt en dat is nu precies wat in Tehilim [Psalmen] 112:1 geschreven staat: “Welzalig de man, die de Eeuwige vreest, die van harte lust heeft in Zijn geboden!” en ook: “Welzalig zij, die onberispelijk van wandel zijn, die in de Tora van de Eeuwige gaan!” (Tehilim [Psalmen] 119:1). De zaligsprekingen in de Bergrede hebben exact dezelfde strekking, want het hart van de Tora is immers de liefde, en liefde is tevens de kern van het Evangelie. Wie de Eeuwige liefheeft en zijn naaste als zichzelf, die is waarlijk zalig te prijzen, want daaraan hangt de ganse Tora en de profeten (Matityahu [Mattheüs] 22:40). De zaligsprekingen van Yeshua zijn enerzijds profetisch te noemen omdat er bij elke zaligspreking ook een belofte wordt gegeven, maar aan de andere kant op een bijzondere wijze toch ook wel paradoxaal omdat de mensen niet zalig gesproken worden op grond van hun prestaties, maar juist op grond van wat hun ontbreekt, vooral wat de eerste vier zaligsprekingen betreft. Wij zullen ze nu allemaal één voor één even nader onder de loep leggen en u zult zien dat Yeshua ze niet willekeurig opnoemde, maar dat er een bepaalde progressieve volgorde in zit, waarbij elke voorgaande zaligspreking een voorbereiding is voor de zaligspreking die daarop volgt en het woord ‘zalig’ iedere keer als een soort refrein aan het begin staat, zodat ze zich daarvoor lenen om te lajenen op de wijze van het traditionele Ash’rei.

“Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.”

(Matityahu [Mattheüs] 5:3)

Ash’rei aniyei haRuach, ki lahem mal’chut haShamayim.

Makarioi hoi ptōchoi tō pneumati hoti auton estin hē basileia tōn ouranōn.

Het is dus niet toevallig, dat de armen van geest de eerste groep mensen vormen, die door Yeshua zalig worden gesproken, maar wie zijn dat? Zijn daar zwakzinnigen mee bedoeld? Dat wordt namelijk nog wel eens beweerd, want het ligt uiteraard voor de hand dat arm van geest betrekking zou hebben op verstandelijke vermogens. Natuurlijk zijn zwakzinnigen daadwerkelijk zalig te prijzen omdat de Eeuwige op een heel speciale wijze van deze mensen houdt, want zij kunnen immers niet bewust zondigen en zijn daarom net als kleine kinderen onschuldig en rein van hart. Toch worden zij hier niet bedoeld, maar ik zal u zo uitleggen wie dan wel. Laten we eerst naar de taalkundige aspecten van dit vers kijken en daarna naar de inhoudelijke. De Griekse term ptōchoi kan ook vertaald worden met ‘bedelaars’, want hij geeft een beeld van mensen in bittere armoede, die zo arm zijn dat ze moeten bedelen en totaal afhankelijk zijn van anderen voor hulp. Toch is armoede geen garantie en ook geen voorwaarde om daardoor zalig gesproken te worden, want iemand die arm is kan namelijk ook onder de verleiding bezwijken, te stelen. Kijk maar wat Mish’lei [Spreuken] 30:7-9 daarover zegt: “Twee dingen vraag ik van U, onthoud ze mij niet, voordat ik sterf: Houd valsheid en leugentaal verre van mij, geef mij armoede noch rijkdom, voed mij met het brood, mij toebedeeld; opdat ik, verzadigd zijnde, U niet verloochene en zegge: Wie is de Eeuwige? noch ook, verarmd zijnde, stele en mij aan de naam van mijn G’d vergrijpe.” Natuurlijk zullen mensen die arm zijn over het algemeen meer open staan voor G’ds Woord en dus ook voor geestelijke zegeningen omdat ze in vergelijking met rijke mensen minder afleiding in materiële zin hebben, of zoals de bekende Joodse schrijver en theoloog Pinchas Lapide heeft gezegd: “Aan de hongerlijders, bezitlozen en randfiguren van de joodse samenleving, die dagelijks lijden onder de vergeefsheid van alle menselijke inspanning, wordt hier de hoop gegeven dat ondanks de schijn van het tegendeel al het lijden en strijden toch zinvol zal blijken te zijn, ja, dat G’ds heilsplan met de mens nog lang niet ten einde is en dat Hij, de Heer der wereld, de G’d van de kleine lieden is die bij de armen en verbrijzelden van geest woont (Jes. 57:15).” Dat is allemaal waar en Lucas 6:21 wekt inderdaad de indruk, dat de armen in algemene zin door Yeshua zalig gesproken worden, maar toch wordt de armoede in deze eerste zaligspreking echt niet primair materieel bedoeld in de betekenis van de economische en sociale toestand van een mens, maar geestelijk, benadrukt door ‘armen van geest’, en dus in g’dsdienstige zin, met betrekking tot de relatie met haShem! De "armen van geest" zijn zij die zich pijnlijk bewust zijn van de noodzaak om totaal van G’d afhankelijk te zijn. Het zijn degenen die in spiritueel opzicht hulpbehoevend zijn, die de houding van een bedelaar hebben en de geestelijke gesteldheid bezitten om zich geheel aan de genade van G’d over te geven. Zo schreef koning David, die beslist niet arm was: “Neig uw oor, Adonai, antwoord mij, want ik ben ellendig en arm…” (Tehilim [Psalm] 86:1). Hij begreep dus heel goed waar het om gaat. Ook de Essenen noemden zichzelf in de Dode-Zeerollen zoals b.v. in 1 Qumran 14:7 vaak de armen van geest. Yeshua heeft met zijn zaligspreking dus niet de economische of de sociale positie van de gelovige op het oog, maar de erkenning van diens totale afhankelijkheid van de Eeuwige en de bereidheid om in nederigheid als bedelaar voor Hem te staan. In zekere zin is het ‘arm van geest’ zijn dus de poort tot de volgende acht zaligsprekingen en daarom is het ook helemaal niet zo vreemd dat zij de eerste groep vormen.

“Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden.”

(Matityahu [Mattheüs] 5:4)

Ash’rei haAvelim, ki hem y’nuchamu.

Makarioi hoi penthountes hoti autoi paraklēthēsontai.

Dit is nu echt wel een paradoxale uitspraak, omdat degenen die treuren alles behalve blij zijn, want hoe kan je nu welgelukzalig genoemd worden als je treurt? Op het eerste gezicht lijkt dit inderdaad tegenstrijdig, maar toch herinnert deze tweede zaligspreking toragetrouwe Joden onmiddellijk aan G’ds belofte: “Wie met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien!” (Tehilim [Psalm] 126:5). Zowel het Griekse woord penthountes alsook het Hebreeuwse woord Avelim dat hier gebruikt wordt voor treurenden als het gaat om droevigen door een sterfgeval kan dus beter met ‘rouwenden’ vertaald worden. Vanuit dit perspectief gezien geldt deze zaligspreking dus beslist niet voor alle treurenden en voor wat voor soort verdriet dan ook, maar slechts voor de treurenden in het licht van de "droefheid naar G’ds wil", die resulteert in Teshuva, “want de droefheid naar G’ds wil brengt onberouwelijke inkeer tot heil, maar de droefheid der wereld brengt de dood.” (2 Korinthiërs 7:10). Op deze wijze wordt de tweede zaligspreking nauw met de eerste verbonden, want de treurenden uit vers 4 zijn namelijk de armen van geest uit vers 3, die treuren over de geestelijke armoede en de zondige toestand van de mensheid. Zij zijn bedroefd over hun eigen tekortkomingen en de macht van de dood in de wereld. Ook David is één van deze treurenden die door Yeshua zalig worden gesproken, want hij bracht zijn verdriet tot uiting met de woorden: “Mijn ogen vloeien als waterbeken, omdat men uw Tora niet onderhoudt!” (Tehilim [Psalmen] 119:136). Als wij echt Yeshua willen volgen en vervuld zijn met Ruach haQodesh [de Heilige Geest], dan mogen wij niet onverschillig voorbijgaan aan de geestelijke nood van de wereld om ons heen en ook niet te gemakkelijk aanvaarden dat bepaalde zaken nu eenmaal lopen zoals ze lopen. Yeshua verwacht van ons bewogenheid voor het lot van onze medemensen en oprecht berouw voor onze eigen zonden en tekortkomingen. Pas als wij ons echt daarvan bewust zijn en bitter bedroefd onder tranen ons verdriet naar Hem toe uiten zal de Eeuwige ons vertroosten en onze tranen afwissen. Dan zal Yeshua ook tegen ons zeggen: “Zalig, gij, die nu weent, want gij zult lachen!” (Lucas 6:21). Maar tegen degenen die een onverschillige houding tegenover de Tora op na houden, die zich niets aantrekken van de geestelijke nood in de wereld, zich niet eens druk maken over de zonden en onreinheid in hun eigen leven en er maar op los leven, zal Yeshua zeggen: “Wee u, die nu lacht, want gij zult smart hebben en wenen!” (Lucas 6:25). Iets om over na te denken…

“Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven!”

(Matityahu [Mattheüs] 5:5)

Ash’rei haAnavim, ki hem yir’shu et haAretz.

Makarioi hoi praeis hoti autoi klēronomēsousin tēn gēn.

Dit is een citaat uit Tehilim [Psalmen] 37:11. Daar staat namelijk in de Statenvertaling: “De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over groten vrede.” Het Griekse woord dat in de derde zaligspreking doorgaans vertaald wordt met ‘zachtmoedigen’ is praeiV praeis, dat ook vertaald kan worden met ‘nederigen’ of ‘ootmoedigen’ waardoor het gelijk is aan het woord anavim in de Hebreeuwse tekst van Psalm 37, dat in de NBG-vertaling inderdaad met ‘ootmoedigen’ en in de nieuwe liberale Tanach vertaald is met ‘wie nederig zijn’, want anava is namelijk het Hebreeuwse woord voor nederigheid en bescheidenheid evenals het Griekse woord praoV praos. Dit woord suggereert niet zwakheid en mag ook niet verward worden met weekheid, maar dient ter erkenning van de eigen plaats in de maatschappij. Wie zachtmoedig is zal niet hoog van zichzelf denken en ook niets opeisen. Een zachtmoedige reageert niet boos of agressief bij kwaadaardige houdingen tegenover hem, maar verdraagt geduldig elk onrecht zonder bitter te worden. Hij geeft de situatie over aan de hemelse Rechter en neemt niet het recht in eigen handen. Maar dat wil nog niet zeggen dat je over je heen moet laten lopen. Integendeel! Door helemaal niet te reageren zou men juist de indruk kunnen wekken dat de beschuldiging waar zou zijn. Het is niet de bedoeling om onrecht zomaar toe te laten zonder daartegen protesteren, maar het is de manier waarop men dat doet. In 1 Petrus 2:19-23 wordt uitgelegd hoe wij als gelovigen ons dienen te gedragen in situaties waarin ons onrecht wordt aangedaan. Ik citeer uit Het Boek: “Een gelovige mag blij zijn als hij ten onrechte een slechte behandeling moet ondergaan, omdat hij voor G’d een zuiver geweten wil houden. Als u geduldig de straf voor uw misdaden ondergaat, is dat natuurlijk geen verdienste. Maar als u goed doet en dan geduldig het onrecht verdraagt dat u wordt aangedaan, zult u daardoor de genade van G’d ervaren. Al dit lijden hoort bij het leven waartoe G’d u geroepen heeft. De Mashiach, die voor u geleden heeft, is het voorbeeld dat u moet volgen, en in Zijn voetstappen moet u treden. Hij deed geen kwaad en zei nooit iets wat niet waar was. Als Hij beledigd werd, zei Hij niets lelijks terug. Als de mensen Hem pijn deden, dreigde Hij niet het hen betaald te zetten. Hij liet het allemaal over aan G’d, die rechtvaardig oordeelt!” Yeshua gaf ons het goede voorbeeld en riep ons op Hem daarin te volgen. Hij zei van Zichzelf, dat Hij zachtmoedig en nederig van hart is en dat wij van Hem moeten leren: “Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht.” (vhyttm Matityahu [Mattheüs] 11:28-30). Sommigen zullen zeggen dat het makkelijker gezegd dan gedaan is, want het valt soms niet mee om rustig en zachtmoedig te blijven in bepaalde situaties die zo onrechtvaardig zijn, feiten keihard worden omgedraaid en je het bloed onder de nagels wordt weggezogen. En het valt al helemaal niet mee als je van nature al een opvliegend type bent die maar weinig nodig heeft om uit z’n vel te springen. In dat geval is het van absoluut levensbelang om op de knieën te gaan en tot je Schepper te bidden om je opvliegend karakter van je weg te nemen en je zachtmoedig en verdraagzaam te maken. Daar heb je Ruach haQodesh [de Heilige Geest] voor nodig. Als je Hem toestaat de regie over jouw leven op zich te nemen en je dus door G’ds Geest laat leiden, dan komt het allemaal goed en krijg je vanzelf wel een zachtmoedige gesteldheid, want dat is namelijk één van de vruchten van de Heilige Geest, die Sha’ul [Paulus] in Galaten 5:22 allemaal heeft opgenoemd: “De vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. Tegen zodanige mensen is de Tora niet. Want wie Mashiach Yeshua toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd. Indien wij door de Geest leven, laten wij ook door de Geest het spoor houden.”

“Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden!”

(Matityahu [Mattheüs] 5:6)

Ash’rei haR’evim v’hatz’me’im, litz’daqa ki hem yis’ba’u.

Makarioi hoi peinōntes kai dipsōntes tēn dikaiosunēn hoti autoi chortasthēsontai.

De vierde zaligspreking doet ons denken aan Mish’lei [Spreuken] 21:21, want daar staat: “Wie gerechtigheid en liefde najaagt, vindt leven, gerechtigheid en eer.” Op het eerste gezicht lijkt het alsof daar precies hetzelfde mee bedoeld wordt en op zich is dat ook wel zo, maar Yeshua gaat hier nog een stapje verder dan Sh’lomo [Salomo], want hongeren en dorsten naar de gerechtigheid drukt een nog sterker verlangen uit dan het najagen daarvan. Honger en dorst zijn immers uitingen van een pijnlijke behoefte aan water en voedsel om in leven te blijven en dat wil dus zeggen dat daar een ernstig tekort aan is. Dat klopt helemaal, want gerechtigheid is hier op aarde inderdaad ver te zoeken. Zowel Psalm 143:2 alsook Romeinen 3:10 verklaart zelfs: "Niemand is rechtvaardig, ook niet één!" Velen vinden het maar goed zo en doen er zelf weinig aan om daar verandering in te brengen. De Tora zien ze als onbegonnen werk, want die kan volgens hen toch niemand houden en daarom luisteren ze maar al te graag naar voorgangers en evangelisten die verkondigen dat de Tora niet meer van toepassing zou zijn. Het gevolg daarvan is dat G’ds geboden en inzettingen op grote schaal niet meer worden nageleefd en daardoor de ongerechtigheid alleen maar toeneemt. Gelukkig is niet iedereen zo en zijn er ook nog mensen die echt hunkeren naar de gerechtigheid. Voor deze mensen is er goed nieuws, want in Romeinen 3:21-26 schrijft Sha’ul [Paulus]: “Thans is echter buiten de Tora om gerechtigheid G’ds openbaar geworden, waarvan de Tora en de profeten getuigen, en wel gerechtigheid G’ds door het geloof in Yeshua haMashiach, voor allen, die geloven; want er is geen onderscheid. Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid G’ds, en worden om niet gerechtvaardigd uit Zijn genade, door de verlossing in Mashiach Yeshua. Hem heeft G’d voorgesteld als zoenmiddel door het geloof, in Zijn bloed, om Zijn rechtvaardigheid te tonen, daar Hij de zonden, die tevoren onder de verdraagzaamheid G’ds gepleegd waren, had laten geworden - om Zijn rechtvaardigheid te tonen, in de tegenwoordige tijd, zodat Hijzelf rechtvaardig is, ook als Hij hem rechtvaardigt, die uit het geloof in Yeshua is.” Dat is inderdaad geweldig nieuws, maar let op: dit wil nog niet zeggen, dat de Tora hierdoor overbodig zou zijn geworden, want om elk misverstand hierover te voorkomen schrijft Sha’ul namelijk in vers 31 nadrukkelijk: “Stellen wij dan door het geloof de Tora buiten werking? Volstrekt niet; veeleer bevestigen wij de Tora!” De enige manier voor een mens om een daadwerkelijke Tzadiq, een rechtvaardige te worden is als haShem zelf hem rechtvaardig verklaart doordat hij tot geloof in Yeshua komt, want uit zichzelf kan een mens nooit rechtvaardig worden in de zin zoals de Eeuwige dat bedoeld, ook al doet hij nog zo zijn best. Wij zijn dus weliswaar gerechtvaardigd door ons geloof in het offer van Yeshua, maar dat ontslaat ons niet van onze plicht om te blijven hongeren en dorsten naar de gerechtigheid in onze dagelijkse levenswandel, het najagen van de innerlijke gerechtigheid in ons hart, die deel uitmaakt van onze heiliging. En daar hebben we dus de Tora voor nodig om dagelijks als handleiding te raadplegen, want daarin staan G’ds geboden en inzettingen keurig opgetekend. Ons streven naar de gerechtigheid blijft namelijk een levenslang proces omdat wij ook na onze bekering telkens weer de fout ingaan. Wij moeten dit echter niet gaan vergeestelijken, want het hongeren en dorsten naar gerechtigheid omvat namelijk niet alleen de morele gerechtigheid, maar ook de sociale gerechtigheid met materiële en fysieke aspecten. Als wij enerzijds hongeren en dorsten naar gerechtigheid, maar anderzijds de fysieke honger en dorst van onze medemensen die in armoede leven over het hoofd zien en geen oog hebben voor de economische ongerechtigheid, dan zijn we verkeerd bezig. Wie dus de vierde zaligspreking op zich zelf wil laten toepassen, die moet zich ervan bewust zijn dat die gekoppeld is aan een andere zaligspreking: “Wie zijn naaste veracht, zondigt; maar welzalig hij, die zich ontfermt over ellendigen!” (Mish’lei [Spreuken] 14:21). Of in de nieuwe vertaling: “Wie zijn medemens veracht, is een zondaar, gelukkig hij die zich bekommert om de armen!”

“Zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden!”

(Matityahu [Mattheüs] 5:7)

.

Ash’rei haRachamanim, ki hem y’ruchamu.

Makarioi hoi eleēmones hoti autoi eleēthēsontai.

De vijfde zaligspreking sluit naadloos aan bij de vierde, want wie zich bekommert om de armen en zich ontfermt over de ellendigen, toont barmhartigheid en zal daarvoor zalig gesproken worden zoals ook Tehilim [Psalmen] 41:2 zegt: “Welzalig hij die acht slaat op de geringe; ten dage des onheils zal de Eeuwige hem uitkomst geven.” of in de nieuwe vertaling: “Gelukkig wie zorgt voor de armen; in kwade dagen zal de Eeuwige hem uitkomst geven.” In het Boek is het als volgt vertaald: “Gelukkig is de man die voor de kleinen zorgt; als hemzelf eens onheil treft, zal de Eeuwige hem helpen.” Maar let nu goed op, want daar staat namelijk tegenover: “Wie zijn oren dichtstopt voor het hulpgeroep van de armen, wordt zelf ook niet verhoord, wanneer hij om hulp roept!” (Mish’lei [Spreuken] 21:13, eveneens uit Het Boek). Het is dus een wisselwerking en voor beide situaties hebben we een bekende Nederlandse gezegde. In het eerste geval zeggen wij: “Wie goed doet, goed ontmoet!” en in het tweede geval zeggen wij: “Koekje van eigen deeg”. Zoals wij met onze medemensen omgaan, zal de Eeuwige ook ons behandelen, want tussen beide behandelingen bestaat een causaal verband. Dat blijkt uit de bovenstaande teksten, maar deze basisgedachte loopt ook als een rode draad door de hele prediking van Yeshua: “Weest barmhartig, gelijk uw Vader barmhartig is. En oordeelt niet en gij zult niet geoordeeld worden. En veroordeelt niet en gij zult niet veroordeeld worden; laat los en gij zult losgelaten worden. Geeft en u zal gegeven worden: een goede, gedrukte, geschudde, overlopende maat zal men in uw schoot geven. Want met de maat, waarmede gij meet, zal u wedergemeten worden!” (Lucas 6:36-38) en nogmaals: “Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt; want met het oordeel, waarmede gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden, en met de maat, waarmede gij meet, zal u gemeten worden!” (Matityahu [Mattheüs] 7:1-2). Vanuit de zelfde basisgedachte heeft Yeshua ons daarom ook geleerd om in het ‘Onze Vader’ te bidden: “Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.” (Matityahu [Mattheüs] 6:12). Om dat nog eens extra aan te scherpen voegt Hij daar in de verzen 14 en 15 nog aan toe: “Want indien gij de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar indien gij de mensen niet vergeeft, zal ook uw Vader uw overtredingen niet vergeven!” In Marcus 11:25 zegt Yeshua hetzelfde: “En wanneer gij staat te bidden, vergeeft wat gij tegen iemand mocht hebben, opdat ook uw Vader in de hemelen uw overtredingen vergeve. Indien gij echter niet vergeeft, zal ook uw Vader, die in de hemelen is, uw overtredingen niet vergeven!” Toch mogen wij onze houding tegenover onze medemens niet laten beïnvloeden door iets daarvoor terug te verwachten, want barmhartigheid is een uiting van liefde en liefde is onvoorwaardelijk! Bij de barmhartigheid gaat het namelijk niet om een uiterlijk medeleven, maar om een innerlijke bewogenheid en een volkomen identificatie met de broeder of zuster in nood. Opofferende liefde is de praktijk van barmhartigheid en barmhartigheid brengt empathie en bewogenheid voor de noodlijdenden tot uitdrukking. Dit vinden wij terug in Tehilim [Psalmen] 37:21, die ik in de vertaling van Het Boek wil citeren: “De g’ddeloze leent wel, maar geeft nooit terug, maar de oprechte mens bekommert zich om een ander en geeft wat nodig is!” en dan verder in vers 23: “Als de Eeuwige instemt met iemands wijze van leven, zal Hij hem bevestigen in alles wat hij doet.” Het Griekse woord eleos betekent derhalve niet alleen barmhartigheid, maar ook ontferming, mededogen en bewogenheid, en dat is ook het geval met het Hebreeuwse woord rachamim, dat overigens weer gerelateerd is aan het Aramese woord voor liefde, r’chimu. Barmhartigheid en liefde zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het ene kan niet zonder het ander. Wees barmhartig, “want onbarmhartig zal het oordeel zijn over hem, die geen barmhartigheid bewezen heeft; barmhartigheid echter roemt tegen het oordeel.” (Ya’aqov [Jacobus] 2:13).

“Zalig de reinen van hart, want zij zullen G’d zien!”

(Matityahu [Mattheüs] 5:8)

Ash’rei barei levav, ki hem yir’u et Elohim.

Makarioi hoi katharoi tē kardia hoti autoi ton Theon opsontai.

De zesde zaligspreking staat gelijk aan het antwoord op de vraag in Tehilim [Psalmen] 24:3-4, die ik uit de Groot Nieuws Bijbel wil citeren: “Wie mogen de berg van de Eeuwige bestijgen, wie Zijn heilige tempel binnengaan? Wie rein zijn van hart en handen!” De reinen van hart zijn dus degenen die in de nabijheid van de Eeuwige mogen komen. Maar dat roept weer een nieuwe vraag op: “Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart rein bewaard, ik ben rein van zonde?” (Mish’lei [Spreuken] 20:9). Voor het juiste antwoord op deze vraag moeten we wel beseffen, dat rein van hart niet hetzelfde is als rein van zonde, want wie zegt dat hij geen zonde heeft is volgens Yochanan alef [1 Johannes] 1:8-10 een leugenaar. Ik citeer opnieuw uit de Groot Nieuws Bijbel: “Als we beweren zonder zonde te zijn, bedriegen we onszelf en woont de waarheid niet in ons. Maar als wij onze zonden bekennen, dan is G’d zo trouw en rechtvaardig dat Hij onze zonden vergeeft en ons rein maakt van alles wat we verkeerd hebben gedaan. Zeggen we echter dat we geen zonde bedreven hebben, dan maken we Hem tot een leugenaar en woont Zijn Woord niet in ons.” U ziet het: op de vraag uit Spreuken 20:9 kan niemand een antwoord geven, maar dat hoeft ook helemaal niet, want wij bepalen namelijk niet zelf of wij rein van hart en rein van zonde zijn, maar de Eeuwige bepaalt dat! Hij kijkt immers in ons hart. Niemand anders kan in ons hart kijken, want mensen zien alleen de buitenkant. In het Hebreeuwse denken omvat het hart de geest, de emoties, de wil en het innerlijke leven van de mens en vormt daarmee het centrum van zijn persoonlijkheid. Wat er in ons hart om gaat bepaalt dus ons doen en laten. Daarom moeten wij streven naar een rein hart, want als ons hart rein is dan zal ook onze levenswandel getuigen van onze hartsgesteldheid. Dit vurige verlangen wordt prachtig onder woorden gebracht in het lied Lev Tahor van Elisheva Shomron:

.

Lev tahor b’ra li, Elohim, v’Ruach nachon chadesh b’qir’bi. (2x)

Al tash’licheini mil’faneicha, v’Ruach Qod’sh’cha al tiqach mimeni.

Hashiva li s’son yish’echa v’Ruach n’diva tis’m’cheini. (2x)

De Nederlandse vertaling van dit prachtige lied vinden wij in Psalm 51:12-14, die ik uit de NBG-vertaling citeer: “Schep mij een rein hart, o G’d, en vernieuw in mijn binnenste een vaste geest. Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw Heilige Geest niet van mij. Hergeef mij de blijdschap over Uw heil, en laat een gewillige geest mij schragen.” Maar ook in het Engels is daar een heel mooi lied van geschreven door Keith & Melody Green (Opwekkingsliederen 389):

Create in me a clean heart, o G’d, and renew a right spirit within me. (2x)

Cast me not away from Thy presence, o Lord, and take not Thy Holy Spirit from me.

Restore unto me the joy of Thy salvation and renew a right spirit within me.

Dat de Eeuwige deze smeekbede maar al te graag wil verhoren, blijkt uit het pleidooi van Keifa [Petrus] voor de gelovigen uit de volken in de vergadering van de Sh’lichim [apostelen]: “En G’d, die de harten kent, heeft getuigd door hun de Heilige Geest te geven evenals ook aan ons, zonder enig onderscheid te maken tussen ons en hen, door het geloof hun hart reinigende.” ( Mif’alot [Handelingen] 15:8-9).

“Zalig de vredestichters, want zij zullen kinderen G’ds genoemd worden!”

(Matityahu [Mattheüs] 5:9)

.

Ash’rei osei shalom, ki b’nei Elohim yiqar’u.

Makarioi hoi eirēnopoioi hoti autoi huioi Theou klēthēsontai.

Daadwerkelijke vrede op aarde kan niet alleen door gebed worden afgesmeekt, maar heeft naar G’ds raadsbesluit ook menselijke wegbereiders nodig. Daarom worden hier in deze zevende zaligspreking niet slechts de vredelievenden en vreedzamen genoemd, die een bereidheid van passieve aard vertonen, om in de vrede toe te stemmen, maar de vredestichters, die zich juist heel actief inzetten om vrede te scheppen. Dat zij kinderen G’ds genoemd worden wil dus zeggen dat men ze ook als zodanig zal herkennen en erkennen omdat het stichten van vrede één van de meest opvallende kenmerken van een volgeling van Yeshua behoort te zijn. Het hele leven van Yeshua wordt immers gekenmerkt door vrede en niet voor niets wordt Hij in Yeshayahu [Jesaja] 9:5 Sar Shalom genoemd, de Vredevorst. In de Joodse ethische leer wordt Redifat Shalom, het zoeken naar vrede, beschouwd als een primaire hartsgesteldheid, die dus weer nauw aansluit bij de zesde zaligspreking. Vrede is volgens het Joodse denken niet iets waar je op moet wachten, maar die je zelf moet bewerken. Het Hebreeuwse woord Shalom betekent in de eerste plaats namelijk niet de afwezigheid van strijd, problemen en spanningen, maar harmonie en eendracht en dus de aanwezigheid van G’d. Shalom komt dus noch met de eirēnē van de Grieken overeen in de zin dat er geen oorlog is, noch met de pax van de Romeinen als ordebewarende macht, maar het betekent een totale harmonie tussen de mensen onderling en tussen de mensen en haShem. Echte vrede zal er daarom pas komen als de mensen verzoend worden met G’d, en dat is het waar wij ons als vredestichters voor moeten inzetten. Om dat te kunnen bereiken moet er wel sprake zijn van enige dadendrang, want Yeshua heeft in Zijn zaligspreking een daadkrachtig vredeswerk voor ogen, dat inhoudt dat G’ds wil, de Tora, gedaan moet worden. Rabbi Hillel gaf ons daarvoor Aharon [Aäron], de broer van Moshe [Mozes], die door de Eeuwige zelf als hogepriester werd aangesteld, als voorbeeld omdat hij erom bekend stond, dat hij een vredestichter was: "Weest van de leerlingen van Aharon die van vrede hield en er moeite voor deed de vrede te bewaren, van de mensen hield en ze dichter bij de Tora bracht." (Mishna-tractaat Pirkei Avot 1:12). Ondanks alle vredesbesprekingen in het Midden-Oosten of waar dan ook zullen echter alle menselijke pogingen om vrede op aarde te brengen helaas jammerlijk falen, want in tegenstelling tot de Verenigde Naties zijn de ware vredestichters zij die zelf de vrede van G’d ontvangen hebben omdat ze met Hem verzoend zijn door het offer van Yeshua. Onbekeerde mensen, ook al zijn ze nog zo bekwaam als politici en diplomaten, zijn niet in staat om vrede te stichten, want als ze zelf geen vrede ontvangen hebben kunnen ze ook geen vrede uitdelen. In Yeshayahu [Jesaja] 48:22 staat immers geschreven: “De g’ddelozen, zegt de Eeuwige, hebben geen vrede!” Begrijp mij goed: ik wil daarmee niet zeggen dat alle staatshoofden en alle VN-vertegenwoordigers g’ddeloos zouden zijn, maar het is een feit dat G’ds kinderen in die kringen helaas een piepkleine minderheid zijn. Ware vrede zal dus pas gerealiseerd worden in het duizendjarig Vrederijk, maar nu reeds wordt van ons verwacht dat wij de wereld daarvoor klaar maken. Wij als vredestichters worden vooral opgeroepen om de vijanden van Israël, niet alleen in het Midden-Oosten, maar ook hier in Nederland en zelfs in de kerken, ertoe op te roepen om met G’ds volk Israël in het reine te komen en vrede te sluiten, want de Eeuwige heeft gezegd: “Mijn toorn tegen Israël is verdwenen. Als Ik dorens en distels vind die haar lastig vallen, zal Ik die verbranden, tenzij deze vijanden van Mij zich overgeven en smeken om vrede en Mijn bescherming. Er zal een tijd komen dat Israël wortelschiet, uitbot en bloeit en de hele wereld met haar vruchten vult!” (Yeshayahu [Jesaja] 27:4-5). Heeft u het gezien? De vijanden van Israël noemt de Eeuwige hier Zijn vijanden. Dat houdt in, dat vrede met G’d slechts mogelijk is door vrede met Israël! Dat te bewerkstelligen is de primaire taak van de vredestichters, die door Yeshua zalig gesproken worden.

“Zalig de vervolgden om der gerechtigheid wil, want hunner is het Koninkrijk der hemelen!”

(Matityahu [Mattheüs] 5:10)

Ash’rei haNir’dafim big’lal haTz’daqa, ki lahem mal’chut haShamayim.

Makarioi hoi dediōgmenoi heneken dikaiosunēs hoti autōn estin hē basileia tōn ouranōn.

Ik heb al eerder aangegeven, dat er een logische volgorde in de negen zaligsprekingen zit en op zich horen de achtste en negende eigenlijk bij elkaar, maar Yeshua noemde ze apart op en daarom zal ook ik ze apart toelichten. Maar er zit ook een logica in het feit, dat de vervolgden in de achtste na de vredestichters in de zevende zaligspreking opgenoemd worden, want juist hun inspanningen om de vrede tussen de mensen en G’d tot stand te brengen zullen hun niet in dank worden afgenomen en vooral niet als ze dat doen in de naam van Yeshua. Ook wordt het niet door iedereen in dank afgenomen als men de Tora naleeft omdat men dan doorgaans als ‘wettisch’ wordt afgeschilderd, en als men christenen erop wijst, dat ook zij de geboden van de Tora moeten doen, dan krijgt men het verwijt dat men de gemeente wil judaïseren, terwijl Yeshua in dezelfde bergrede, slechts enkele verzen verderop gezegd heeft dat wie anderen leert om dat ook te doen groot zal heten in het Koninkrijk der hemelen. De verzen 10 en 19 zijn dus aan elkaar gekoppeld, want wie de opdracht in vers 19 uitvoert, zal volgens vers 10 vervolgd worden. Sowieso loop je de kans om uit de gemeente gezet te worden als je het gehoorzamen van G’ds wetten en inzettingen onder je medegelovigen blijft verkondigen. Dus wat dat betreft hoeven we niet vreemd op te kijken. Maar dat is nou juist het dilemma waarin Messiasbelijdende Joden en gelovigen uit de volken voor komen te staan. Ze worden als ‘vis noch vlees’ beschouwd omdat ze geen christenen zijn, maar ook geen halachische Joden. Als ze Yeshua verkondigen worden ze uit de synagoge gezet en als ze de Tora verkondigen worden ze uit de kerk gezet. Toch worden wij opgeroepen om daarin te volharden tot het einde en geen eieren voor ons geld te kiezen, want Yeshua heeft gezegd: “Een ieder dan, die Mij belijden zal voor de mensen, hem zal ook Ik belijden voor Mijn Vader, die in de hemelen is; maar al wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal ook Ik verloochenen voor Mijn Vader, die in de hemelen is.” (Matityahu [Mattheüs] 10:32-33), en Yochanan [Johannes] schreef: “En hieraan onderkennen wij, dat wij Hem kennen: indien wij Zijn geboden bewaren! Wie zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar en in die is de waarheid niet!” (Yochanan alef [1 Johannes] 2:3-4). Laten wij dus evenals het hele volk Israël na de G’dservaring bij de berg Sinai zeggen: “Alles wat de Eeuwige ons opdraagt, zullen wij doen!” (Exodus 19:8, Het Boek) en niet bang zijn om de gevolgen daarvan te ondergaan, want Yeshua heeft ons wat dat betreft een duidelijke waarschuwing gegeven: “Niet een ieder die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil Mijns Vaders, die in de hemelen is!” (Matth. 7:21). Conclusie: de vervolgden om der gerechtigheid wil, die door Yeshua zalig gesproken worden en als beloning het Koninkrijk der hemelen mogen in gaan, zijn degenen die de wil van Zijn Vader doet, en dat is de Tora! Overigens is het interessant om te constateren dat in de Griekse tekst van zowel de eerste alsook de achtste zaligspreking de letterlijke weergave uit Yeshua’s moedertaal staat: basileia tōn ouranōn - mal’chut haShamayim [het Koninkrijk der hemelen], omdat in het Hebreeuws ‘hemelen’ een plurale tantum is, dat geen enkelvoud kent, terwijl men het in de kerk doorgaans over ‘de hemel’ in enkelvoud heeft. Dat de vervolgden in vers 10 de zelfde vergelding in het vooruitzicht gesteld wordt als de armen van geest in vers 3, namelijk het Koninkrijk der hemelen, laat duidelijk zien dat de zaligsprekingen één geheel vormen, want ook in de laatste zaligspreking in vers 11 wordt gezegd, dat onze loon groot is in de hemelen als men ons vervolgt omwille van Yeshua. In elk geval heeft Yeshua hier heel duidelijk antwoord gegeven op de vraag, wie het Koninkrijk der hemelen mogen binnengaan. Dat is een heerlijk vooruitzicht, maar alles heeft zijn prijs! Door de eeuwen heen hebben ontelbare geloofsgetuigen daar een hele hoge prijs voor moeten betalen, maar hun loon is groot, want zij hebben aandeel aan de toekomstige wereld, luidt de oeroude topos, en zij mogen ons als voorbeeld dienen.

“Zalig zijt gij, wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van u spreekt om Mijnentwil. Verblijdt u en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij de profeten voor u vervolgd!”

(Matityahu [Mattheüs] 5:11-12)

Ash’reichem im y’far’chu v’yir’d’fu et’chem v’ya’alilu aleichem big’lali,

simchu v’gilu, ki s’char’chem rav baShamayim,

ha’arei kach rad’fu et haN’vi’im shehayu lif’neichem.

Makarioi este hotan oneidisōsin humas kai diōxōsin kai eipōsin pan ponēron rēma kath humōn

pseudomenoi heneken emou chairete kai agalliasthe hoti ho misthos humōn polus en tois

ouranois houtōs gar ediōxan tous profētas tous pro humōn.

Deze negende en laatste zaligspreking ligt in het verlengde van de vorige, want in beiden is er sprake van vervolging, maar het verschil ligt daarin, dat de zaligen in het vorige vers vervolgd worden omwille van de gerechtigheid, dus vanwege hun levenswandel naar G’ds wil, terwijl de zaligen in het laatste vers vervolgd worden omwille van Yeshua zelf. Je kunt natuurlijk ook vervolging uit de weg gaan door voortdurend compromissen met de wereld te sluiten. Velen hebben inderdaad helaas afgehaakt omdat ze liever niet door hun omgeving over de nek willen worden aangekeken of, wat nog erger is, om niet de marteldood te sterven. Op zich is dat wel begrijpelijk, maar toch zouden we het nog erger moeten vinden als we geen tegenstand zouden ondervinden. Het zou juist een beangstigende gedachte moeten zijn te bedenken, dat ons geloof zo lauw zou zijn dat de g’ddelozen ons omwille daarvan niet zouden vervolgen, maar gewoon negeren. Als we nooit tegenstand, afwijzing of vervolging in welke vorm dan ook zouden ondervinden, dan zouden we ons moeten afvragen of wij Yeshua nog wel volgen, want dat zou misschien een symptoom kunnen zijn, dat ons geloof zwak is. Als dat echt het geval is, dan hebben we pas echt een probleem! Nu nog niet natuurlijk, maar straks wel, als Yeshua terugkomt, of misschien zelfs eerder als we komen te overlijden en er verbaasd van zullen opkijken waar we dan terecht komen... Chas v’Shalom! - G’d beware! Nee, Yeshua zegt juist keer op keer dat we niet hoeven te vrezen, maar dat we ons juist moeten verblijden en verheugen als we gesmaad en vervolgd worden om Zijnswil. Vervolging omwille van Yeshua en omwille van de gerechtigheid is reden voor een feestje, Simcha! Om ons een hart onder de riem te steken gaf Hij ons de volgende bemoediging, waarmee ik deze studie wil afsluiten: “Zie, Ik zend u als schapen midden onder wolven; weest dan voorzichtig als slangen en argeloos als duiven. Maar wacht u voor de mensen; want zij zullen u overleveren aan de gerechtshoven en zij zullen u geselen in hun synagogen; gij zult ook geleid worden voor stadhouders en koningen om Mijnentwil, tot een getuigenis voor hen en voor de volken. Wanneer zij u overleveren, maakt u dan niet bezorgd, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in die ure gegeven worden wat gij spreken moet; want gij zijt het niet, die spreekt, doch het is de Geest uws Vaders, die in u spreekt. Een broeder zal zijn broeder overleveren ten dode en een vader zijn kind, en kinderen zullen opstaan tegen hun ouders en hen ter dood brengen. En gij zult door allen gehaat worden om Mijns naams wil; maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden!” (Matityahu [Mattheüs] 10:16-22). Amen!

Werner Stauder

Categories: None

Post a Comment

Oops!

Oops, you forgot something.

Oops!

The words you entered did not match the given text. Please try again.

Already a member? Sign In

0 Comments