|
|

Bijbelstudie; DE ARK DES VERBONDS - ARON HAB’RIT/Deel 1: De Ark in de Thora
Op 26 Mei 2013 om 0.12 door Ronald geplaatst in Beth Hamidrasj/Het Studiehuis
Back to Beth Hamidrasj/Het Studiehuis Discussions
.
Bijbelstudie; DE ARK DES VERBONDS - ARON HAB’RIT
Deel 1: De Ark in de Thora
Door de eeuwen heen heeft de Ark der Getuigenis als geen ander voorwerp uit de Bijbel tot de verbeelding gesproken van gelovigen en sinds Steven Spielberg’s “Indiana Jones” films ook wel wereldse mensen. Talloze bijbelwetenschappers, historici en archeologen raakten gefascineerd door het feit, dat deze heilige gouden schrijn, die in Iv’rim [Hebreeën] 4:16 “troon der genade” genoemd wordt, ruim 2500 jaar geleden van het toneel verdwenen en sindsdien nooit meer boven water gekomen is. Sinds de verwoesting van de tempel van Sh’lomo [Salomo] was de Ark spoorloos, toch de speculaties en gissingen over haar verblijfplaats houden maar niet op. De meest vreemde en fantastische theorieën doen al sinds mensen heugen de ronde over de verblijfplaats van de Ark des Verbonds: sommigen zijn van mening dat de Ark door de Romeinen is meegenomen naar Rome en later in de kelders van het Vaticaan is opgeslagen; anderen beweren dat de Tempeliers de Ark naar Frankrijk hebben meegenomen en daar onder een kerk hebben begraven. Weer anderen zijn ervan overtuigd, dat de Ark zich in Ethiopië bevindt, of - om maar in Afrika te blijven - in de grensstreek tussen Zimbabwe en Zuid-Afrika. Deze theorie is vooral bekend door de film “King Salomo’s Mines”. Liefhebbers van complottheorieën twijfelen er zelfs niet aan dat de Ark door de CIA is opgeslagen in de streng geheime luchtmachtbasis Area 51, naast de restanten van neergestorte UFO’s. Deze fantasten zien hun theorie bevestigd door de slotscènes van “Raiders of the Lost Ark” en de beginscènes van “Kingdom of the Crystal Skull”. Veruit de meeste onderzoekers zijn echter van mening dat de Ark ergens in een geheime gangenstelsel onder de Tempelberg verborgen zou zijn. Er zijn zelfs mensen zoals Ron Wyatt en Tom Crotser die beweren, de Ark inmiddels zelf gevonden en met eigen ogen gezien te hebben. Bewijzen konden zij dat echter niet. Hoe dan ook, op de ene of andere manier hangt er een mysterieuze sluier over de verdere geschiedenis van de heilige Ark, waardoor er door de eeuwen heen diverse legendes hieromtrent zijn ontstaan. Al deze legendes, theorieën alsook spectaculaire beweringen zullen wij één voor één in deze studiereeks nader onder de loep nemen, maar voordat we daaraan beginnen willen we eerst gaan kijken wat de Bijbel te zeggen heeft over deze gouden verbondskist, die volgens de beschrijvingen van een oogverblindende schoonheid moet zijn geweest. Hoe zag de Ark er uit en hoe groot is zij geweest? Tot welk doel is zij gebouwd en door wie? Welke wonderen en tekenen hebben er plaatsgevonden die met de Ark in verband gebracht kunnen worden? Was er sprake van een bovennatuurlijk voorwerp waar een ongekende kracht van uit ging? Volgens de Schotse journalist en hobby-archeoloog Graham Hancock was de Ark des Verbonds een kernwapen! Hancock, die allerlei twijfelachtige opgravingen verricht zou hebben en vijf miljoen boeken over zijn vage ideeën heeft verkocht, wat hem een goed inkomen heeft gebracht, volgt daarmee het voetspoor van Ron Wyatt op het gebied van de alternatieve bijbelse archeologie en de bewering van sensationele ontdekkingen. Zo beweert hij zonder te blozen, dat Mozes bij de uittocht uit Egypte een krachtbron meegenomen zou hebben, die volgens hem oorspronkelijk aan overlevenden van de verzonken beschaving Atlantis toebehoorde. Dit radioactief materiaal, dat afkomstig zou zijn geweest van een meteoriet, zou Mozes in de Ark gelegd hebben, die hij vervolgens als wapen gebruikte nadat hij de kernenergie onder controle gekregen heeft. Dat zou volgens Hancock dus ook de verklaring zijn waarom het leger van de Israëlieten met de Ark in hun voorhoede al hun vijanden konden verslaan. Ook zouden de Filistijnen in 1 Sam 5:6 en 9 builen en zweren gekregen hebben door de radioactieve straling uit de Ark, toen ze deze hadden buitgemaakt. Ook zou Mirjam, de zuster van Mozes en Aäron volgens Hancock na contact met de Ark door melaatsheid getroffen zijn vanwege de radioactieve straling die daarbij vrijkwam. Om deze reden moest de kist dan ook voortgedragen worden aan draagstokken om elk lichamelijk contact met het besmette voorwerp te vermijden. Natuurlijk valt dit allemaal niet te bewijzen en ook door de wetenschappers wordt Graham Hancock evenals Ron Wyatt, over wie ik later in deze studiereeks nog het een en ander te vermelden heb, absoluut niet serieus genomen, maar desalniettemin zijn beide heren door hun seminars en het verkoop van boeken en video’s over hun zogenaamde ontdekkingen en beweringen miljoenairs geworden. Andere grenswetenschappelijk onderzoekers gaan zelf nog een stap verder. De Zwitserse schrijver Erich von Däniken en de ‘Legendary Magagazine’ uitgever Georgio A. Tsoukalos, beiden bekend van de documentairereeks ‘Ancient Aliens’ van History Channel, brengen de Ark in verband met buitenaardse beschavingen. Er zijn zelfs pseudo-wetenschappers die beweren, dat de Ark des Verbonds een sterrenpoort zou zijn, een hyperdimensioneel teleportatie-instrument met leviterende mogelijkheden, met andere woorden: een tripmaschine, die astrale reizen mogelijk maakte, tevens een soort apparaat voor telepathische contactuitwisseling met wezens uit hoge dimensies. Het moet toch niet gekker worden! Maar goed, er is ook nog een andere theorie. Volgens de negentiende-eeuwse Servische wetenschapper en uitvinder Nikola Tesla fungeerde de Ark des Verbonds als condensator. Hij was ervan overtuigd, dat statische elektriciteit in de kurkdroge woestijnlucht er voor zorgde, dat het binnenste deel van de Ark met tienduizenden volt op werd geladen omdat de diverse laagjes goud in de Ark, die wel op korte afstand van elkaar lagen, maar toch niet met elkaar verbonden, in staat waren veel elektrische lading op te slaan. De elektrisch geleidende draagstokken lieten de lading echter wegvloeien, waardoor de de Ark veilig vervoerd kon worden. Weer anderen zien in de Ark echter geen condensator, maar een soort batterij, een krachtbron die alle energieproblemen op zou kunnen lossen. Hoe dan ook, de Ark heeft in de loop der geschiedenis bij velen heel wat vragen opgeroepen. Om deze vragen te kunnen beantwoorden zullen we de Bijbel moeten raadplegen, want daarin staat alle informatie die de Eeuwige ons hieromtrent wil verstrekken.
Diverse benamingen
Het Nederlandse woord 'ark' is afgeleid van het Latijnse arca. Het oorspronkelijke Hebreeuwse woord is Aron. In de TeNaCH komen wij diverse benamingen tegen voor de verbondskist: Aron haEdut [Ark der Getuigenis], Aron haB’rit [Ark des Verbonds],
Aron B’rit haShem [Ark van het Verbond met de Eeuwige], Aron haShem [Ark van de Eeuwige], Aron Elohim [Ark G’ds], of Aron haQodesh [de heilige Ark]. Deze laatste benaming wordt ook toegepast op de kast, waarin zich de Thora-rollen bevinden in de synagoge en daarom een soortgelijke functie bekleedt. Ook in de Qur’ān [koran] wordt de Ark des Verbonds genoemd als het allerheiligste voorwerp van het volk Israël. De Arabische naam is تابوت العهد Tābūt al-‘Ahd. Maar laten we nu kijken wat de Bijbel over de Ark te vertellen heeft.
De onderbouw van de Ark
In het eerste deel van deze studiereeks over de Ark des Verbonds zullen wij de teksten behandelen die wij hieromtrent in de diverse Parashiot, de wekelijkse Thora-gedeelten volgens het leesrooster in de synagoge tegenkomen. Voor het eerst wordt de Ark genoemd in de Parasha T’ruma, waarin de Eeuwige op de berg Sinaï aan Moshe [Mozes] de opdracht geeft, de Mish’kan [tabernakel] te laten bouwen met al zijn gerei: “Zij moeten dan een Ark van acaciahout maken, twee en een halve el lang, anderhalve el breed, en anderhalve el hoog. Gij zult die overtrekken met louter goud; van binnen en van buiten zult gij die overtrekken en er rondom een gouden omlijsting op maken. Gij zult er vier gouden ringen voor gieten en die bevestigen aan de vier voetstukken en wel twee ringen aan de ene zijwand en twee ringen aan de andere zijwand. Gij zult draagstokken van acaciahout maken en die met goud overtrekken. Gij zult de draagstokken steken in de ringen aan de zijwanden van de Ark, om daarmee de Ark te dragen. De draagstokken zullen in de ringen van de Ark blijven, zij zullen er niet uit verwijderd worden. In de Ark zult gij de Getuigenis leggen, die Ik u geven zal.” (Sh’mot [Exodus] 25:10-16). De verbondskist was gemaakt van acaciahout en van binnen en van buiten overtrokken met een laag bladgoud. Aan de bovenzijde was zij versierd met een kroonlijst van puur goud. De keuze voor deze houtsoort is niet toevallig, want acaciahout ofwel Etzai Shitim in het Hebreeuws, is namelijk een houtsoort die, zoals men zegt, onvergankelijk is en dus uitermate geschikt voor de vervaardiging van de bewaarplaats van G’ds Getuigenis, die eeuwigheidswaarde heeft. Het gaat hierbij om de twee stenen tafels, waarop haShem met Zijn eigen vinger de tien woorden, Aseret haD’varim, beter bekend als de ‘Tien Geboden’ had gegraveerd. Deze twee stenen tafels moesten in de ark worden gelegd. De grootte van de tafels is niet opgegeven, maar zo groot als ze doorgaans worden afgebeeld zullen ze wel niet geweest zijn, want als we naar de afmetingen van de Ark kijken, dan valt het ons op dat ook deze eigenlijk niet zo groot was als men vaak denkt: twee en een halve el lang, anderhalve el breed, en anderhalve el hoog. De lengtematen waren destijds gebaseerd op de gemiddelde lengte van menselijke ledematen. Een el was dus de afstand van de elleboog (vandaar die naam) tot de top van de middelvinger, en dat was volgens de oude maat ongeveer 44 cm. Daarnaast kende men ook nog een lange el van ongeveer 52 cm. Om een indruk te krijgen van de afmetingen die de verbondskist had, gaan we voor het gemak even uit van 50 cm voor een el en dus moet de Ark ongeveer 1 meter 25 lang, 75 cm breed en 75 cm hoog geweest zijn, het verzoendeksel met de cherubs niet meegerekend, want die wordt pas in de daarop volgende verzen genoemd. De ark en het verzoendeksel vormden samen weliswaar één geheel, maar waren toch wel twee aparte voorwerpen met verschillende functies en om deze reden wordt ons de beschrijving daarvan ook afzonderlijk gegeven.
Het verzoendeksel met de cherubs
Laten we nu kijken welke instructies de Eeuwige voor het maken van het verzoendeksel gaf: “Ook zult gij een verzoendeksel van louter goud maken, twee en een halve el lang en anderhalve el breed. En gij zult twee cherubs van goud maken, van gedreven werk zult gij ze maken, aan de beide einden van het verzoendeksel. Maak een cherub aan het ene einde en een cherub aan het andere einde; uit een stuk met het verzoendeksel zult gij de cherubs op zijn beide einden maken. De cherubs zullen twee vleugels uitgespreid houden naar boven, met hun vleugels het verzoendeksel bedekkende en hun aangezicht naar elkander gericht; naar het verzoendeksel zullen de aangezichten der cherubs gericht zijn. Gij zult het verzoendeksel bovenop de Ark leggen en in de Ark zult gij de Getuigenis leggen, die Ik u geven zal. En Ik zal daar met u samenkomen en van het verzoendeksel af, tussen de beide cherubs op de Ark der Getuigenis, over alles met u spreken wat Ik u voor de Israëlieten gebieden zal.” (Sh’mot [Exodus] 25:17-22). In tegenstelling tot de Ark zelf, die van acaciahout gemaakt was en slechts met een laag goud overtrokken was, bestond het verzoendeksel volledig uit massief goud en was evenals de Ark 2½ el (± 125 cm) lang en 1½ el (± 75 cm) breed. In de beschrijving van het verzoendeksel gaat veel aandacht uit naar de twee cherubs, in het Hebreeuws K’ruvim geheten, die zich aan de beide uiteinden van het verzoendeksel bevonden en met hun vleugels de dekplaat moesten overschaduwen. Ze vormden één geheel met het verzoendeksel en zijn er dus niet naderhand bovenop geplaatst, want alles was samen uit één klomp goud vervaardigd. Deze cherubs verschilden nogal van de door de profeet Yechez’q’el [Ezechiël] beschreven cherubs. Zij hadden namelijk niet vier, maar twee vleugels, die overigens die niet horizontaal, maar naar boven waren uitgespreid en daarmee samen als het ware een soort dak vormden om het verzoendeksel te overdekken. Verder hadden beide cherubs niet vier, maar slechts één gezicht, dat zij naar elkaar toegewend en neerwaarts naar de dekplaat gericht hielden. Ondanks deze duidelijke aanwijzingen weten velen blijkbaar toch niet hoe dit er ongeveer uitgezien moet hebben, want er zijn op afbeeldingen veel uiteenlopende varianten te zien. Zo zijn er sommige afbeeldingen, waarop de cherubs in het midden van het verzoendeksel staan, terwijl de tekst duidelijk zegt, dat de cherubs zich aan de beide uiteinden bevonden en dus niet in het midden. En dan zie je ook nog staande of knielende cherubs. Maakt dat wat uit? Volgens mij wel. Het idee van rechtop staande cherubs komt uit sommige vertalingen. In de Groot Nieuws Bijbel zijn de verzen 17 t/m 20 als volgt vertaald: “Maak een deksel van zuiver goud, één en een kwart meter lang, vijfenzeventig centimeter breed, met op de beide uiteinden twee engelfiguren in goud gedreven. Die engelfiguren aan beide zijden dienen met het deksel één geheel te vormen. Ze moeten tegenover elkaar staan, met hun gezicht naar het deksel gekeerd en met hun uitgespreide vleugels het deksel afschermen.” In de nieuwe bijbelvertaling lezen wij in vers 20: “Ze moeten tegenover elkaar staan, met het gezicht naar de verzoeningsplaat gekeerd, en hun vleugels moeten gespreid zijn zodat ze zich daar beschermend over uitstrekken.” Ook in de Willibrordvertaling staan de cherubs rechtop. Op zich zie ik daar wel een mooie symboliek in. Als de cherubs namelijk rechts en links staan met hun vleugels naar elkaar toe uitgespreid, dan vormen de vleugels een soort chupa, een bruiloftsbalakijn voor de hemelse Bruidegom, als de vleugels tenminste horizontaal waren uitgespreid, maar volgens de grondtekst was dat niet het geval. Jammer, deze optie gaat dus niet op. Bovendien had de Eeuwige Zichzelf dan toch wel erg klein moeten maken om onder de vleugels te komen staan. De al eerder genoemde pseudo-wetenschapper en hobbyarcheoloog Ron Wyatt had een heel andere voorstelling hoe dat eruitgezien moet hebben. Hij beweerde namelijk, de Ark des Verbonds vele jaren geleden met eigen ogen gezien te hebben. Volgens zijn beschrijving staan de cherubs niet bovenop de verzoenplaat, maar rechts en links op de grond naast de Ark. Zij houden aan de achterkant de vleugels tegen elkaar als rugleuning en aan de beide zijkanten de tweede vleugel omlaag als armleuning en vormen op deze manier samen de ‘Troon der genade’. In de video-reeks ‘Ark Files’ wordt dit aan de hand van computeranimatie aanschouwelijk gemaakt. Ik heb deze films alsook de afbeeldingen gezien en op het eerste gezicht lijkt het wel aannemelijk, want als men letterlijk uitgaat van de ‘mercy seat’, dus de ‘troon der genade’, dan zit daar inderdaad wel een logica in. Dit lijkt dus geniaal bedacht, ware het niet dat deze beschrijving niet overeenkomt met de beschrijving in de Thora. De cherubs staan daar namelijk niet rechts en links naast de Ark, maar bevinden zich op het verzoendeksel. Het in dit verband gebruikte Hebreeuwse woord li al betekent immers niet ‘naast’, maar ‘op’ of ‘boven’. Denk hierbij maar aan de naam van de bekende Israëlische luchtvaartmaatschappij El Al, die letterlijk ‘naar boven’ betekent. De NBG-vertaling zegt daarom zeer terecht: “Uit één stuk met het verzoendeksel zult gij de cherubs op zijn beide einden maken.” Maar ook dat van die vleugels klopt niet. Volgens de grondtekst hielden beide cherubs hun vleugels namelijk omhoog (in het Hebreeuws ma’al) gespreid om de ark te overdekken en niet naar opzij en omlaag om als rug- en armleuning te fungeren. Kortom, Ron Wyatt mag dan wel beweren met eigen ogen gezien te hebben dat de Ark er met de cherubs zo uitgezien zou hebben zoals hij het beschreven heeft, maar ik persoonlijk hecht toch wel meer waarde aan wat de Thora daarover zegt. Wat staat daar nu precies? Laten we de verzen 18 t/m 20 vanuit de grondtekst bekijken met de letterlijke vertaling:
V’asita sh’nayim k’ruvim zahav miq’sha ta’ase ota miSh’nei q’tzot haKaporet.
En u moet maken twee cherubs van goud, van drijfwerk moet u ze maken vanuit de twee uiteinden van het verzoendeksel.
V’ase k’ruv echad miQatza miZe uK’ruv echad miQatza miZe min haKaporet ta’asu et haK’ruvim al sh’nei q’tzotav.
En maak één cherub uit dit einde en één cherub uit dat einde, vanuit het verzoendeksel moet u maken de cherubs op beide uiteinden.
V’hayu haK’ruvim por’sei k’nafim l’ma’la soch’chim b’chan’feihem al haKaporet uv’neihem ish el achiv el haKaporet yih’yu p’nei haK’ruvim.
En moeten de cherubs uitbreiden de vleugels omhoog overdekkende met de vleugels het verzoendeksel en hun gezichten van de ene man naar de ander (letterlijk: zijn broer), naar het verzoendeksel moeten gezichten van de cherubs.
De NBG-vertaling alsook de Statenvertaling komen dus meer met de grondtekst overeen dan de andere vertalingen. Een prachtige vertaling van Sh’mot [Exodus] 25:18-20 vinden wij ook in de Chumash van Jitschak Dasberg. Daar lezen wij: “En een tweetal gouden cherubijnen moet je maken, gedreven uit de beide uiteinden van het deksel moet je ze maken. Maak dus één cherubijn uit het uiteinde van deze zijde en één cherubijn uit het uiteinde van gene zijde, uit het deksel zelf moet je ze aan beide uiteinden maken. De cherubijnen moeten hun vleugels naar boven uitspreiden, met hun vleugels het deksel overdekkend, hun gezichten naar elkander toegewend; naar het deksel toe moeten de gezichten der cherubijnen gewend zijn.” Het feit dat de cherubs hun hoofden moesten buigen om hun gezichten ootmoedig neerwaarts naar de dekplaat gericht te houden ondersteunt volgens mij de overtuiging van velen, dat zij daarbij een knielende houding aannemen, want ook ik kan mij niet voorstellen dat G’ds dienstknechten in Zijn aanwezigheid rechtop staan. Zeker niet als wij daarbij in acht nemen dat er in Sh’mu’el alef [1 Samuël] 4:4 en in Tehilim [Psalmen] 99:1 geschreven staat, dat de Eeuwige op de cherubs troont.
Afsluitende instructies
In vers 21 van Exodus 25 gaf haShem aan Moshe de opdracht, de stenen tafels met de wetsvoorschriften in de verbondskist te leggen alvorens het deksel erop te leggen. Als afsluiting van de instructies voor de vervaardiging van de Ark gaf de Eeuwige aan Moshe nog de belofte, dat Hij vanaf die plaats, boven de verzoeningsplaat, tussen de twee cherubs op de Ark der Getuigenis, met hem zal spreken. Nadat de Eeuwige vervolgens ook nog instructies gaf voor het maken van de ontmoetingstent en een prachtig voorhangsel met een patroon van kunstig geweven cherubs dat de afscheiding moest vormen, ging Hij verder met de Ark: “Gij zult het voorhangsel onder de haken hangen en daarheen, binnen het voorhangsel, de Ark der Getuigenis brengen, zodat het voorhangsel voor u scheiding maakt tussen het Heilige en het Heilige der Heiligen. Gij zult het verzoendeksel op de Ark der Getuigenis leggen in het Heilige der Heiligen.” (Sh’mot [Exodus] 26:33-34). In de Parasha T’tzave voegde de Eeuwige daar nog aan toe: “Gij zult het (reukofferaltaar) zetten voor het voorhangsel, dat voor de Ark der Getuigenis is voor het verzoendeksel, dat boven de Getuigenis is, waar Ik met u zal samenkomen!” (Sh’mot [Exodus] 30:6). In vers 26 van het zelfde hoofdstuk moest bij de inwijding van de Mish’kan [tabernakel] ook de Ark der Getuigenis worden gezalfd met de heilige zalfolie. Al deze gedetailleerde opdrachten gaf de Eeuwige aan Moshe op de berg Sinaï, die zoals de naam reeds doet vermoeden, op het Sinaï-schiereiland staat en niet in Saoedi-Arabië, zoals door sommigen wordt beweerd. Maar daar ga ik een andere keer nog uitgebreid op in. In deze studie houden we het bij de Ark. Om de spijkers letterlijk op de kop te slaan deelde haShem in de Parasha Ki Tisa nauwkeurig aan Moshe mee, welke uitverkorenen het voorrecht mochten genieten, deze heilige voorwerpen te mogen vervaardigen: “De Eeuwige sprak tot Moshe: Zie, Ik heb bij name geroepen Betzal’el, de zoon van Uri, de zoon van Chur, uit de stam Yehuda [Juda], en hem vervuld met G’ds Geest, met wijsheid, inzicht en kennis, en dat voor allerlei werk, om ontwerpen te bedenken, om die uit te voeren in goud, zilver en koper; om stenen te bewerken, om die in te zetten; om hout te snijden en werkzaam te zijn in allerlei arbeid. En zie, ik heb naast hem gesteld Oholiav, de zoon van Achisamach, uit de stam Dan; in het hart van ieder die kunstvaardig is, heb Ik wijsheid gelegd. Zij zullen alles maken, wat Ik u geboden heb: De tent der samenkomst, de Ark voor de Getuigenis, het verzoendeksel dat daarop ligt, en al het gerei der tent…” (Sh’mot [Exodus] 31:1-7). Een hoofdstuk verder, in Sh’mot [Exodus] 32:1-35 volgt het bekende verhaal van het gouden kalf met de beschrijving van de afgoderij, die de Israëlieten daarmee bedreven nog voordat de Ark des Verbonds gebouwd was. Eerst moest het volk de straf voor deze geestelijke hoererij ondergaan en berouw tonen voor hun zonde voordat de vervaardiging van de Ark daadwerkelijk kon plaatsvinden. Hoe dat precies in zijn werk ging lezen wij in de Parasha Vayaq’hel zoals beschreven in hoofdstuk 37:
Het maken van de verbondskist en het verzoendeksel
“Betzal’el maakte de Ark van acaciahout, twee en een halve el lang, anderhalve el breed, en anderhalve el hoog. Hij overtrok die met louter goud, van binnen en van buiten, en hij maakte er een gouden omlijsting omheen. Hij goot er vier gouden ringen voor, aan de vier voetstukken en wel twee ringen aan de ene zijwand en twee ringen aan de andere zijwand. Hij maakte draagstokken van acaciahout en overtrok die met goud. En hij stak de draagstokken in de ringen aan de zijwanden van de Ark om de Ark te dragen. Hij maakte een verzoendeksel van louter goud, twee en een halve el lang en anderhalve el breed. Hij maakte twee cherubs van goud, van gedreven werk maakte hij ze, aan de beide einden van het verzoendeksel, één cherub aan het ene einde en één cherub aan het andere einde. Uit een stuk met het verzoendeksel maakte hij de cherubs op zijn beide einden. En de cherubs hielden twee vleugels uitgespreid naar boven, met hun vleugels het verzoendeksel bedekkende en hun aangezicht naar elkander gericht; naar het verzoendeksel waren de aangezichten der cherubs gericht.” (Sh’mot [Exodus] 37:1-9). Nadat in de Parasha P’qudei het werk aan de tabernakel, de tent der samenkomst met alles wat erbij hoort alsook het hele interieur voltooid was, brachten de Israëlieten alles naar Moshe, inclusief de Ark des Verbonds met de draagstokken en het verzoendeksel. Toen Moshe zag dat de Kinderen van Israël alles precies volgens de opdracht van de Eeuwige hadden gemaakt, zegende hij hen. “De Eeuwige sprak tot Moshe: Op de eerste dag van de eerste maand zult gij de tabernakel, de tent der samenkomst, oprichten. Gij zult daarin de Ark der Getuigenis plaatsen en gij zult de Ark door het voorhangsel aan het oog onttrekken. Gij zult de tafel brengen en schikken wat erop behoort; gij zult de kandelaar brengen en zijn lampen erop zetten. Gij zult het gouden altaar voor het reukwerk voor de Ark der Getuigenis zetten. Gij zult het gordijn voor de ingang van de tabernakel ophangen.” (Sh’mot [Exodus] 40:1-5). Moshe deed alles, wat de Eeuwige hem had opgedragen: “Hij nam de Getuigenis en legde die in de Ark, hij schoof de draagstokken aan de Ark en legde het verzoendeksel bovenop de Ark. Hij bracht de Ark naar de tabernakel, hing het voorhangsel ter bedekking op en onttrok de Ark der Getuigenis aan het oog, zoals de Eeuwige Moshe geboden had.” (Sh’mot [Exodus] 40: 20-21). In de rabbijnse traditie werden samen met de Ark ook de volgende voorwerpen in het Heilige der Heiligen verborgen: een kruikje met manna, een kruikje heilige zalfolie, de staf van Aharon [Aäron] die gebloeid had en het kistje met de gouden voorwerpen, dat de Filistijnen destijds aan de G’d van Israël als genoegdoening hadden gegeven (Talmud-tractaat Yoma 52b). De opdracht, het kruikje met manna te bewaren in het heiligdom vinden we in de Parasha B’shalach: “Moshe zei: De Eeuwige heeft het volgende bevolen: Er moet één volle omer bewaard blijven voor de generaties die na jullie komen, want zij moeten het brood kunnen zien dat Ik jullie in de woestijn te eten heb gegeven toen Ik jullie uit Egypte leidde. Daarom zei Moshe tegen Aharon: Doe een volle omer manna in een kruik en leg die op de plaats waar de Eeuwige wordt vereerd, om het manna daar voor de komende generaties te bewaren. Zoals de Eeuwige Moshe had opgedragen, legde Aharon de kruik neer voor de verbondstekst, om het manna daar te bewaren.” (Sh’mot [Exodus] 16:32-33, Tanach NBV). Over het bevel de bloeiende staf van Aharon op te bergen lezen we in de Parasha Qorach: “Toen zei de Eeuwige tot Moshe: Breng de staf van Aharon weer terug vóór de Ark met het Getuigenis om te bewaren als waarschuwingsteken voor weerspannigen en maak een eind aan hun gemopper zodat het Mij niet bezwaart, opdat zij niet sterven! En Moshe deed het; zoals de Eeuwige het hem geboden had, deed hij het ook.” (B’mid’bar [Numeri] 17:25-26 Chumash, NBG: 10-11). Over het kistje met de gouden voorwerpen van de Filistijnen lezen we weliswaar niets in de Thora, maar wel in Sh’mu’el alef [1 Samuël] 5:1-12, waar ik in een volgende deel van deze studiereeks nader op in zal gaan. Al deze voorwerpen waren volgens de Talmud en de Thora ter herdenking of ter waarschuwing vóór de Ark der Getuigenis geplaatst, maar in Iv’rim [Hebreeën] 9:4 wordt verteld, dat de kruik met manna en de staf van Aharon die gebloeid had, zich samen met de tafelen des Verbonds in de Ark bevonden. Dat lijkt op het eerste gezicht wel in tegenspraak met elkaar te zijn, omdat er in verband met de inwijding van de tempel in M’lachim alef [1 Koningen] 8:9 en Div’rei haYamim bet [2 Kronieken] 5:10 nadrukkelijk wordt opgemerkt, dat er niets in de Ark was dan alleen de twee stenen tafels die Moshe op de Chorev erin gelegd had. Misschien is de oplossing van dit probleem dat we het ‘waarin’ van Hebreeën 9:4 niet moeten laten terugslaan op de Ark zelf, maar op het Heilige der Heiligen. Dit zou in overeenstemming zijn met de al eerder genoemde plaatsen in het Oude Testament, die alleen zeggen dat deze voorwerpen vóór de Getuigenis ter bewaring moesten worden gelegd.
Verzoening door bloed
Het voornaamste doel van het verzoendeksel is niet om als deksel gebruikt te worden, maar om verzoening tot stand te brengen. Dat blijkt al uit de Hebreeuwse naam Kaporet en komt vooral in de Parasha Acharei Mot bijzonder scherp naar voren: “De Eeuwige nu zeide tot Moshe: Spreek tot uw broeder Aharon, dat hij niet te allen tijde kome in het heiligdom binnen het voorhangsel voor het verzoendeksel dat op de Ark ligt, opdat hij niet sterve; want in de wolk verschijn Ik boven het verzoendeksel. Slechts op deze wijze zal Aharon het heiligdom binnengaan: met een jonge stier ten zondoffer en een ram ten brandoffer. Het heilige linnen onderkleed zal hij aantrekken en een linnen broek zal over zijn vlees zijn en met een linnen gordel zal hij zich omgorden en een linnen tulband zal hij zich ombinden; dit zijn heilige klederen, die hij zal aantrekken, nadat hij zijn lichaam in water gebaad heeft.” (Vayiq’ra [Leviticus] 16:2-4) en verder: “Dan zal hij het reukwerk op het vuur leggen voor het aangezicht van de Eeuwige, zodat de wolk van het reukwerk het verzoendeksel dat op de Getuigenis ligt, bedekt, opdat hij niet sterve. Dan zal hij een deel van het bloed van de stier nemen en dat met zijn vinger sprenkelen op het verzoendeksel, aan de voorzijde; en voor het verzoendeksel zal hij zevenmaal dat bloed met zijn vinger sprenkelen. Dan zal hij de bok van het zondoffer, voor het volk bestemd, slachten en zijn bloed naar binnen, achter het voorhangsel brengen, en met dat bloed doen, zoals hij met het bloed van de stier gedaan heeft: hij zal het op het verzoendeksel en voor het verzoendeksel sprenkelen. Zo zal hij verzoening doen over het heiligdom om de onreinheden der Israëlieten en om hun overtredingen in al hun zonden; aldus zal hij doen met de tent der samenkomst, die bij hen verblijf houdt te midden van hun onreinheden.” (Vayiq’ra [Leviticus] 16:13-16). Deze tekst is uitermate belangrijk! De Hebreeuwse naam van de verzoeningsplaat is Kaporet. De wortel van Kaporet is Kapar, dat evenals Kipur, met ‘verzoening’ kan worden vertaald. Het werkwoord ‘verzoenen’ is Kiper. Interessant detail is misschien hierbij, dat ook het Hebreeuwse woord voor ‘losgeld’, Kofer, zonder klinkertekens precies op dezelfde manier geschreven wordt, want de ‘f’ en de ‘p’ is namelijk dezelfde letter p. Maar ook het Hebreeuwse woord voor ‘ontkennen’ en ‘verloochenen’, Kafar, heeft dezelfde wortel en wordt op dezelfde wijze geschreven. Door het bloed van het zoenoffer, Kapara, als losprijs, Kofer, op het verzoendeksel, Kaporet, te sprenkelen konden de Israëlieten zich met de Eeuwige verzoenen, Kiper, waardoor er een verzoening Kipur, plaatsvond die het mogelijk maakte, de zonde te ontkennen, Kafar. Het bloed van het zondoffer werd achter het voorhangsel in het Heilige der Heiligen gebracht en éénmaal op en zevenmaal vóór de Ark des Verbonds gesprenkeld. Dat gebeurde op Yom Kipur, en daarom kan het ook geen toeval zijn, dat het voorhangsel van de Thoraschrijn in de synagoge, die overigens ook Aron haQodesh [heilige Ark] wordt genoemd, dezelfde naam draagt als het verzoendeksel: Kaporet, terwijl de Hebreeuwse naam voor het voorhangsel in de tabernakel en in de tempel Parochet luidde. Het woord voor ‘zoenoffer’, Kapara, dat niet minder dan acht en veertig keer voorkomt alleen al in het boek Leviticus, draagt tevens de betekenis van bedekking en bescherming in zich, zoals ook het woord Kiper zowel ‘verzoenen’ alsook ‘bedekken’ betekent. Hiervan is trouwens ook het woord Kipa afgeleid, dat is de hoofdbedekking van de mannen. De link tussen verzoening en bedekking vinden wij overigens ook terug in het bekende gezegde: “Zand erover!” als men zich met elkaar verzoend heeft. Het bloed van de bok, dat de verzoening voor het volk Israël bracht, bedekte de Ark en het bloed van Yeshua bedekt al onze zonden en heeft voor ons de weg vrij gemaakt om het hemelse heiligdom binnen te mogen gaan! Zo mogen wij straks omhuld door de volmaaktheid van Yeshua haMashiach in de tegenwoordigheid van G’d verschijnen, zoals een wolk van liefelijk reukwerk de Ark des Verbonds omhulde en bedekte. Het bloed werd dus op en vóór het verzoendeksel gesprenkeld om verzoening te doen voor de zonden van het volk. De Ark der Getuigenis, die samen met de verzoeningsplaat de grondslag van G’ds troon vormde, diende immers als bewaarplaats voor de Thora. Geen enkel mens kan echter uit zichzelf de Thora volledig houden, want in Ya’aqov [Jacobus] 2:10 staat geschreven: “Wie de gehele Thora houdt, maar op een punt struikelt, is schuldig geworden aan alle geboden!” en daarmee zou de Thora, die de Eeuwige eigenlijk als leidraad voor ons leven gegeven heeft, daardoor voor iedereen het doodsvonnis moeten zijn. Als zondaars konden de Israëlieten dus niet verschijnen in de tegenwoordigheid van de heilige G’d en omdat het volk niet kon voldoen aan Zijn rechtvaardige eisen, was er een tegemoetkoming nodig waarmee haShem hen Zijn barmhartigheid kon betonen. Daarom heeft de Eeuwige in Zijn genade een voorziening getroffen om het zondige volk met Zich te verzoenen: door een offer met bloed te brengen. “Want de ziel van het vlees is in het bloed en Ik heb het u op het altaar gegeven om verzoening over uw zielen te doen, want het bloed bewerkt verzoening door middel van de ziel.” ( Vayiq’ra [Leviticus] 17:11). De ziel in het bloed van het dier wordt dus geofferd om de ziel van de zondige mens daarmee vrij te spreken. Het offerdier is derhalve gestorven in plaats van de zondaar. Het bloed van de zondebok werd daarom volgens het voorschrift binnengebracht en dan door de hogepriester op en ook voor het verzoendeksel op de grond gesprenkeld op de wijze zoals beschreven is. Eerst sprenkelde hij het bloed op de verzoeningsplaat, en daarna zevenmaal vóór het verzoendeksel om verzoening te doen voor de zonden van het volk. Dat was zeer zeker nodig, want als de Eeuwige in de onbedekte Ark des Verbonds gekeken zou hebben, dan zou Zijn blik gericht zijn op de daarin liggende Thora, die de dood van de wetsovertreders eiste. Maar doordat de Ark bedekt was met de verzoeningsplaat die de Thora aan het oog onttrok en Hij daarop nu het bloed zag, dat gestort was als verzoening van de zonden werd G’ds heilige toorn over de zonde daarmee weggenomen. Dit vormde de basis waarop de volmaakte G’d iedere keer weer genade kon bewijzen aan Zijn onvolmaakte volk. Bloedstorting was dus de enige manier waarop Israël aan de straf voor zijn zonden kon ontkomen. Toch hoe zit dat nu in onze tijd? De Ark is verdwenen en ook het verzoendeksel is spoorloos. Is er dan tegenwoordig geen bloed meer nodig om onze verzoening met de Eeuwige te kunnen bewerkstelligen? Jazeker! Daarin is niets veranderd! Berouw alleen is niet voldoende om van onze zonden af te komen. Daar is meer voor nodig! Bloed! Niet ons eigen bloed en ook niet het bloed van offerdieren, want “door die offeranden werden de zonden slechts in gedachtenis gebracht, maar het is onmogelijk, dat het bloed van stieren of bokken zonden zou wegnemen!” (Iv’rim [Hebreeën] 10:3-4). “Daarom zijn wij krachtens Zijn wil eens voor altijd geheiligd door het offer van het lichaam van Yeshua haMashiach. Want door één offerande heeft Hij voor altijd hen volmaakt, die geheiligd worden!” (Iv’rim [Hebreeën] 10:10 en 14). “Maar de Mashiach, opgetreden als hogepriester der goederen, die gekomen zijn, is door de grotere en meer volmaakte tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van deze schepping, en dat niet met het bloed van bokken en kalveren, maar met Zijn eigen bloed eens voor altijd binnengegaan in het heiligdom, waardoor Hij een eeuwige verlossing verwierf.” ( [Hebreeën] 9:11-12). Zo wezen de dierenoffers op Yom Kipur en het sprenkelen van het bloed op het verzoendeksel en vóór de Ark des Verbonds door de hogepriester destijds al vooruit naar het toekomstige verlossingswerk van Yeshua.
Het vervoer van de Ark
Aan beide zijden van de Ark waren gouden ringen aan de vier voetstukken bevestigd, waardoor twee van acaciahout vervaardigde en met goud overtrokken draagstokken gestoken waren. Deze draagstokken mochten nooit verwijderd worden en vertegenwoordigden de voortdurende bereidheid van de Israëlieten om letterlijk de schouders onder de Thora te zetten. Omdat de ringen voor de draagstokken helemaal aan de onderkant van de Ark, bevestigd waren, aan de voetstukken, stak de verbondskist ver boven de hoofden van de dragers uit. Dat de Ark op menselijke schouders gedragen werd, wekt wel de indruk dat de dragers onder een juk gebukt liepen, maar Yeshua, de levende Thora, heeft gezegd: “Neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht!” (Matityahu [Matthéüs] 11:29-30). Toen de Ark des Verbonds gebouwd werd, was het volk Israël in de woestijn op doortocht naar het Beloofde Land. Daarom moest de Ark evenals de Mish’kan [tabernakel] zelf verplaatsbaar zijn en daartoe dienden uiteraard de draagstokken aan weerszijden van de Ark. In de rbdmb Parasha B’mid’bar lezen wij, wie de Eeuwige voor deze taak heeft aangesteld: “De geslachten der Kehatieten legerden zich langs de tabernakel aan de zuidzijde. En het familiehoofd van de geslachten der Kehatieten was Elitzafan, de zoon van Uzi’el. Zij hadden de zorg voor de Ark, de tafel, de kandelaar, de altaren, het heilige gerei, waarmede men de dienst verrichtte, het voorhangsel en alles wat daaraan te doen was.” (B’mid’bar [Numeri] 3:29-31) en: “Dit zal de dienst der Kehatieten in de tent der samenkomst zijn: de zorg voor de allerheiligste dingen. Bij het opbreken van de legerplaats zullen Aharon en zijn zonen naar binnen gaan en het bedekkend voorhangsel afnemen, en daarmee de Ark der Getuigenis bedekken; Daarover zullen zij een bedekking van tachasvel leggen, en daarover een kleed, geheel van blauwpurper, spreiden en de draagstokken aanbrengen.” (B’mid’bar [Numeri] 4:4-6). De Ark moest eerst door de priesters bedekt worden, vóórdat de Kehatieten (de naaste verwanten van de priesters) hun schouders onder de draagstokken konden zetten. De Kehatieten moesten de heilige voorwerpen allemaal op hun schouders dragen en lopend vervoeren terwijl de overige Levietenfamilies voor het transport van de tentkleden, pilaren, planken enz. gebruik mochten maken van wagens. De Ark moest met bijzonder veel eerbetoon helemaal voorop worden gedragen, dit in verband met de heiligheid van de verbondskist en het verzoendeksel, die bij elkaar als troon van de Allerhoogste moesten worden beschouwd.
Ontmoetingsplaats
De Ark des Verbonds fungeerde als troon van de Eeuwige en was daarom het belangrijkste en heiligste voorwerp zowel in de tabernakel alsook in de tempel. Dat blijkt ook uit de plaats waar de Ark zich bevond: in het Allerheiligste - Qodesh haQodashim! Dat was de plaats waar de hemel en de aarde samenkwamen. Dat was de plaats waarvan de Eeuwige tegen Moshe in Sh’mot [Exodus] 25:22 gezegd heeft: “Ik zal daar met u samenkomen en van het verzoendeksel af, tussen de beide cherubs op de Ark der Getuigenis, over alles met u spreken wat Ik u voor de Israëlieten gebieden zal.” In de Parasha Naso lezen wij hierover het volgende: “Wanneer nu Moshe de tent der samenkomst binnenging om met Hem te spreken, dan hoorde hij een stem, die tot hem sprak van boven het verzoendeksel, dat op de Ark der Getuigenis was, van tussen de beide cherubs, en Hij sprak tot hem.” (B’mid’bar [Numeri] 7:89). Het belang van de plaats waar de Ark zich bevond kan volgens de rabbijnse traditie als volgt begrepen worden: “Het land Israël is het centrum van de wereld, Jeruzalem ligt in het centrum van het land Israël, de Tempel staat in het centrum van Jeruzalem, het Heilige der Heiligen is in het centrum van de Tempel, de Ark is in het centrum van het Heilige der Heiligen en vóór de Ark lag een steen die de steen van het fundament van de wereld werd genoemd.” (Midrash Tanchuma).
De Ark in de woestijn
Over de centrale plaats die de Ark des Verbonds ingenomen had op hun tocht door de woestijn vertelt de Parasha B’ha’alot’cha het volgende: “Toen braken zij op van de berg van de Eeuwige en trokken drie dagreizen ver, terwijl de Ark van het Verbond met de Eeuwige voor hen uit optrok, drie dagreizen ver, om voor hen een rustplaats te zoeken. En de wolk van de Eeuwige was overdag boven hen, wanneer zij uit de legerplaats opbraken. Wanneer nu de Ark opbrak, zeide Moshe: Sta op, Eeuwige, opdat Uw vijanden verstrooid worden en Uw haters van Uw aangezicht wegvluchten. En wanneer zij bleef rusten, zeide hij: Keer weder, Eeuwige, tot de tienduizenden der duizenden Israëls.” (B’mid’bar [Numeri] 10:33-36).
Twee Arken?
In de Parasha Eqev staat een tekst, die nogal voor wat verwarring heeft gezorgd zodat mensen zich gingen afvragen of er wel sprake was van twee verschillende Arken: “Toen zeide de Eeuwige tot mij: Houw u twee stenen tafelen gelijk de eerste, klim tot Mij op de berg, en maak u een houten Ark; dan zal Ik op de tafelen de woorden schrijven, die stonden op de eerste tafelen, welke gij verbrijzeld hebt, en gij zult ze in de Ark leggen. En ik maakte een Ark van acaciahout en hieuw twee stenen tafelen gelijk de eerste; toen beklom ik de berg met de twee tafelen in mijn hand. En Hij schreef op de tafelen met hetzelfde schrift als de eerste maal, de Tien Woorden, die de Eeuwige op de berg tot u gesproken had uit het midden van het vuur op de dag der samenkomst; en de Eeuwige gaf ze mij. Toen keerde ik mij om en daalde de berg af, en ik legde de tafelen in de Ark, die ik gemaakt had; en zij bleven daar, zoals de Eeuwige mij geboden had.” (D’varim [Deuteronomium] 10:1-5) en dan in vers 8: “Toen zonderde de Eeuwige de stam der Levieten af om de Ark van het Verbond met de Eeuwige te dragen, voor de Eeuwige te staan om Hem te dienen, en in Zijn naam te zegenen tot op deze dag.” Deze beide teksten roepen vragen op! Is hier sprake van twee Arken? Is de Ark in vers 8 een andere dan in de verzen 1 t/m 5? Sommigen denken van wel. Zij zijn van mening dat Moshe een provisorische ark gemaakt heeft als vervoermiddel om de twee stenen tafels naar beneden te brengen en vervolgens werden overgeheveld in de Ark die Betzal’el gemaakt heeft. Een ander verhaal over twee Arken vinden wij in de Talmud Yerushalmi, Sheqalim 6:1. Volgens Rav Yehuda, de zoon van R. Ilai waren er twee Arken: één waarin de stenen tafels en de Thora-rol lagen die Moshe Rabeinu geschreven zou hebben, en die Ark mocht nooit het Heiligdom verlaten; en een tweede Ark waarin de stenen tafels lagen die Moshe gebroken had toen het volk gezondigd had met het gouden kalf en het was deze Ark die altijd mee ging als Israël in de woestijn ten oorlog trok. Echter de andere Rabbijnen menen dat er slechts één Ark was, waarin zowel de gebroken als de complete Tabletten lagen, en dat het deze Ark was die zij meenamen. Volgens Rashi waren er zelfs drie arken, de één in de ander op de wijze van de bekende Russische poppen. Deze reflecteren volgens hem het feit, dat er drie namen Elohim zijn in Ze’ir An’pin van Atzilut, corresponderend met Zijn Bina, G’vura en Mal’chut. Betzal’el maakte dus volgens Rashi drie arken corresponderend met deze drie namen. De drie arken, die samen de Ark van het Verbond vormen waren volgens hem bedoeld om deze drie namen van Elohim een tegenwicht te geven. Weet u, Rashi mag dan wel een wijze Joodse Schriftgeleerde geweest zijn en veel van zijn geschriften zijn inderdaad zeer waardevol, maar deze uitleg vind ik toch wel vergezocht! Persoonlijk geloof ik met heel mijn hart, dat er slechts één Ark was, geen twee en zeker geen drie! Ik ben ervan overtuigd, dat Moshe zelf op de berg Chorev [Horeb] van acaciahout een ruwe versie van de Ark heeft gemaakt en vervolgens de stenen tafels erin had gelegd zoals de Eeuwige het hem heeft opgedragen. Betzal’el heeft dus volgens mij de Ark niet zelf gemaakt, maar slechts met goud bekleed en verder afgewerkt. Ik zeg dat niet zomaar, want ik heb voor deze stelling namelijk een schriftuurlijke bevestiging gevonden. In verband met de inwijding van de tempel wordt in M’lachim alef [1 Koningen] 8:9 Div’rei haYamim bet [2 Kronieken] 5:10 nadrukkelijk opgemerkt, dat er niets in de Ark was dan alleen de twee stenen tafels die Moshe op de Chorev erin gelegd had. Volgens mij geeft dit duidelijk aan, dat het daadwerkelijk om dezelfde Ark gaat, die Moshe van acaciahout gemaakt heeft en die naderhand door Betzal’el bekleed werd met goud.
Getuige
Ik wil het eerste deel van deze studiereeks over de Ark met twee teksten uit de Parasha Vayelech afsluiten: “Toen Moshe deze Wet opgeschreven had, gaf hij ze aan de priesters, de zonen van Levi, die de Ark van het Verbond met de Eeuwige droegen, en aan al de oudsten van Israël.” - “Toen Moshe gereed was met de woorden dezer Wet volledig in een boek op te schrijven, gebood hij de Levieten, die de Ark van het Verbond met de Eeuwige droegen: Neemt dit wetboek en legt het naast de Ark des Verbonds met de Eeuwige, uw G’d opdat het daar tot getuige tegen u zij.” (D’varim [Deuteronomium] 31:9 en 25-26). In 32:46-47 voegde hij hier echter nog aan toe: “Neemt al de woorden ter harte, waarmee ik u heden vermaan, opdat gij daarmee uw kinderen zult opdragen al de woorden dezer wet nauwgezet te onderhouden. Want dit is voor u geen ledig woord, maar dit is uw leven: door dit woord zult gij lang wonen in het land, dat gij na het overtrekken van de Jordaan in bezit zult nemen!” Amen!
Werner Stauder
Tags: Ark, Bijbel, Bijbelstudie, Studie, Tabernakel, Werner Stauder
Categories: None
The words you entered did not match the given text. Please try again.
Oops!
Oops, you forgot something.