|
|

Bijbelstudie over
DE ZALIGSPREKINGEN - ASH’REI
Deel 2: De zaligsprekingen in de Openbaring
Vrijwel iedere gelovige kent de zaligsprekingen uit de Bergrede en elke praktiserende Jood behoort het Ash’rei te kennen, dat ten minste drie maal per dag gereciteerd wordt in de Joodse gebeden, twee keer tijdens Shacharit en een keer tijdens Mincha, maar wat de meesten niet weten is, dat deze aan elkaar gerelateerd zijn. Het Ash’rei is immers niets anders dan een aaneenschakeling van zaligsprekingen uit diverse Psalmen. Daarnaast komen wij overigens ook een hele reeks zaligsprekingen tegen in de bijbelse wijsheidsliteratuur (Mish’lei [Spreuken] 3:13, 8:32 en 34, 14:21, 16:20, 20:7 en 28:14) en in de profetieën over de komst van het Messiaanse vrederijk (Yeshayahu [Jesaja] 30:18, 32:20 en 56:2). Ook weten velen niet, dat er naast de zaligsprekingen uit Mattheüs 5 nog een tweede reeks zaligsprekingen in het Nieuwe Testament staat, namelijk in het boek Openbaring. In deze bijbelstudiereeks zullen wij daarom in meerdere afleveringen de diverse groepen van zaligsprekingen grondig doornemen omdat de Eeuwige ons hiermee een aantal belangrijke lessen wil meegeven op onze levenspad. Wij begonnen deze studiereeks met de alom bekende zaligsprekingen uit Matityahu [Mattheüs] 5:3-12 en zullen het in deze tweede aflevering hebben over de zeven zaligsprekingen in het boek Openbaring.
“Zalig hij, die voorleest, en zij, die horen de woorden der profetie,
en bewaren, hetgeen daarin geschreven staat, want de tijd is nabij!”
(Chizayon [Openbaring] 1:3)
Makarios ho anaginōskōn, kai hoi akouontes tous logous tēs prophēteias
kai tērountes ta en autēi gegrammena ho gar kairos eggus!
De eerste zaligspreking in het boek Openbaring toont in de eerste plaats weliswaar het belang van het lezen en beluisteren van de profetieën in G’ds Woord, maar in principe geldt het eigenlijk wel voor de héle Bijbel, zowel de TeNaCH (OT) alsook B’rit haChadasha (NT), want het is de Eeuwige zelf, die rechtstreeks door Zijn Woord tot ons spreekt. Dat deze zaligspreking echter niet slaat op het individuele bijbellezen in de persoonlijke stille tijd blijkt uit de beide werkwoorden ‘voorlezen’ en ‘luisteren’. De zinsneden “Hij die voorleest” en “zij die luisteren” geven duidelijk aan dat hier de plechtige Schriftlezing in de samenkomst van de gemeente is bedoeld. Het hardop voorlezen alsook het luisteren naar de lezing is echter niet vrijblijvend. Het gaat er namelijk niet alleen om dat wij het horen voorlezen, maar dat we het in ons geheugen prenten en er wat mee doen. ‘Horen’ en ‘bewaren’ horen namelijk bij elkaar zoals Yeshua in Lucas 11:28 (ook een zaligspreking!!!) nadrukkelijk heeft gezegd: “Zalig, die het woord G’ds horen en het bewaren!” Natuurlijk heeft het nadelige gevolgen als we dat niet doen, want Yeshua heeft namelijk ook gezegd: “En indien iemand naar mijn woorden hoort, maar ze niet bewaart, Ik oordeel hem niet, want Ik ben niet gekomen om de wereld te oordelen, doch om de wereld te behouden. Wie Mij verwerpt en mijn woorden niet aanneemt, heeft een, die hem oordeelt: het woord, dat Ik heb gesproken, dat zal hem oordelen ten jongsten dage!” (Yochanan [Johannes] 12:47-48). Alleen als u G’ds Woord ook bewaart in uw hart wanneer u het voorleest of hoort voorlezen, bent u zalig, “want niet wie de Tora alleen hoort, is rechtvaardig voor G’d, maar wie de Tora ook in praktijk brengt,” schrijft Sha’ul [Paulus] in Romeinen 2:13 (Groot Nieuws Bijbel). Toch om het te kunnen bewaren moet men het eerst gehoord hebben en daarom horen voorlezen, horen en bewaren bij elkaar. De praktijk van het hardop voorlezen in de christelijke kerk werd overgenomen van de Joodse eredienst. De Hebreeuwse versie van deze eerste zaligspreking begint met de woorden: Ash’rei haQore. Hier staat dus niet: “Zalig hij, die voorleest”, maar: “Zalig de voorlezer”, waaruit blijkt dat de Schriftlezing niet door willekeurige mensen tegelijkertijd en door elkaar heen hardop gedaan wordt, maar door een bepaalde speciaal daarvoor aangewezen persoon: de voorlezer ofwel de arvq Qore in het Hebreeuws. De belangrijkheid van de Schriftlezing in de liturgie komt al tot uiting in de manier waarop Sefer Tora [de Torarol] van en naar haar bewaarplaats, Aron haQodesh [Heilige Ark] wordt gebracht. De gemeente staat. Dan wordt de Ark geopend. De Torarol, aangekleed in een mantel, getooid met zilveren sierschild en torens, wordt zichtbaar. De rol wordt uit de Aron haQodesh gehaald. Daarna gaan degene wiens Mitz’va het is de Torarol te mogen dragen, de Gabai [synagogebestuurder], de Qore [Toralezer], de Maf’tir [Haftaralezer], de Chazan [voorzanger] en de rabbijn de synagoge rond. Veel gemeenteleden raken met de Tzitzit [kwasten] van hun Talit [gebedsmantel], de Chumash [Pentateuch] of met de Sidur [gebedenboek] het sierschild aan om ze daarna, nu ze zo dicht bij de Torarol zijn geweest, als teken van toewijding, te kussen. De Torarol wordt na de rondgang naar de Bima [voorleestafel] gebracht, van versierselen en mantel ontdaan en op de lessenaar gelegd om daaruit de Sidra ofwel Parasha [perikoop] van de week te lezen. Vervolgens zegt de Qore [voorlezer]: “Moge Hij redden, beschermen en helpen allen die bij Hem beschutting zoeken. Zegt hierop: Amen! Wilt allen grootheid toekennen aan onze G’d en eer bewijzen aan de Tora. Als er een Kohen aanwezig is moge hij nu naar voren komen! Laat de Kohen A de zoon van B hier gaan staan, maar als er geen Kohen aanwezig is, wil dan C de zoon van D hier gaan staan in plaats van de Kohen! Geprezen, die in Zijn heiligheid de Tora aan Zijn volk Israël heeft gegeven!” Omdat een Parasha verdeelt is in zeven gedeelten, worden zeven volwassen mannen om de beurt opgeroepen om naar de Bima te komen om de lezing van één van de zeven delen bij te wonen. Het is een voorrecht dit te mogen doen. Een ieder begint en eindigt deze eervolle taak met een B’racha [zegenspreuk]. Hierin wordt de Eeuwige gedankt en geprezen voor het geven van de Tora aan Zijn volk Israël en via Zijn volk aan de mensheid. Een Parasha wordt niet gewoon gelezen, maar in het Hebreeuws voorgedragen op een melodieuze wijze, het zogeheten ‘lajenen’. Daarvoor maakt men gebruik van de Te’amin [troop of zangtekens]. Bij het lajenen van de Schriftgedeelten zijn er veel mensen betrokken, die allemaal rond de Bima staan: de rabbijn, Gabai, dat is degene die de eredienst regelt, de nieuw opgeroepene, de vorige opgeroepene en de Qore, de voorlezer, want de opgeroepenen gaan reeds eeuwenlang in veel synagogen de Torateksten niet meer zelf voorlezen. De reden voor het aanstellen van een vaste voorlezer is dat de slechte beheersing van het Hebreeuws het in de diaspora vrijwel onmogelijk maakte de Tora door alle volwassen mannen te laten lezen zoals het behoorde en daardoor zouden teveel gemeenteleden uitgesloten moeten worden van een eervolle Mitz’va die eigenlijk iedereen toekwam om te vervullen. Daarom werd er op een gegeven moment in de loop der geschiedenis besloten dat elk mannelijk gemeentelid weliswaar kan worden opgeroepen om elk een deel van de lezing te verzorgen in die zin, dat hij de tekst met een Jadje [aanwijsstokje] zal aanwijzen, die in zijn plaats door de Qore gelajent wordt. Ook de gemeenteleden die het Hebreeuws wel goed beheersen, mogen in deze synagogen niet meer zelf lezen om daardoor de anderen niet voor schut te zetten. Degene die opgeroepen wordt om te lajenen, zegt derhalve nog slechts voor en na de lezing de lofprijzing in het Hebreeuws. In de tijd van Sha’ul [Paulus] vond de Schriftlezing in de hellenistische synagogen, waar de kennis van het Hebreeuws over het algemeen zeer gering was, doorgaans in de Griekse vertaling plaats, de Septuaginta. In Galilea en o.a. ook in Syrië werd de Targum, de Aramese vertaling van de Tora gelezen. Alleen de eerste en de laatste zin van Schriftlezing was dan soms Hebreeuws. Als de zeven stukken zijn gelajent is de eigenlijke Toralezing voltooid. Na het lezen uit de Tora wordt de rol onder gezang opgeheven en aan de gemeente getoond. Het Woord van G’d wordt daarmee letterlijk geopenbaard en centraal gesteld temidden van Zijn volk Israël, en tijdens het opheffen en vertonen van de Torarol beaamt de gemeente dit staande met de woorden: V’zot haTora asher sam Moshe lif’nei b’nei Yisra’el al pi Adonai b’yad Moshe [Dit is de Tora, die Moshe de kinderen van Israël heeft voorgelegd, op bevel van Adonai door de hand van Moshe]! Na de Toralezing wordt de Maf’tir opgeroepen, degene die het voorgeschreven stuk uit de profetische boeken moet lezen, dat bij de Parasha hoort. Deze profetenlezing wordt Haftara genoemd. Haftara betekent “voltooiing”, want de achterliggende gedachte is dat de lezing uit de Profeten de Toralezing voltooit. Al sinds oude tijden volgt in de synagoge op de lezing uit de Tora een lezing uit de Profeten. Voor de Haftara wordt echter slechts één persoon opgeroepen en niet zeven. Uiteraard wordt ook deze lezing weer voorafgegaan en afgesloten met een B’racha [lofzegging]. Al vanouds wordt het Toragedeelte bij voorkeur door Kohanim [mannen uit het priestergeslacht] gelezen, en slechts als deze niet aanwezig zijn mogen anderen daarvoor worden opgeroepen. Het profetengedeelte daarentegen wordt uitsluitend door Joden uit de overige stammen voorgelezen. Om deze reden kreeg Yeshua, die tot de stam Yehuda [Juda] behoorde en dus niet uit Levi stamde, volgens Lucas 4:16-21 de eer om in de synagoge van Natzeret [Nazaret] de Haftara te mogen lezen. Gezien de vermelding van de profetenlezing in bovengenoemde tekst uit Lucas 4 kunnen wij ervan uitgaan dat de Haftara reeds in de eerste eeuw gezien werd als een vanzelfsprekend onderdeel van de dienst in de synagoge. Als derde lezing volgt in Messiasbelijdende samenkomsten uiteraard een aan de Parasha gerelateerde tekst uit B’rit haChadasha, het Nieuwe Testament. In huiskringen wordt doorgaans de gehele Parasha inclusief de lezingen uit de Haftara en B’rit haChadasha in het Nederlands gelezen met uitzonderingen van de diverse B’rachot voor en na de lezingen. Zowel de voorlezers alsook de hoorders worden dus zalig geprezen mits zij het in hun hart bewaren. Doordat Yochanan de zaligspreking voor het horen en bewaren van G’ds Woord, waar Yeshua het in Lucas 11:28 over heeft gehad, nu in Openbaring 1:3 weergeeft als een zaligspreking voor het voorlezen, horen en bewaren van de woorden der profetie in de eindtijd, plaatst hij het boek Openbaring op één lijn met de profetische geschriften in de TeNaCH, maar hij voegt eraan toe dat de tijd nabij is. Hoewel de toekomst in de bijbelse profetieën altijd als nabij worden gezien moeten we deze toevoeging in het kader van de eerste zaligspreking bijzonder serieus nemen en bij het voorlezen en horen van de profetieën met betrekking tot de komst van de Antichrist en de wederkomst van Yeshua extra waakzaam blijven, want we weten niet wanneer deze tijd aangebroken is! (Marcus 13:33). Om deze reden is vooral het voorlezen van de profetieën over de eindtijd en met name over de tijd van de grote verdrukking uitermate belangrijk.
“Zalig de doden, die in de Here sterven, van nu aan.
Ja, zegt de Ruach, dat zij rusten van hun moeiten, want hun werken volgen hen na!”
(Chizayon [Openbaring] 14:13)
Ash’rei haMetim asher min-haYom vahal’a yamutu baAdonai v’af gam-haRuach
ana lemor sham yanuchu y’gi’ei koach v’halach achareihem ma’asei tzid’qam!
Makarioi hoi nekroi hoi en kuriōi apothnēskontes aparti. Nai legei to pneuma hina
anapausōntai ek tōn kopōn autōn ta de erga autōn akoloutei met autōn!
De tweede zaligspreking wordt nog wel eens verkeerd begrepen omdat men ten onrechte ervan uitgaat dat een ieder die in de Here gestorven is, hier zalig gesproken zou worden. Dat is echter niet het val. Natuurlijk verlangt iedere gelovige er vurig naar om na zijn of haar overlijden met Yeshua te zijn, want dat is verreweg het beste, zoals Sha’ul [Paulus] in Filippenzen 1:23 schrijft, want bij Hem te mogen zijn is uiteindelijk de grootste zegen die wij mogen ervaren, en volgens 1 Thessalonicenzen 4:16 mogen zij, die in de Here gestorven zijn, het voorrecht genieten om deel te hebben aan de eerste opstanding. Dat is allemaal waar en daar mogen wij ook vol verwachting en dankbaarheid naar uitkijken, maar toch worden niet alle doden, die in de Here gestorven zijn, hier zalig gesproken, want Yochanan [Johannes] voegt aan deze zaligspreking namelijk nog een tijdsbepaling toe: aparti [van nu aan] ofwel in het Hebreeuws min-haYom [vanaf vandaag]. Dat wil dus zeggen, dat het hierbij om een speciale groep van overledene gelovigen gaat, namelijk om de heiligen uit het voorgaande vers 12, die volhardend G’ds geboden en het geloof in Yeshua bewaren tijdens de grote verdrukking en hun trouw aan de Tora en hun geloof in de Mashiach met de dood moeten bekopen. Deze zaligspreking geldt dus voor degenen de wegname om welke reden dan ook gemist hebben en dus achterbleven in de Grote Verdrukking, wanneer de Antichrist G’ds volk Israël en de heidenen die alsnog tot geloof zijn gekomen in grote benauwdheid zal brengen en velen van hen zal doden. De zinsnede: “dat zij rusten van hun moeiten” wil dus zeggen dat zij verlost zullen zijn van hun lijden omwille van hun geloof en dat zij na hun dood de rust mogen ingaan. De zaligspreking heeft dus betrekking op de martelaren in hoofdstuk 7: “Dezen zijn het, die komen uit de grote verdrukking; en zij hebben hun gewaden gewassen en die wit gemaakt in het bloed des Lams. Daarom zijn zij voor de troon van G’d en zij vereren Hem dag en nacht in Zijn tempel; en Hij, die
op de troon gezeten is, zal Zijn tent over hen uitspreiden. Zij zullen niet meer hongeren en niet meer dorsten, ook zal de zon niet op hen vallen, noch enige hitte, want het Lam, dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen voeren naar waterbronnen des levens; en G’d zal alle tranen van hun ogen afwissen.” (Chizayon [Openbaring] 7:14-17).
“Zalig hij, die waakt en zijn klederen bewaart,
opdat hij niet naakt wandele en zijn schaamte niet gezien worde!”
(Chizayon [Openbaring] 16:15).
Ash’rei ha’ish haneor v’et-b’gadav hu notzer l’vil’ti yelech arom v’ra’u et-er’vato!
Makarios ho grēgorōn, kai tērōn ta himatia autou hina mē gumnos peripatēi
kai blepōsin tēn aschēmosunēn autou!
De derde zaligspreking roept ons op om waakzaam te zijn en onze klederen niet te bezoedelen, want Yeshua zegt in hetzelfde vers, dat Hij komt als een dief, dat wil zeggen: op een tijdstip waarop men Hem niet verwacht! Een waarschuwing met dezelfde strekking kwamen wij al in hoofdstuk 3:3-4 tegen: “Indien gij dan niet wakker wordt, zal Ik komen als een dief, en gij zult niet weten, op welk uur Ik u zal overvallen. Doch gij hebt enkele personen te Sardes, die hun klederen niet hebben bezoedeld, en zij zullen met Mij in witte klederen wandelen, omdat zij het waardig zijn.” Deze broeders en zusters te Sardes, die hun klederen niet hebben bezoedeld, mogen ons ten voorbeeld dienen, want zij behoren tot hen die hier zalig gesproken worden. Zij hebben hun klederen bewaard, en hetzelfde verwacht Yeshua ook van u en van mij. Over de witte klederen en de diepere betekenis daarvan heb ik recentelijk een aparte studie geschreven en daarom zal ik daar nu niet verder op ingaan, maar het bewaren daarvan wil dus zeggen dat wij onder alle omstandigheden en dwars door alle vervolging en verdrukking heen met onze levenswandel ervoor moeten zorgen dat er geen smet op komt en onze geestelijke klederen niet door de wereld bezoedeld worden. Wij allen worden opgeroepen om te waken en gereed te zijn om Yeshua te ontmoeten, de eerste keer als Hij komt om ons naar de veilige schuilplaats te brengen vóór de grote verdrukking en de tweede keer bij Zijn officiële wederkomst ná de grote verdrukking. Hij heeft ons diverse hints gegeven waaruit wij kunnen concluderen dat Zijn eerste komst zeer waarschijnlijk rond Pesach zal gebeuren, maar aan degenen die de wegname dan gemist hebben geeft Hij het dringende advies: “Bid, dat uw vlucht niet in de winter valle en niet op een shabat. Want er zal dan een grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is van het begin der wereld tot nu toe en ook nooit meer wezen zal. En indien die dagen niet ingekort werden, zou geen vlees behouden worden; doch ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden ingekort.” (Matityahu [Mattheüs] 24:20-22). Het is duidelijk dat de zaligspreking bedoeld is voor deze tweede groep, want alle zeven zaligsprekingen in het boek Openbaring gelden immers als troost voor degenen die in volhardend geloof de grote verdrukking moeten doorstaan en smachtend uitzien naar de beloofde komst van hun Redder en Bevrijder. “Maar over de tijden en gelegenheden, broeders, is het niet nodig, dat u geschreven wordt: immers, gij weet zelf zeer goed, dat de dag des Heren zo komt, als een dief in de nacht!” schrijft Sha’ul [Paulus] in 1 Thessalonicenzen 5:1-2. Herhaaldelijk wordt er op gewezen dat Zijn komst onverwachts zal zijn en dat het dus letterlijk van levensbelang is hierop te allen tijde voorbereid te zijn: “Waakt dan, want gij weet niet, op welke dag uw Here komt. Maar weet dit: Als de heer des huizes geweten had, in welke nachtwaak de dief zou komen, hij zou gewaakt hebben en in zijn huis niet hebben laten inbreken. Daarom, weest ook gij bereid, want op een uur, dat gij het niet verwacht, komt de Zoon des mensen!” (Matityahu [Mattheüs] 24:42-44). De derde zaligspreking bevat ook de waarschuwing voor de gelovige om ervoor te zorgen dat hij bij de komst van de Mashiach niet naakt wandele en zijn schaamte niet gezien zal worden. ‘Naaktheid’ en ‘het ontbloten van de schaamte’ zijn namelijk beelden van G’ds oordeel: “Uw schaamte worde ontbloot, uw schande ook gezien. Ik zal wraak nemen en niemand sparen!” (Yeshayahu [Jesaja] 47:3). “Daarom zal Ik Mijn koren weer wegnemen in de oogsttijd, en Mijn most in zijn seizoen, en wegrukken Mijn wol en Mijn vlas, die haar naaktheid moeten bedekken. Nu dan, Ik wil haar schaamte ontbloten voor de ogen van haar minnaars en niemand zal haar uit Mijn hand redden!” (Hoshea [Hosea] 2:9-10). “Zie, Ik zal u! luidt het woord van Adonai Tz’vaot [de Here der heerscharen], Ik til uw slippen op tot aan uw aangezicht, en Ik laat aan de volken uw naaktheid zien, aan de koninkrijken uw schaamte!” (Nachum [Nahum] 3:5). Daarom geeft de Eeuwige in de brief aan Laodicea de raad om witte klederen aan te doen “opdat de schande uwer naaktheid niet zichtbaar worde!” (Chizayon [Openbaring] 3:18). Laten we ons deze welgemeende raad ter harte nemen en in witte klederen met omgorde lendenen en brandende lampen klaar staan om onze hemelse Bruidegom spoedig te ontmoeten, het liefst al bij de wegname en niet pas bij Zijn officiële wederkomst.
“Zalig zij, die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal des Lams!”
(Chizayon [Openbaring] 19:9).
Ash’rei haQiru’im el-haMish’te laChatunat haSe!
Makarioi hoi eis to deipnon tou gamou tou arniou keklēmenoi!
De vierde zaligspreking, die betrekking heeft op de Bruiloft des Lams in hoofdstuk 19:7-8 is niet bedoeld voor de bruid, zoals sommigen veronderstellen, maar voor de bruiloftsgasten, dus voor hen die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal des Lams. Wie worden daarmee bedoeld? Wie is de bruid en wie zijn de gasten? Eeuwenlang werd er als vanzelfsprekend door de christelijke theologen verondersteld dat niemand anders dan de Kerk de bruid zou zijn en dat met de genodigden de oudtestamentische gelovigen bedoeld zouden zijn. Met andere woorden: de bruidsgemeente wordt dus gevormd door Christenen en de bruiloftsgasten door Joden. Op zich lijkt dat wel aannemelijk, maar de Bijbel zegt iets anders. Gelooft u nou echt dat Av’raham, de enige mens op aarde die door G’d zelf ‘vriend’ werd genoemd, Moshe, die van aangezicht tot aangezicht met de Eeuwige sprak, of David uit wiens nageslacht de Mashiach is voortgekomen, géén deel zouden uitmaken van de bruidsgemeente? Ik denk dat hier een grote denkfout wordt gemaakt. De profetie uit Hoshea [Hosea] 2:21-22 in de vertaling van de Groot Nieuws Bijbel laat er geen twijfel over bestaan op wie de hemelse Bruidegom zijn keuze laat vallen: “Israël, Ik wil je maken tot Mijn bruid, Ik wil je winnen voor altijd met recht en met gerechtigheid, met liefde en bewogenheid. Ik wil je voor Mij winnen met trouw, jij zult je toevertrouwen aan Mij, de Eeuwige!” Wij hoeven ons dus niet meer af te vragen wie die bruid is, want de Bruidegom Zelf heeft Zijn keuze al lang gemaakt: Hij heeft voor Zich het volk Israël tot bruid gekozen, althans het gelovige deel van Israël! Vervolgens vond op de berg Sinai de verloving plaats en werd door de Bruidegom de Tora als K’tuba [huwelijksakte] opgemaakt en heel officieel aan de notaris overhandigd. Deze notaris was Moshe [Mozes], want hij trad op als pleitbezorger (advocaat) voor zijn volk. In deze huwelijksakte heeft de Bruidegom Zijn voorwaarden op schrift gesteld, waaraan de bruid zou moeten voldoen binnen het huwelijk met Hem. Hij schreef precies wat Hij van haar verlangt en wat Hij haar verbiedt. Als Oosterse Bruidegom is Hij Degene die het voor het zeggen heeft en daarom noemt Hij die huwelijksvoorwaarden dan ook in de gebiedende wijze op: "Gij zult!" en "Gij zult niet!" en Israël als gehoorzame Oosterse bruid spreekt Hem niet tegen en doet wat haar geliefde Bruidegom behaagt! Zoals het een Oosterse Bruid die haar Echtgenoot wil behagen en uit liefde rekening houdt met Zijn wensen, betaamd heeft Israël de huwelijksakte onvoorwaardelijk en zonder tegenspraak aanvaard, want de Israëlieten hebben in de Sinai-woestijn plechtig beloofd dat zij zich aan de inzettingen van de Tora zouden houden: “Hij nam het boek des verbonds en las het voor de oren van het volk en zij zeiden: Alles wat de Eeuwige gesproken heeft, zullen wij doen en daarnaar zullen wij horen.” (Sh’mot [Exodus] 24:7). In de huwelijksakte geeft de Bruidegom tevens heel duidelijk een nauwkeurige omschrijving van de identiteit van de bruid: "de geboren Israëlieten én de vreemdelingen in uw midden". Het was dus al vanaf het begin de nadrukkelijke wens van de Bruidegom dat de gelovigen uit de volken deel zouden uitmaken van Zijn bruid Israël! In al mijn bijbelstudies heb ik het in verband met de identiteit van de Bruid ofwel de Gemeente altijd over het gelovige deel van Israël en de gelovigen uit de volken, want de gelovigen uit de volken plaatst G’d niet naast Israël, maar binnen Israël! Gelovigen uit de volken, die samen met de gelovige Israëlieten de bruidsgemeente vormen, dragen daarom uit liefde de trouwring, de Shabat, als zichtbaar teken van haar huwelijksverbond met Adonai. Met blijdschap in ons hart en vol verwachting op de spoedige komst van onze Hemelse Bruidegom mogen wij elk jaar met de viering van Simchat Tora alvast vooruit kijken op de Bruiloft des Lams! Het is dus van groot belang voor ons allen om te weten wie op deze koninklijke Bruiloft tot de bruidsgemeente en wie tot de genodigde gasten behoren. Ik denk dat wij deze termen letterlijk moeten nemen. Een gast kan wel een heel goede vriend zijn, maar hij maakt geen deel uit van het gezin, want anders zou hij geen gast zijn. Gezien het feit dat de Bruiloft des Lams volgens Opb. 19:6 pas zal plaatsvinden nadat Yeshua Zijn koningschap heeft aanvaard bij het blazen van de zevende Shofar (Opb. 11:15), dus na de eerste opstanding en de hereniging van de levende en de dode gelovigen, die samen in de wolken worden opgenomen, de komende Koning tegemoet, kom ik tot de conclusie, dat de gelovigen die de wegname gemist hadden en daardoor de marteldood stierven, beslist niet tot de genodigden gerekend mogen worden. Volgens Opb 20:4 zullen zij samen als koningen heersen en maken dus wel deel uit van de bruidsgemeente. Blijft dus de vraag wie de genodigden zijn, die in Opb. 19:9 zalig gesproken worden. Ik denk eerlijk gezegd niet, dat het gelovigen zullen zijn, want anders zouden ze wel tot de bruid behoren. Nee, ik denk eerder aan ongelovigen die genodigd en zalig gesproken zullen worden vanwege hun houding tegenover G’ds volk tijdens de Grote Verdrukking. Nadat de uitverkorenen zijn weggenomen en naar een veilige schuilplaats zijn gebracht, zullen alle overige gelovigen die om diverse redenen achterblijven evenals degenen die pas na de wegname tot geloof zullen komen alsook het deel van het Joodse volk, dat Yeshua tot dan toe nog niet als haar Mashiach heeft erkend, zwaar worden vervolgd en zij zullen afhankelijk zijn van hulp van buitenaf. Zeker met het oog op dat laatste ben ik dus van mening, dat wij bij ‘de genodigden voor het bruiloftsmaal des Lams’ op de eerste plaats aan de ‘schapen’ in Matit’yahu [Matthéüs] 25:31-46 moeten denken, waarvan Yeshua na Zijn wederkomst gezegd heeft, dat zij Hem te eten hebben gegeven toen Hij honger had, te drinken hebben gegeven toen Hij dorst had geleden, Hem hebben gehuisvest toen Hij een vreemdeling is geweest, Hem hebben gekleed toen Hij naakt was, Hem hebben bezocht toen Hij ziek was en tot Hem gekomen zijn toen Hij in de gevangenis geweest is, want in zoverre zij dit aan een van Zijn minste broeders hebben gedaan, hebben zij het Hem gedaan. Het is duidelijk, dat Yeshua met ‘Zijn broeders’ de Joden bedoelt, die daadwerkelijk Zijn broeders in het vlees zijn. Daarom Hij ook tegen de schapen zeggen: “Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld af!” Ook al noemt Hij hen ‘gezegenden Mijns Vaders’, toch zijn zij beslist geen gelovigen, maar wereldse mensen bij wie het hart op de juiste plek zit! Zij worden beloond voor hun ontferming over de arme en vervolgde kinderen van G’d in de tijd van de grote verdrukking, die honger en dorst lijden, voortdurend moeten vluchten, schuilen en onderduiken. Daarom zal het ook werkelijk levensgevaarlijk zijn om deze mensen, die Yeshua “deze kleinsten van Zijn broeders” noemt, te helpen omdat een dergelijke hulp met de dood zal worden gestraft, zoals het ook in de Shoa [Holocaust] tijdens de Tweede Wereldoorlog is geweest! Velen, die onder gevaar voor hun eigen leven destijds Joden hielpen onderduiken, ontvingen na de oorlog het ereburgerschap van Israël als dank, ook al waren zijzelf geen Joden. Zo zullen ook zij, die tijdens de grote verdrukking gelovigen helpen onderduiken, als beloning het eeuwig leven en het burgerschap van het Koninkrijk der hemelen ontvangen en zij zullen genodigd worden tot het bruiloftsmaal des Lams. Zij maken weliswaar geen deel uit van de bruidsgemeente, maar vanwege hun houding tegenover G’ds volk in tijden van grote benauwdheid mogen zij als vrienden van de Bruidegom wel delen in de feestvreugde en met het Bruidspaar aanliggen aan de feestdis en gezamenlijk de vierde beker drinken, die wij bij de jaarlijkse seiderviering laten staan omdat Yeshua met het oog op de Bruiloft des Lams gezegd heeft: “Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken, tot op die dag, dat Ik haar met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk Mijns Vaders!” (Matit’yahu [Matthéüs] 26:29).
“Zalig en heilig is hij, die deel heeft aan de eerste opstanding: over hen heeft
de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van G’d en van de Mashiach
zijn en zij zullen met Hem als koningen heersen, die duizend jaren!”
(Chizayon [Openbaring] 20:6).
Ash’rei an’shei-qodesh asher yiq’chu chel’qam baT’quma haRishona haMavet lo yish’lat-bam
shenit ki kohanim yih’yu leElohim v’liM’shichu umal’chu imo elef shanim!
Makarios kai hagios ho echōn meros en tēi anastasei tēi prōtēi epi toutōn ho thanatos
ho deuteros ouk echei exousian all esontai hiereis tou theou kai tou Christou
kai basileusousin met autou chilia etē!
De vijfde zaligspreking in de Openbaring wordt uitgesproken over degenen die deelhebben aan de eerste opstanding. Alle overige doden, die geen deel hebben aan de eerste opstanding, de opstanding ten leven, welke plaats zal vinden bij de wederkomst van Yeshua, zullen ná het duizendjarig vrederijk uit de dood worden opgewekt om voor de witte troon te verschijnen. Dit is de tweede opstanding, de opstanding ten oordeel, waarvan de profeet Daniël gesproken heeft: “Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen” (Dani’el [Daniël] 12:2). Dit wordt trouwens door Yeshua Zelf herhaald: “Verwondert u hierover niet, want de ure komt, dat allen, die in de graven zijn, naar Zijn stem zullen horen, en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, wie het kwade bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeel” (Yochanan [Johannes] 5:28-29). Oppervlakkig beschouwd lijkt het alsof er op één en dezelfde dag een algemene opstanding zou plaatsvinden evenals het lijkt alsof de Dag des Oordeels inderdaad ook maar letterlijk één dag zou omvatten! Uit het boek Chizayon [Openbaring] weten wij echter, dat dit niet het geval is, maar dat er een periode van duizend jaren tussen de eerste en de tweede opstanding ligt en dat het oordeel over de levenden, zoals beschreven in Mt. 25:31-46 vóór het Messiaanse vrederijk plaats zal vinden, en het oordeel over de doden pas ná deze duizend jaren. Maar hoe kan het toch, dat er desondanks steeds gesproken wordt over de ‘Jongste Dag’, de ‘Dag des Heren’ en de ‘Dag des Oordeels’, terwijl er tussen de eerste en de tweede opstanding en tussen het oordeel over de levenden en het oordeel over de doden duizend jaren liggen? Het antwoord vinden wij in 2 Petrus 3:8, waarin de apostel schrijft: “Doch dit ene mag u niet ontgaan, geliefden, dat één dag bij de Eeuwige is als duizend jaar en duizend jaar als één dag.” - De geduchte Dag des Heren, die ook wel de Dag des Oordeels wordt genoemd, omvat dus geen etmaal van 24 uur, maar een tijdperk van duizend jaar! Het gaat hierbij dus om een voorspelling in twee delen, gescheiden door deze lange periode van ware vrede. Yeshua noemde de eerste ‘de opstanding ten leven’ en de tweede ‘de opstanding ten oordeel’. Over deze tweede opstanding schrijft Yochanan in Chizayon [Openbaring] 20:11-15 het volgende: “En ik zag een grote witte troon en Hem, die daarop gezeten was, voor wiens aangezicht de aarde en de hemel vluchtten, en geen plaats werd voor hen gevonden. En ik zag de doden, de groten en de kleinen, staande voor de troon, en er werden boeken geopend. En nog een ander boek werd geopend, Sefer haChayim [het boek des levens]; en de doden werden geoordeeld op grond van hetgeen in de boeken geschreven stond, naar hun werken. En de zee gaf de doden, die in haar waren, en de dood en het dodenrijk gaven de doden, die in hen waren, en zij werden geoordeeld, een ieder naar zijn werken. En de dood en het dodenrijk werden in de poel des vuurs geworpen. Dat is de tweede dood: de poel des vuurs. En wanneer iemand niet bevonden werd geschreven te zijn in Sefer haChayim [het boek des levens], werd hij geworpen in de poel des vuurs!” Dat is dus de tweede dood, maar over hen die deel hebben aan de eerste opstanding, heeft de tweede dood volgens vers 6 geen macht! Zij zullen priesters van de Allerhoogste zijn en samen met Yeshua heersen als koningen in het Messiaanse Vrederijk. Vers 6 is echter niet alleen een zaligspreking, maar ook een heiligverklaring! Dit is overigens de enige zaligspreking waar aan het woord Makarios ofwel Ash’rei iets toegevoegd wordt, hetgeen betekent dat hen dubbele eer toekomt, want in de daaraan voorafgaande verzen 4 en 5 schrijft Yochanan: “En ik zag tronen, en zij zetten zich daarop, en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen van hen, die onthoofd waren om het getuigenis van Yeshua en om het woord van G’d, en die noch het beest noch zijn beeld hadden aangebeden en die het merkteken niet op hun voorhoofd en op hun hand ontvangen hadden; en zij werden weder levend en heersten als koningen met de Mashiach, duizend jaren lang. De overige doden werden niet weder levend, voordat de duizend jaren voleindigd waren. Dit is de eerste opstanding!”
“Zalig hij, die de woorden der profetie van dit boek bewaart!”
(Chizayon [Openbaring] 22:7).
Ash’rei haShomer et div’rei haN’vu’a shel haSefer haze!
Makarios ho tērōn tous logous tēs prophēteias tou bibliou toutou!
De zesde zaligspreking is in principe een verkorte vorm van de eerste, met dit verschil, dat er in de eerste slechts gesproken wordt over “de woorden der profetie”, terwijl Yochanan het nu heel specifiek over “de woorden der profetie van dit boek” heeft. Dat wil dus zeggen dat er bijzonder veel waarde toegekend wordt aan dit laatste Bijbelboek Openbaring. Op zich is dat ook best wel logisch, want alle profetieën uit de TeNaCH zijn immers toegespitst op de gebeurtenissen in de Openbaring: de komst van de Antichrist, de Grote Verdrukking, de aanval op Israël, de laatste grote oorlog, de eerste opstanding, de wederkomst van Yeshua, de Bruiloft des Lams, het duizendjarig vrederijk, de Dag des Oordeels, de tweede dood en ten slotte de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Alle profetieën van alle eeuwen zijn samengevat in die ene Openbaring die Yochanan op het eiland Patmos kreeg, en juist dat is het wat dit laatste boek van de Bijbel zo uitermate belangrijk maakt. Het is letterlijk een eye-opener en is daarom ook bedoeld om ons wakker te schudden als wij door allerlei zoetsappige preken in slaap gesust zijn. Daarom wordt er in de meeste kerken zo weinig over de Openbaring gepredikt, want de mensen willen geen preek over hel en verdoemenis horen, en zeker niet over onthoofdingen omwille van het geloof, maar luisteren liever naar de verkondiging van het welvaartsevangelie en succesverhalen. Dat voorzag Sha’ul [Paulus] al vele eeuwen geleden toen hij schreef: “Want er komt een tijd dat de mensen niet langer willen luisteren naar de gezonde leer, maar hun eigen begeerten volgen en een aantal leraren om zich heen verzamelen die zeggen wat ze graag horen. Ze zullen voor de waarheid hun oren sluiten en alleen aandacht hebben voor mythen. Blijf jij echter in alle omstandigheden nuchter; draag het lijden, doe je werk als evangelist en volbreng je dienende taak.” (2 Timoteüs 4:3-5, Groot Nieuws Bijbel). De tijd waarover rabbi Sha’ul het in deze tekst had is de tijd waarin we nu leven. Kijk maar om je heen. Tegenwoordig hechten velen men meer geloof aan dromen, gezichten, visioenen en zogenaamde ‘woorden’ die zij krijgen, dan aan het geschreven woord van G’d, de Bijbel! Daarom gaf hij ons allen in vers 2 de opdracht: “Verkondig de boodschap, dring aan, of het nu gelegen komt of niet, weerleg, berisp, moedig aan, wees altijd geduldig en blijf de mensen onderrichten.” Dat laatste geldt uiteraard heel in het bijzonder het boek Openbaring en daarom worden allen zalig gesproken, die de woorden der profetieën van dit boek bewaren!
“Zalig zijn zij, die Zijn geboden doen, opdat hun macht zij aan den boom des levens,
en zij door de poorten mogen ingaan in de stad!”
(Chizayon [Openbaring] 22:14).
Ash’rei ha’osim et mitz’votav l’ma’an tih’ye lahem z’chut al etz haChayim
v’yikan’su ha’ira derech haSh’arim!
Makarioi hoi poiountes tas entolas autou hina estai hē exousia autōn epi to
xulon tēs zōēs, kai tois pulōsin eiselthōsin eis tēn polin!
Van de zevende en tevens laatste zaligspreking bestaan er twee versies, die in het Grieks erg veel op elkaar lijken, maar in de Nederlandse vertaling op het eerste gezicht twee verschillende zinnen zijn. Beide versies zullen we even nader bekijken. Laten we met de eerste beginnen, die het meest Joods overkomt, want daarin worden degenen zalig gesproken, die de Mitz’vot doen, de geboden. Voor Messiasbelijdende Joden is deze versie uiteraard de meest voor de hand liggende, omdat zij volledig in overeenstemming is met talrijke soortgelijke teksten in de Tora en één van de vele zaligsprekingen in de TeNaCH met dezelfde strekking: “Welzalig de man, die de Eeuwige vreest, die van harte lust heeft in Zijn geboden!” (Tehilim [Psalm] 112:1).
“Zalig zij, die hun gewaden wassen, opdat zij recht mogen hebben op het geboomte des levens en door de poorten ingaan in de stad!”
(Chizayon [Openbaring] 22:14).
Ash’rei haM’chab’sim sim’lotam v’haya lahem rish’yon le’echol me’etz haChayim
v’lavo ha’ira derech sh’areiha!
Makarioi hoi plunontes tas stolas auton hina estai hē exousia autōn epi to
xulon tēs zōēs, kai tois pulōsin eiselthōsin eis tēn polin!
Op het eerste gezicht lijkt het om twee totaal verschillende zaligsprekingen te gaan, die in niets op elkaar lijken, maar bij nader inzien is het reinigen met het bloed van het Lam natuurlijk onlosmakelijk verbonden met het doen van G’ds geboden. Het bloed van het Lam, waarin wij onze gewaden hebben gewassen, geeft ons recht op het eeuwige leven en op een verblijf in het hemelse Jeruzalem. De zondaars moesten uit het paradijs vertrekken. De Boom des Levens bleef in Gan-Eden achter. Hij wacht daar nog steeds op u en op mij. De k’ruvim [cherubs] met hun vlammende zwaarden zullen ons doorlaten als we aan de voorwaarde voldoen: “Wie overwint, hem zal Ik geven te eten van de Boom des Levens, die in het paradijs G’ds is.” (Chizayon [Openbaring] 2:7). “Zalig zij, die hun gewaden wassen, opdat zij recht mogen hebben op het Geboomte des Levens en door de poorten ingaan in de stad.” Amen!
Categories: None
The words you entered did not match the given text. Please try again.
Oops!
Oops, you forgot something.