|
|

Bijbelstudie over
DE ARK DES VERBONDS - ARON HAB’RIT
Deel 4: De Ark op weg naar Jeruzalem
Door de eeuwen heen heeft de Ark der Getuigenis als geen ander voorwerp uit de Bijbel tot de verbeelding gesproken van gelovigen en sinds Steven Spielberg’s “Indiana Jones” films ook wel wereldse mensen. Talloze bijbelwetenschappers, historici en archeologen raakten gefascineerd door het feit, dat deze heilige gouden schrijn, die in Iv’rim [Hebreeën] 4:16 “troon der genade” genoemd wordt, ruim 2500 jaar geleden van het toneel verdwenen en sindsdien nooit meer boven water gekomen is. Sinds de verwoesting van de tempel van Sh’lomo [Salomo] was de Ark spoorloos toch de speculaties en gissingen over haar verblijfplaats houden maar niet op. De meest vreemde en fantastische theorieën doen al sinds mensen heugen de ronde over de verblijfplaats van de Ark des Verbonds. Hoe dan ook, op de ene of andere manier hangt er een mysterieuze sluier over de hele geschiedenis van de heilige Ark, waardoor er door de eeuwen heen allerlei vreemde legendes hieromtrent zijn ontstaan. Al deze legendes, theorieën alsook spectaculaire beweringen zullen wij één voor één in deze studiereeks nader onder de loep nemen, maar vooral gaan kijken wat de Bijbel over deze gouden verbondskist te zeggen heeft, die volgens de beschrijvingen van een oogverblindende schoonheid moet zijn geweest. In het eerste deel van deze studiereeks behandelden wij de vragen hoe de Ark er uit zag, hoe groot zij is geweest en tot welk doel zij is gebouwd en door wie. In het tweede deel hebben wij aandacht besteed aan de wonderen en tekenen die met de Ark in verband gebracht kunnen worden bij de intocht in het Beloofde Land en bij de verovering van de stad Yericho. Daarbij werd de Ark der Getuigenis door haShem gebruikt als een kanaal waardoor Hij ongekende krachten kon laten zien aan Zijn volk, maar ook aan de vijanden van Zijn volk. Vooral dat laatste was het geval in deel 3, waarin de Ark zich in de handen van de Filistijnen bevond. De gouden Verbondskist, die in Tehilim [Psalmen] 132:8 door David ‘de Ark van G’ds sterkte’ wordt genoemd, had dus buitengewone krachten, en deze krachten alsook de vele wonderen rondom de Ark zullen wij ook hier in deel 4 van deze studiereeks nader onder de loep nemen. In Sh’mu’el alef [1 Samuël] 7:1-2 lazen wij, dat de Ark des Verbonds vanuit Beit Shemesh werd overgebracht naar Qir’yat Ye’arim en daar vele jaren verbleef tot de dagen van David. Wat er toen verder gebeurde met de gouden Verbondskist, gaan wij nu lezen:
Op weg naar Jeruzalem
“Wederom vergaderde David alle jongemannen in Israël, dertigduizend; en trok op en toog met al het volk dat bij hem was, uit Ba’ale Yehuda, om vandaar de Ark G’ds mee te voeren, waarover de naam is uitgeroepen: de naam van de Eeuwige Tz’va’ot, die op de cherubs troont. Zij vervoerden de Ark G’ds op een nieuwe wagen; zij haalden haar uit het huis van Avinadav op de heuvel, en Uza en Ach’yo, de zonen van Avinadav, leidden de
wagen met de Ark G’ds; Ach’yo liep voor de Ark uit. David en het gehele huis van Israël dansten voor het aangezicht van de Eeuwige, onder begeleiding van allerlei instrumenten van cypressehout, citers, harpen, tamboerijnen, rinkelbellen en cimbalen. Maar toen zij bij de dorsvloer van Nachon kwamen, strekte Uza zijn hand uit naar de Ark G’ds en greep haar, omdat de runderen uitgleden. En de toorn van de Eeuwige ontbrandde tegen Uza en G’d sloeg hem daar om deze onbedachtzaamheid; hij stierf daar bij de Ark G’ds. David was diep getroffen, omdat de Eeuwige zulk een zware slag aan Uza had toegebracht; daarom noemt men die plaats Peretz Uza tot op de huidige dag. Te dien dage werd David bevreesd voor de Eeuwige en hij zeide: Hoe zou de Ark van de Eeuwige tot mij komen? Daarom wilde David de Ark van de Eeuwige niet bij zich nemen in de stad Davids, maar liet haar onderbrengen in het huis van de Gatiet Oved Edom. En de Ark van de Eeuwige bleef drie maanden in het huis van de Gatiet Oved Edom, en de Eeuwige zegende Oved Edom en zijn gehele huis. Aan koning David werd meegedeeld: De Eeuwige heeft het huis van Oved Edom en al wat hij bezit, gezegend, ter wille van de Ark G’ds. Toen ging David heen en haalde de Ark G’ds onder gejuich uit het huis van Oved Edom naar de stad Davids. Nadat de dragers van de Ark van de Eeuwige zes schreden voortgegaan waren, offerde hij een rund en een gemest kalf. En David danste uit alle macht voor het aangezicht van de Eeuwige; David nu was omgord met een linnen lijfrok. David en het gehele huis Israëls haalden de Ark van de Eeuwige, onder gejubel en hoorngeschal. Toen de Ark van de Eeuwige de stad Davids binnenkwam, keek Michal, de dochter van Sha’ul, door het venster en zag koning David huppelen en dansen voor het aangezicht van de Eeuwige; en zij verachtte hem in haar hart. Nadat zij de Ark van de Eeuwige binnengebracht hadden, zetten zij haar neer op haar plaats, in de tent die David voor haar gespannen had, en David bracht brandoffers en vredeoffers voor het aangezicht van de Eeuwige. Toen David gereed was met het brengen van de brandoffers en de vredeoffers, zegende hij het volk in de naam van de Eeuwige Tz’vaot. Hij deelde uit aan het gehele volk, aan de gehele menigte van Israel, zowel mannen als vrouwen, ieder een broodkoek, een stuk vlees, en een druivenkoek. Daarop ging al het volk heen, ieder naar zijn huis. Toen David terugkeerde om zijn gezin te begroeten, ging Michal, de dochter van Sha’ul, David tegemoet, en zeide: Wat een eer heeft de koning van Israël zich thans verworven, dat hij zich heden ontbloot heeft ten aanschouwen van de slavinnen zijner dienaren, zoals een lichtzinnig man zich schaamteloos ontbloot! Maar David zeide tot Michal: Voor het aangezicht van de Eeuwige, die mij verkoren heeft boven uw vader en boven heel zijn huis om mij aan te stellen tot vorst over het volk van de Eeuwige, over Israël, voor het aangezicht van de Eeuwige heb ik gedanst. Ja, ik zal mij nog geringer gedragen dan ik deed; ik zal onaanzienlijk zijn in eigen ogen, en bij de slavinnen van wie gij spreekt, bij haar wil ik eer verwerven. Michal nu, de dochter van Sha’ul, bleef kinderloos tot de dag van haar dood toe.” (b lavm> Sh’mu’el bet [2 Samuël] 6:1-23). Deze ingrijpende gebeurtenissen worden hier vrij beknopt weergegeven. Een zeer gedetaileerd verslag vinden wij echter in de hoofdstukken 13, 15 en 16 van de Kronieken, die wij aandachtig zullen doornemen: “Nadat David met de oversten over duizend en over honderd, met alle aanzienlijken, had beraadslaagd, zeide hij tot de gehele gemeente van Israël: Indien het u goeddunkt en het naar de wil van de Eeuwige, onze G’d, is, laten wij dan naar alle kanten boden uitzenden tot onze overige broeders in alle landstreken van Israël, en ook tot de priesters en de Levieten in de steden, waarbij hun weidegronden liggen, dat zij tot ons samenkomen; en laten wij de Ark van onze G’d naar ons overbrengen, want wij hebben in de dagen van Sha’ul ons om haar niet bekommerd. En de gehele gemeente zeide, dat men zo doen zou, want de zaak was recht in de ogen van het gehele volk. Toen riep David geheel Israël samen van de Shichor in Egypte af tot aan de weg naar Chamat, om de Ark G’ds uit Qir’yat Ye’arim te halen. En David trok met geheel Israël naar Ba’ala, naar Qir’yat Ye’arim, dat tot Juda behoort, om vandaar te halen de Ark van G’d, de Eeuwige, die op de cherubs troont, de Ark, waarover de Naam is uitgeroepen. Zij vervoerden de Ark G’ds op een nieuwe wagen, uit het huis van Avinadav, terwijl Uza en Ach’yo de wagen leidden. En David en geheel Israël dansten uit alle macht voor G’ds aangezicht, begeleid door zang en door muziek van citers, harpen, tamboerijnen, cimbalen en trompetten. Maar toen zij bij de dorsvloer van Kidon kwamen, strekte Uza zijn hand uit om de Ark te grijpen, daar de runderen uitgleden. De toorn van de Eeuwige ontbrandde tegen Uza; Hij sloeg hem, omdat hij zijn hand naar de Ark had uitgestrekt; hij stierf daar voor G’ds aangezicht. David was diep getroffen, omdat de Eeuwige zulk een zware slag aan Uza had toegebracht; daarom noemt men die plaats Peretz Uza, tot op de huidige dag. Te dien dage werd David bevreesd voor G’d, en hij zeide: Hoe zou ik de Ark G’ds tot mij brengen? Daarom nam David de Ark niet bij zich in de stad Davids, maar bracht haar onder in het huis van de Gatiet Oved Edom. En de Ark G’ds bleef drie maanden bij het gezin van Oved Edom, in zijn huis; en de Eeuwige zegende het huis van Oved Edom en al wat hij bezat.” (Div’rei haYamim alef [1 Kronieken] 13:1-14). In hoofdstuk 14 versloeg David de Filistijnen in opdracht en met de zegen van de Eeuwige en in hoofdstuk 15 ging hij weer verder met de Ark: “Hij bouwde zich huizen in de stad Davids, bereidde een plaats voor de Ark G’ds en spande voor haar een tent. Toen zeide David: Niemand mag de Ark G’ds dragen dan alleen de Levieten, want hen heeft de Eeuwige uitverkoren om de Ark van de Eeuwige te dragen en Hem voor altijd te dienen. En David riep geheel Israël samen te Jeruzalem om de Ark van de Eeuwige te brengen naar de plaats die hij voor haar had bereid. David nu vergaderde de zonen van Aharon en de Levieten; van de zonen van Kehat: de overste Uri’el en zijn broeders, honderd twintig; van de zonen van Merari: de overste Asaya en zijn broeders, tweehonderd twintig; van de zonen van Gershom: de overste Yo’el en zijn broeders, honderd dertig; van de zonen van Elitzafan: de overste Shemaya en zijn broeders, tweehonderd; van de zonen van Chev’ron: de overste Eli’el en zijn broeders, tachtig; van de zonen van Uzi’el: de overste Aminadav en zijn broeders, honderd twaalf. Toen riep David de priesters Tzadoq en Ev’yatar, en de Levieten Uri’el, Asaya, Yo’el, Shemaya, Eli’el en Aminadav, en zeide tot hen: Gij familiehoofden der Levieten, heiligt u, gij en uw broeders, opdat gij de Ark van de Eeuwige, de G’d Israëls, kunt brengen naar de plaats die ik voor haar heb bereid. Want daar gij het de vorige keer niet gedaan hebt, heeft de Eeuwige, onze G’d, ons een zware slag toegebracht, omdat wij Hem niet hadden geraadpleegd, zoals het behoorde. Daarom heiligden zich de priesters en de Levieten om de Ark van de Eeuwige, de G’d van Israël, over te brengen. De Levieten nu droegen de Ark G’ds, met draagbomen op hun schouders, gelijk Moshe naar het woord van de Eeuwige geboden had. Ook beval David aan de oversten der Levieten hun broeders, de zangers, op te stellen met muziekinstrumenten, harpen, citers en cimbalen, om luide vreugdeklanken te laten horen. De Levieten stelden op: Heman, de zoon van Yo’el; en van zijn broeders: Asaf de zoon van Berech’yahu; en van de zonen van Merari, hun broeders: Etan, de zoon van Qushayahu; en met hen hun broeders van de tweede orde: Z’char’yahu, Ben, Ya’azi’el, Shemiramot, Yechi’el, Uni, Eliav, B’nayahu, Ma’aseyahu, Matit’yahu, Elifelehu, Miq’neyahu, Oved Edom en Ye’i’el, de poortwachters. De zangers Heman, Asaf en Etan met koperen cimbalen om muziek te maken; Z’char’ya, Azi’el, Shemiramot, Yechi’el, Uni, Eliav, Ma’aseyahu en B’nayahu met harpen, hoog afgestemd; en Matit’yahu, Elifelehu, Miq’neyahu, Oved Edom, Ye’i’el en Azaz’yahu met citers, acht tonen lager, ter begeleiding. K’nan’yahu, de overste der Levieten, ging over het vervoer; hij regelde het vervoer, omdat hij een man van inzicht was. Berech’ya en El’qana waren poortwachters bij de Ark; de priesters Sh’van’yahu, Yoshafat, N’tan’el, Amasai, Z’char’yahu, B’nayahu en Eli’ezer bliezen op de trompetten voor de Ark G’ds; en Oved Edom en Yechi’ya waren poortwachters bij de Ark. Toen gingen David, de oudsten van Israël en de oversten over duizend heen om met vreugdebetoon de Ark van het verbond des Eeuwigen over te brengen uit het huis van Oved Edom. En nu G’d de Levieten hielp, die de Ark van het Verbond met de Eeuwige droegen, offerden zij zeven stieren en zeven rammen. David was gekleed in een mantel van fijn linnen, evenals al de Levieten die de Ark droegen, de zangers, en K’nan’ya, die over het vervoer en de zangers de leiding had; en David droeg een linnen lijfrok. Geheel Israël haalde de Ark van het Verbond met de Eeuwige onder gejubel en hoorngeschal, met trompetten en cimbalen, spelend op harpen en citers. Toen de Ark van het Verbond met de Eeuwige bij de stad Davids kwam, keek Michal, de dochter van Sha’ul, uit het venster en zag koning David huppelen en dansen, en zij verachtte hem in haar hart.” (Div’rei haYamim alef [1 Kronieken] 15:1-29). “Nadat zij de Ark G’ds binnengebracht hadden, zetten zij haar neer midden in de tent die David voor haar gespannen had, en zij brachten brandoffers en vredeoffers voor G’ds aangezicht. Toen David gereed was met het brengen van de brandoffers en de vredeoffers, zegende hij het volk in de naam van de Eeuwige en deelde uit aan alle Israëlieten, mannen zowel als vrouwen, ieder een brood, een stuk vlees en een druivenkoek. En hij stelde voor de Ark van de Eeuwige dienaren aan uit de Levieten: om de Eeuwige, de G’d van Israël, te roemen, te loven en te prijzen. Asaf was het hoofd; op hem volgde Zechar’ya; voorts Ye’i’el, Shemiramot, Yechi’el, Matit’ya, Eliav, B’nayahu, Oved Edom en Ye’i’el met muziekinstrumenten: harpen en citers: terwijl Asaf op cimbalen, en de priesters B’nayahu en Yachazi’el op trompetten, voortdurend speelden voor de Ark van het verbond G’ds.” (Div’rei haYamim alef [1 Kronieken] 16:1-6).
Het drama bij de dorsvloer
Meer dan een mensenleven lang stond de Ark des Verbonds op een veilige en afgezonderde plek in een particulier huis dat Avinadav toebehoorde op de heuvel van Qir’yat Ye’arim, een plaatsje ongeveer tien kilometer ten westen van Jeruzalem. Bijna zeventig jaar is de gouden Verbondskist daar gebleven, te beginnen met de twintig jaar die in Sh’mu’el alef [1 Samuël] 7:2 genoemd zijn. Daarna nog veertig jaar in de tijd gedurende het koningschap van Sha’ul [Saul] en tenslotte nog minimaal de zeven jaar waarin David vanuit Chev’ron [Hebron] regeerde. In al die jaren bracht de Ark geen heil voor de Israëlieten, maar ook geen onheil. Dit in tegenstelling tot de korte tijd van haar aanwezigheid in Beit Shemesh zoals we in de vorige studie hadden gelezen. We mogen hierbij echter niet vergeten, dat het te wijten was aan het profaan gedrag van uitgerekend de Levieten die daar woonden, dat de Ark in Qir’yat Ye’arim was terechtgekomen en daar bijna in vergetelheid geraakt was. In feite was zij in die tientallen jaren waarin zij in het huis op de heuvel ergens achteraf stond niet meer dan een antiquiteit, een soort museumstuk geworden, dat herinnerde aan de tijd van de woestijntocht. Sha’ul haMelech [koning Saul] had er nooit naar omgekeken, maar ook Sh’mu’el haNavi [de profeet Samuël] had blijkbaar geen enkele poging gedaan de Ark op te laten halen om haar opnieuw te plaatsen in het middelpunt van het g’dsdienstige leven van Israël. Het zou best nog wel eens kunnen dat de Eeuwige hem misschien liet weten dat de tijd daar nog niet rijp voor was. Toch schiep haar afwezigheid een gevaarlijk hiaat in het volksbestaan van Israël. De nieuwe koning David werd zich daarvan bewust nadat hij in Jeruzalem is gaan wonen en door de Eeuwige tot heerser over geheel Israël was bevestigd. Omdat hij maar al te goed besefte dat hij zijn koningschap aan Hém te danken had, wilde David slechts een dienstknecht van de Eeuwige zijn en uitsluitend Diens wetten en inzettingen handhaven. Het ging hem dus niet om zijn eigen troon, maar om de troon van de Eeuwige, en dat was de Ark. Daarom wilde hij de Verbondskist, het symbool van G’ds aanwezigheid onder Zijn volk, naar Jeruzalem halen en haar een ereplaats geven in een nieuw heiligdom op de berg Tziyon [Sion]. Daar moest de Ark des Verbonds staan, waarop de Eeuwige troont tussen twee cherubijnen. David was zo enthousiast dat hij er bij de uitvoering van zijn voornemen een groot feest van wilde maken. De Ark moest in Qir’yat Ye’arim opgehaald worden met een feestelijke optocht, die gepaard ging met muziek en dans en vreugdezangen, een militaire parade en erehaag van soldaten en mensen langs de hele route. Daarom riep David al zijn legeraanvoerders bijeen, de bevelhebbers over duizend man en die over honderd, kortom elke commandant om met hen te overleggen of zij ermee accoord gingen dat de Verbondskist, waar ten tijde van Sha’ul niemand naar had omgekeken, naar Jeruzalem over te brengen. De gehele legerstaf stemde hiermee in en vervolgens werden de Israëlieten vanuit alle hoeken van het land, vanaf de grensrivier van Egypte in het zuiden tot aan Levo Chamat in het noorden, opgeroepen om de Ark in Ba’ala, dat ook Qir’yat Ye’arim werd genoemd, op te halen. Dat was een feest voor de Eeuwige! De gouden Verbondskist werd plechtig uit het huis van Avinadav gedragen en op een splinternieuwe wagen geplaatst, die als vervoersmiddel zou dienen tijdens de plechtige optocht. Twee zonen van Avinadav, Uza en Ach’yo, menden de ossen die de wagen trokken. Ach’yo liep voor de wagen uit en aan Uza was de zorg voor de Ark opgedragen. David en zijn volk dansten opgetogen en vrolijk zingend voor en achter de wagen en speelden voor de Eeuwige op allerlei muziekinstrumenten: op lieren en harpen, rinkelbellen, tamboerijnen en cimbalen. Het geluid van al deze meest uiteenlopende muziekinstrumenten vermengde zich met het gekletter van de wapens die de soldaten van de erewacht droegen. Het was allemaal goed bedoeld, maar toch ging het fout omdat men jammer genoeg onvoldoende rekening hield met G’ds heiligheid. Toen ze bij de dorsvloer van Nachon ofwel Kidon kwamen, deed zich namelijk een dodelijk incident voor. De ossen gingen opeens de verkeerde kant op en gleden uit. De stoet was waarschijnlijk Jeruzalem al dicht genaderd, en de weg was daarom rotsachtig, steil, nauw en kronkelend geworden. Een dorsvloer, goren in het Hebreeuws, was meestal een rotsachtige plek, hooggelegen en daardoor winderig om zo het dorseffect te verhogen. Volgens de nieuwe vertaling gingen de ossen op de plek af, waar het graan gedorst werd. Hoe dan ook: de ossen struikelden over de stenen, de wagen kwam scheef te hangen en de Verbodskist dreigde te kantelen en begon al van de wagen af te glijden. In een reflex stak Uza zijn hand uit en greep de Ark van G’d vast om te voorkomen dat zij op de grond viel. Heel verstandig zou je zeggen, maar op datzelfde ogenblik viel hij, als door de bliksem getroffen, dood neer! De muziek stopte abrupt en het feest was in één klap afgelopen. Wat was er aan de hand? In Sh’mu’el bet [2 Samuël] 6:6 staat, dat de Eeuwige tegen Uza in woede ontstak en hem ter plekke voor zijn onoplettendheid strafte, zodat hij op slag dood was. Hoezo onoplettendheid? Uza was juist wel oplettend, want hij probeerde de Ark nog tegen te houden. Ach’yo was onoplettend, want hij had de ossen beter in de gaten moeten houden. Dat roept vragen op, want de reactie van de Eeuwige lijkt op het eerste gezicht niet rechtvaardig! In studie 115 heb ik al eens eerder aangehaald, dat wij zo nu en dan worden geconfronteerd met lastige Bijbelteksten waar je nogal van kunt schrikken en waarvan je niet weet wat je ermee moet. Dan zit je opeens met de vraag: is hier nog wel sprake van een liefdevolle G’d? Is zo een passage niet in strijd met rest van de Bijbel, waarin gesproken wordt over de G’d van oneindige liefde? Wat doen we met deze lastige teksten? We kunnen niet ontkennen dat ze in de Bijbel staan, dus dan maar gewoon negeren, verzwijgen, niet over praten? Geen sprake van! Natuurlijk blijven wij gewoon erop vertrouwen dat de Eeuwige wel een goede reden gehad moet hebben voor Zijn beslissing, maar toch blijft in ons achterhoofd bij het lezen van dit lastige vers nog steeds de vraag naar het ‘waarom’ knagen. Het lijkt gewoon niet logisch! Ik zat daar vroeger zelf ook mee, echt waar. Uza bedoelde het toch goed en wilde alleen maar helpen zou ik zeggen. Iedere wagenvoerder, aan wie zo een kostbare lading ten vervoer toevertrouwd was, zou volgens mij niet anders gehandeld hebben. In plaats van hem te belonen dat hij zijn helpende hand uitstak werd hij door de Eeuwige echter ter plekke gedood! Niet alleen hedendaagse lezers zullen zich hierbij afvragen wat voor een G’d dit is en of men überhaupt nog wel bij Hem wil horen, ook David zat met dezelfde vraag in zijn maag. Sterker nog: hij werd daar heel boos over. David maakte zich er kwaad over dat zijn G’d die arme Uza zo onbarmhartig had gestraft voor iets waarvan hij op dat moment niet begreep wat daar zo verkeerd aan was. Ook u zult zich wellicht afvragen waar Uza’s zonde eigenlijk in bestond. Kijk, het kantelen van de Verbondskist riep vanzelfsprekend een heel natuurlijke reactie op bij Uza, die verantwoordelijk was voor het transport van dit kostbare voorwerp en dat is nou precies wat hem de das omgedaan heeft: hij zag het blijkbaar slechts als een kostbaar voorwerp en niet als een heilig voorwerp! Het onvermogen om dit verschil te zien werd hem noodlottig. Maar ook de koning zelf gaat hier niet vrijuit. Ook hij maakte zich hieraan schuldig door de Ark op een wagen te laten transporteren. Op de ene of andere manier voelde hij dit volgens mij wel aan, want hij werd opeens bang. Ik denk dat hij na zijn eerste opwelling van boosheid wel besefte, dat G’d dit niet zomaar gedaan had. Volgens mij drong het op dat moment wel tot hem door dat de fout op de eerste plaats bij hem lag, want hij gaf de opdracht en Uza voerde die alleen maar uit. Als de Ark niet op een wagen was vervoerd zou deze ramp nooit gebeurd zijn en nu zag David tot zijn verbijstering, dat Uza daarvoor moest sterven! Natuurlijk had David de beste bedoelingen en dat hij de Ark juist naar de heilige stad wilde brengen om haar daar een ereplaats te geven is op zich wel bewonderenswaardig, maar de manier waarop was zeer onzorgvuldig voorbereid. Hij had dit in overleg met de door G’d aangestelde profeet moeten doen en de heilige Geschriften moeten raadplegen over de wijze hoe hij met de Ark G’ds moest omgaan. Het pleit voor David dat hij in tegenstelling tot Sha’ul naar de inwoning van de Eeuwige onder Zijn volk verlangde, maar hij besefte blijkbaar niet, dat zowel hijzelf alsook zijn hele volk daarvoor diep doordrongen moest zijn van G’ds heiligheid en van de heiligheid van Zijn troon, de Ark. Het was voor David echt noodzakelijk om voldoende rekening te houden met de exacte eisen die de Eeuwige hieraan stelt, als het zijn oprechte wens was dat Hij in het midden van Zijn volk woont. Als man naar G’ds hart had koning David moeten weten, dat de Eeuwige duidelijke voorschriften had gegeven met betrekking tot de verzorging van de Mish’kan [Tabernakel] en van de heilige gereedschappen door de Kehatieten, die de priesters tot hulp waren gesteld. Voor de Ark des Verbonds had de Eeuwige verordend, dat die door niemand mocht worden gezien, laat staan aangeraakt. Ook de Levieten mochten de Ark zelf niet aanraken, maar slechts bij de vier uitstekende draagstokken optillen. Of had David de ringen met de draagstokken soms niet gezien? In Numeri 4:4-6 en 7:9 zegt de Eeuwige toch duidelijk, dat de heiligste voorwerpen in tegenstelling tot de tentkleden, pilaren, planken enz. niet op een ossenwagen vervoerd mocht worden, maar uitsluitend op de schouders van de Kehatieten gedragen mocht worden nadat de priesters die omwikkeld hadden met de dekkleden en de draagstokken hadden aangebracht. Dat had David moeten weten en zo niet, dan hadden de priesters en Levieten hem daarop moeten attenderen, hetgeen blijkbaar niet het geval was. In strijd met deze duidelijke instructies liet David de Ark toch op een ossenwagen transporteren en dit gebrek aan besef van heiligheid kon ook niet gecompenseerd worden door een splinternieuwe wagen, al was die nog zo duur. Wat dat betreft was David dus geen haar beter dan de Filistijnen, die de heilige Ark eveneens op een nieuwe ossenwagen teruggestuurd hadden naar Israël. Eigenlijk kan dat deze heidenen niet eens kwalijk genomen worden, want zij wisten niet beter. David echter had de rollen met de Tora tot zijn beschikking alsook de schriftgeleerden die ze hem konden uitleggen. Als het om de schuldvraag gaat, dan is David dus de eerstverantwoordelijke voor dit fiasco. Maar was het dan wel eerlijk dat Uza, die alleen maar wilde helpen, daarvoor moest sterven en niet David zelf? Op zich is dat een goede vraag, maar dan moeten we ons ook afvragen hoe onschuldig het dan was wat Uza deed. In feite was het meer dan alleen een reflexhandeling en het was ook meer dan alleen onachtzaamheid. Ten eerste had Uza zich er immers nooit voor mogen lenen om als transportbegeleider van de wagen met de Ark te fungeren. Als hij op grond van de voorschriften bezwaar had gemaakt tegen deze opdracht, dan zou David heus wel tot inkeer zijn gekomen. Hij stemde er echter in toe en durfde zelfs zijn hand uit te strekken naar de Ark terwijl ook hij als gelovige Israëliet had moeten weten dat dit niet mag! Uza negeerde dus de waarschuwing van Numeri 4 en werd door de Eeuwige doorkliefd zodat hij op slag dood was. Het Hebreeuwse woord voor ‘doorklieven’ is paratz, dat ook vertaald kan worden met ‘doorbreken’. Dat zegt dus iets over de manier hoe Uza aan zijn einde kwam. Ik kan mij dus goed voorstellen dat er waarschijnlijk een soort bliksem uit de hemel kwam die hem doorkloofd heeft. David noemde de plaats waar dit gebeurde daarom ook zeer toepasselijk Peretz Uza [de kloof van Uza]. Daaruit kunnen we dus ook opmaken, dat misschien zelfs de rotsachtige grond onder de voeten van Uza doorkloofd was. De Eeuwige moest dus wel heel erg boos geweest zijn. In de versie van dit verslag zoals die staat opgetekend in Sh’mu’el bet [2 Samuël] 6:6 is dit gebeurd bij de dorsvloer van Nachon, maar volgens Div’rei haYamim alef [1 Kronieken] 13:9 gebeurde dit bij de dorsvloer van Kidon. Waarom twee verschillende namen? Ik denk dat hier sprake kan zijn van twee namen voor dezelfde persoon, want dat komen we in de bijbel wel vaker tegen. Yehoshua [Jozua] heette eerst Hoshea [Hosea], Yit’ro [Jetro] heette ook Re’u’el en Ya’aqov [Jakob] kreeg later de naam Isra’el. Matit’yahu [Mattheüs] werd ook Levi genoemd en Shim’on [Simon] Kefa [Petrus, de rots]. Dus op zich zou dat wel kunnen, maar een andere mogelijkheid kan zijn, dat Kidon de latere eigenaar van de dorsvloer was in de tijd dat de kronieken werden geschreven. Hoe dan ook, ik denk dat de vermelding van beide namen niet op toeval berust gezien het feit dat elke Hebreeuwse naam een betekenis heeft. Zo heeft het woord nachon de betekenis van ‘juist’, ‘correct’, ‘billijk’ en ‘oké’, maar kidon is het Hebreeuwse woord voor speer of bajonet. Uitgaande van de betekenis beider namen zou men kunnen zeggen, dat deze al een heenwijzing was naar de tragische dood van Uza en dat het juist was dat hij doorkliefd werd vanwege zijn oneerbiedige houding tegenover de heilige Ark. Behalve de opmerkelijke naamgeving wil ik nog iets kwijt over de dorsvloer. Ik vind het zeer opmerkelijk dat deze verschrikkelijke gebeurtenis uitgerekend daar plaatsvond. De dorsvloer is in de Geschriften een symbool voor vergankelijkheid (Hoshea [Hosea] 13:3), maar ook van bestraffing (Yeshayahu [Jesaja] 21:10, Micha 4:12) en de scheiding tussen het kaf en het koren, goed en kwaad (Matityahu [Mattheüs] 3:12). Al deze aspecten van de dorsvloer vinden wij terug in de gebeurtenis die hier plaats vond. Zo is het dus ook geen toeval dat later ook de tempel gebouwd werd op de plek waar zich eerst een dorsvloer bevond. Het was de dorsvloer van de Yevusiet Arauna (in het Hebreeuws Ornan geheten), waar de pestplaag ophield dankzij de offers die David volgens Sh’mu’el bet [2 Samuël] 24:16-25 en Div’rei haYamim alef [1 Kronieken] 21:18-28 bracht op het altaar dat hij op deze dorsvloer moest oprichten. In Div’rei haYamim bet [2 Kronieken] 3:1 lezen wij vervolgens, dat Sh’lomo [Salomo] op de tweede dag van de tweede maand in het vierde jaar van zijn regering begon met de bouw van de tempel op de dorsvloer van de Yevusit Ornan, die zijn vader David als bouwplaats had aangewezen. Het was eveneens een dorsvloer waar de Eeuwige in Shof’tim [Richteren] 6:36-40 door middel van twee wonderen de bediening van Gid’on [Gideon] bevestigde. Zo zien wij, dat een dorsvloer in de Schrift altijd in verband gebracht wordt met manivestaties en openbaringen van de Eeuwige en dat was dus ook het geval met het oordeel over Uza, die de Ark G’ds had aangeraakt bij de dorsvloer op weg naar Jeruzalem. Ik denk dat wij het nu iets beter kunnen begrijpen. Uza is het slachtoffer geworden van zijn gebrek aan besef dat hij te maken had met het allerheiligste voorwerp: de troon van G’d! Toch niet alleen Uza ging hier de fout in, maar ook David met de hele entourage van zijn optocht. Daarvan werd hij zich door de dood van Uza pijnlijk bewust en David was diep ontroerd, omdat de Eeuwige zo hard heeft toegeslagen om hen allen daarmee een les te leren.
De Ark in het huis van Oved Edom
De feestvreugde was op slag verstomd en alle lieren en harpen, rinkelbellen, tamboerijnen en cimbalen zwegen. Ontsteltenis greep al de feestgangers aan en ook David werd zeer bevreesd voor de Eeuwige. Met de schrik in de ogen en de angst in het hart durfde hij de Ark nu echt niet meer mee te nemen naar de heilige stad. Neen, zó kon de Ark niet naar Jeruzalem. Daarom liet hij haar voorlopig onderbrengen in het huis van de Gatiet Oved Edom, dat vermoedelijk vlakbij de plaats des onheils stond. In talrijke christelijke bijbelcommentaren wordt Oved Edom een Filistijn genoemd omdat er in beide versies van dit verslag vermeld staat, dat hij een Gatiet was. Men gaat er dus automatisch van uit, dat hij afkomstig was uit de Filistijnse stad Gat. Dat lijkt mij echter niet logisch, want de Filistijnse inwoners van Gat wilden juist maar al te graag van de Ark af, die hen alleen maar onheil bracht. Bovendien is nog maar de vraag of er in die tijd überhaupt wel een Filistijn in de directe omgeving van Jeruzalem woonde. Daar hebben de bijbeluitleggers wel een verklaring voor. Zij wijzen erop dat Oved Edom waarschijnlijk tot de Filistijnse lijfgarde van David behoorde, de Keretieten, de Peletieten en de Gatieten die in Sh’mu’el bet [2 Samuël] 15:18 genoemd worden. Deze Filistijnse huurlingen komen we echter in hoofdstuk 6, waarin de Ark in het huis van Oved Edom geplaatst wordt, nog niet tegen. En dat kan ook niet, omdat David de Filistijnen pas in hoofdstuk 8 had verslagen en hen had onderworpen. Pas na de overwinning op de Filistijnen had David hun beroepssoldaten, waaronder de Gatieten, als persoonlijke lijfwacht in dienst genomen. Oved Edom kon dus helemaal geen Filistijn zijn en welke reden zou David gehad moeten hebben om het heiligste voorwerp in het huis van een heiden te stallen? Daar zie ik de logica niet van in. Nee, ik denk aan een andere mogelijkheid die veel aannemelijker is. Volgens mij hoeft de vermelding ‘Gatiet’ nog geen reden te zijn om hem als een inwoner van de Filistijnse stad Gat te zien, want er bestond namelijk ook nog een Israëlitische stad Gat, die o.a. in Yehoshua [Jozua] 19:45 ter onderscheiding van het Filistijnse Gat doorgaans Gat Rimon genoemd wordt. Gat Rimon was een Levietenstad, die in Div’rei haYamim alef [1 Kronieken] 6:69, Hebreeuwse tekst: vers 54, werd gegeven aan de Kehatieten. En wie waren de Kehatieten? Dat waren de Levieten die voor het vervoer van de Ark moesten zorgdragen. Dus vanuit dat oogpunt gezien lijkt het mij voor de hand liggend, dat de Gatiet Oved Edom een Leviet geweest moest zijn uit het geslacht van de Kehatieten. Deze conclusie zie ik in hoofdstuk 15:18 en 24 alsook 16:5 bevestigd, waar Oved Edom genoemd wordt onder de Levieten, die poortwachtersdiensten in het heiligdom moesten verrichten om de Ark des Verbonds te bewaken zodat zij niet in aanraking kwam met onheilige personen. In tegenstellig tot de Filistijnse Gatieten en de inwoners van de Levietenstad Beit Shemesh ondervond Oved Edom, die de Ark drie maanden lang opnam in zijn huis, geen rampspoed, maar juist veel zegen, want de Eeuwige zegende Oved Edom en zijn hele gezin. Dat was het omslagpunt in dit verhaal!
Tweede feestelijke optocht
Met de zegen die Oved Edom en zijn hele gezin gedurende deze drie maanden ten deel viel, heeft David het antwoord gekregen op zijn bange vraag, hoe hij de Ark ooit naar Jeruzalem zou moeten brengen. Het antwoord is vrij simpel: door de voorschriften in acht te nemen en de Ark met gepast eerbetoon te laten dragen op de schouders van de daartoe aangewezen mannen. Nadat David had vernomen hoe de Eeuwige Oved Edom had gezegend vanwege de Ark in zijn huis, vatte hij weer moed en nam het besluit de Ark toch naar Jeruzalem te brengen. Maar nu met de meest nauwkeurige voorzorgsmaatregelen. Daarom ging bij de tweede optocht alles veel beter dan de eerste keer. Dat zien wij meteen al vanaf het begin. Deze keer zorgde David ervoor, dat de Ark op waardige wijze eerbiedig door de Levieten met draagstokken op hun schouders werd gedragen en hij stelde wachters aan om onbevoegde personen op afstand te houden. Deze optocht had nu ook niet meer het karakter van een militaire parade, maar meer van een feestelijke religieuze optocht, want in tegenstelling tot de eerste keer riep David nu niet zijn legeraanvoerders bijeen om alles te coördineren, maar de hoofden van de Levitische families. Hij gebood de priesters en de Levieten, zich te heiligen en zich te onderwerpen aan de reinigingsceremonieën om de Ark in overeenstemming met de voorschriften naar het heiligdom te brengen en hij herinnerde hen eraan dat de Eeuwige hen zo een zware slag had toegebracht omdat zij er de vorige keer niet bij waren om de Ark te dragen en de overigen zich niet aan de voorschriften hielden. Zo gingen David en de oudsten van Israël en de militaire bevelhebbers blij gestemd naar het huis van Oved Edom om daar de Verbondskist op te halen. Oved Edom zelf liep vervolgens met de stoet mee als één van de bewakers van de Ark. Nadat de dragers van de Verbondskist zes passen hadden gedaan, stopten zij om David de gelegenheid te geven brandoffers aan de Eeuwige op te dragen. Zijn koninklijke gewaad had hij afgedaan. Slechts gekleed in een linnen priesterhemd danste hij uitbundig en vol overgave onder het oog van de Eeuwige voor de Ark uit. Dat doet mij denken aan de taferelen voor de Kotel in Jeruzalem met Simchat Tora, als de mannen en Bar Mitz’va jongetjes uitbundig met de Torarollen dansen! Onder gejuich en hakkelende stoten op ramshoorns, het gerinkel van cymbalen en het geluid van harpen en lieren brachten de leiders van Israël de Ark van de Eeuwige de berg op naar de heilige stad Jeruzalem. Heel Israël ontstak in geestdrift, alle mannen en vrouwen, jongens en meisjes dansten en juichten samen met David voor de Ark van de Eeuwige. Zo werd de gouden Verbondskist de stad Davids binnengebracht en neergezet in de tent, die de koning daarvoor had laten oprichten. David droeg brandoffers op aan de Eeuwige en offers voor een heilige maaltijd. Tot besluit van de offerceremonie zegende David het volk in de naam van de Eeuwige en liet voedsel uitdelen aan alle aanwezigen. Zo is de Eeuwige, die tussen de Cherubs boven het verzoendeksel van de Ark des Verbonds troont, in de stad Zijner verkiezing gekomen, naar Yerushalayim, om daar te wonen in het midden van Zijn volk!
David en Michal
Het is niet mijn bedoeling om af te dwalen van het onderwerp, maar toch wil ik graag ook nog even stil staan bij het incident met Michal om ook haar standpunt nader toe te lichten. Wij weten wat er is gebeurd, want wij hebben beide versies van het verslag zojuist gelezen. En we kennen ook de commentaren die door de jaren heen over haar rol in dit verhaal geschreven zijn. Men heeft er geen goed woord voor haar over en zij wordt doorgaans afgeschilderd als een zeer arrogante, hooghartige prinses die met een diepe minachting op David neerkeek omdat hij zich verlaagde naar het niveau van het gewone volk. Die indruk kan men inderdaad krijgen als men uitsluitend kijkt naar de vermelding van de gevoelens die zij kreeg toen ze hem vanuit het raam zag huppelen en dansen bij het binnendragen van de Ark in de stad. Toen David daarna naar huis kwam om haar en de bedienden te zegenen maakte Michal een sarcastische opmerking, die door vele bijbeluitleggers en -vertalers letterlijk wordt genomen. In de nieuwe bijbelvertaling zegt Michal: “De koning van Israël heeft zich vandaag wel bijzonder waardig gedragen! Als de eerste de beste dwaas heeft hij zich voor de ogen van zijn slavinnen en onderdanen ontbloot!” Als je dat zo leest krijg je de indruk dat David zich helemaal heeft uitgekleed om in zijn nakie te huppelen. Als dat echt zo geweest was, dan had Michal wel het volste recht om daar wat van te zeggen. Ook in de Groot Nieuws Bijbel wordt deze indruk bevestigd. Daarin bijt Michal hem toe: “Wat is de koning van Israël vandaag weer in aanzien gestegen! Je hebt je als een losbol schaamteloos uitgekleed voor het oog van de slavinnen van je onderdanen!” Ook volgens deze vertaling zou haar verwijt niet meer dan terecht zijn, te meer omdat hier zelfs nog meer de nadruk gelegd wordt op naaktheid door het woord ‘schaamteloos’ toe te voegen, dat er in de grondtekst helemaal niet staat. Volgens de vertalers van Het Boek was David weliswaar niet helemaal naakt, maar wel halfnaakt. In hun versie zegt Michal: “Wat heeft de koning van Israël zich vandaag weer prachtig gedragen! Als een losbandige ging hij halfnaakt over straat en liet zich bekijken door de meisjes langs de weg!” Vooral door de laatste zinsnede wordt David hier eigenlijk als een soort exhibitionist afgeschilderd. Klopt dat wel? Volgens mij niet! Als David zich daadwerkelijk voor aller ogen had ontbloot, dan had er in de grondtekst het Hebreeuwse woord hit’artel moeten staan. Maar dat staat er niet. Ook het Hebreeuwse woord hif’shit, dat ‘ontkleden’ of ‘uitkleden’ betekent, zoekt men hier tevergeefs. Het woord, dat er wel staat, is gala, en dat heeft meer de betekenis van tentoonstellen, openbaren, blootleggen. U zult het wel met mij eens zijn dat blootleggen niet het zelfde is als ontbloten. David heeft met zijn uitbundige dansen voor de Eeuwige niets anders gedaan dan zijn ziel bloot te leggen. Dat aspect heeft David dan ook duidelijk naar voren gebracht in zijn reactie. Het verwijt van Michal sloeg namelijk helemaal niet op een vermeende naaktheid of gedeeltelijke ontbloting, maar om zijn uitbundige gedrag. De kleding van David stond hier dus niet ter discussie, want hij liep niet in zijn onderbroek zoals velen denken, maar volgens vers 14 in een linnen priesterkleed. In het Hebreeuws staat hier letterlijk efod. In 1 Kronieken 15:27 staat zelfs, dat David daarover heen zelfs ook nog een linnen mantel droeg. Van ontbloting kan hier dus geen sprake zijn. Men zou de opmerking van Michal daarom beter kunnen vertalen met: “Als een dwaas zet je jezelf te kijk met je gedrag. Wat moeten je onderdanen niet van je denken?” Dat en niets anders was volgens mij de strekking van haar verwijt en zo zal David het ook wel opgevat hebben, want hij gaf als antwoord, dat hij danste voor de Eeuwige en daarom ook niet schroomde om daarmee zijn vreugde te laten zien. Hij gebruikte daarbij het woord sichaq’ti, dat men met ‘spelen’ en ‘lachen’ kan vertalen. Hij speelde immers vrolijk op zijn harp. Maar wat was daar nou zo verkeerd aan? Gunde Michal hem deze blijdschap over het binnenhalen van de Ark niet? Of was zij echt zo hoogmoedig dat ze het beneden hun stand vond dat haar man, de koning, met het gepeupel op straat meevierde? Of vond ze David, die van huis uit ook niet meer dan een herdersjongen was, te min voor haar en liet ze dat op deze manier blijken? Eerlijk gezegd denk ik van niet. Integendeel! Michal hield juist ontzettend veel van David! Hij was haar eerste en ook haar enige ware liefde! De liefde die Michal als vrouw voor David koesterde, was letterlijk 18 karaats geweest. Zijn afkomst deerde haar echt niet, want zijn verschijning had haar al vanaf het begin bekoord. Het was liefde op het eerste gezicht en het jeugdige prinsesje had een diepe verering opgevat voor de jonge held, die de reus Goliat had verslagen. De dag dat zij met haar grote liefde mocht trouwen, was voor haar de mooiste dag van haar leven. Toen haar vader Sha’ul [Saul] hem later naar zijn leven stond, had Michal als vanzelfsprekend evenals haar broer Yehonatan [Jonatan] partij gekozen voor David, niet alleen omdat zij hem beiden innig liefhadden - David en Yehonatan waren net broers voor elkaar - maar ook omdat zij wisten dat David onschuldig was. Ook in dat opzicht is Michal haar man altijd trouw geweest en zij heeft voor hem door haar liefde ook een heel groot offer gebracht: met gevaar voor haar eigen leven hielp zij David door een list bij zijn vlucht voor haar vader en bleef zelf achter om hem een voorsprong te geven door een smoesje te verzinnen tegenover de soldaten die hem moesten oppakken. U kunt dit nalezen in Sh’mu’el alef [1 Samuël] 19:11-17. Deze noodlottige beslissing om als rugdekking achter te blijven was naar mijn inzicht haar grootste fout! Michal had niet achter moeten blijven. Als ze samen met David was gevlucht, was het allemaal anders gegaan. De wraak van haar vader was weerzinwekkend: hij strafte beiden door de Tora voor zijn duivelse doel te misbruiken! Als gelovige Jood wist David maar al te goed, dat het aan een Israëliet verboden was, ooit weer huwelijksgemeenschap te mogen hebben met zijn vrouw, als deze inmiddels door een andere man ‘verontreinigd’ was, want dat is een gruwel in de ogen van de Eeuwige. Zo staat het geschreven in D’varim [Deuteronomium] 24:1-4. Daarom werd Michal door haar vader Sha’ul na de vlucht van David uitgehuwelijkt aan Palti’el, de zoon van Layish uit Galim. Michal hield niet van haar nieuwe man, want haar verlangen ging nog steeds uit naar haar zo vurig geliefde David. Zij besefte echter heel goed, dat zij hem vanaf die dag nooit meer als zijn vrouw mocht naderen. David kon haar later weliswaar terugeisen, zoals we in Sh’mu’el bet [2 Samuël] 3:13-16 lezen, maar zij mochten nooit meer gemeenschap met elkaar hebben. Dus wat dat betreft had David daarmee de toestand alleen maar verergerd, want haar nieuwe man Palti’el hield namelijk wel van haar en volgde haar in tranen tot aan Bachurim toen zij werd opgehaald. Wat een drama! Echt een tragische lovestory zoals we die van de Bollywood-films kennen. Michal was nu wel met haar grote liefde herenigd, maar toch oneindig ver van hem verwijderd omdat ze hem niet meer mocht aanraken. Dat moet verschrikkelijk zijn geweest voor haar, want David had naast haar namelijk nog een hele harem met de mooiste vrouwen die wel gemeenschap met hem mochten hebben. Ik denk dat we vanuit dit oogpunt haar negatieve houding tegenover David, die haar zo vaak verweten is, nu beter kunnen begrijpen. Naar mijn mening trof David bij zijn thuiskomst na het ophalen van de Ark niet een hooghartige arrogante koningin aan, maar een diep gekwetste, doodongelukkige echtgenote, die ons medelijden verdient. De onjuiste vertaling van Sh’mu’el bet [2 Samuël] 6:24 in Het Boek: “Om haar minachtende houding bleef Michal haar hele verdere leven kinderloos…” vind ik daarom niet alleen onterecht, maar zelfs oneerlijk en gemeen. De eerste helft van deze zin staat namelijk niet in de grondtekst, maar is door de vertalers ingevoegd. Dat had Michal echt niet verdiend en daarom vond ik het nodig om dat recht te zetten in het kader van deze studie. De reis van de Ark des Verbonds was hiermee voorlopig voltooid, want haar doel was bereikt met de plaatsing van de Verbondskist op de berg die de Eeuwige had gekozen om daar Zijn naam te doen wonen. Dit was het begin van een nieuw tijdperk. Amen!
Categories: None
The words you entered did not match the given text. Please try again.
Oops!
Oops, you forgot something.