Blog

Bijbelstudie over DE ARK DES VERBONDS - ARON HAB’RIT-Deel 3: De lotgevallen van de Ark

Posted by Miriyam Burger on September 3, 2013 at 10:30 AM

 

 

 

 

Bijbelstudie over

 

DE ARK DES VERBONDS - ARON HAB’RIT

 

 

Deel 3: De lotgevallen van de Ark

 

 

 

Door de eeuwen heen heeft de Ark der Getuigenis als geen ander voorwerp uit de Bijbel tot de verbeelding gesproken van gelovigen en sinds Steven Spielberg’s “Indiana Jones” films ook van wereldse mensen. Talloze bijbelwetenschappers, historici en archeologen raakten gefascineerd door het feit, dat deze heilige gouden schrijn, die in ,yrbi Iv’rim [Hebreeën] 4:16 “troon der genade” genoemd wordt, ruim 2500 jaar geleden van het toneel verdwenen en sindsdien nooit meer boven water gekomen is. Sinds de verwoesting van de tempel van Sh’lomo [Salomo] was de Ark spoorloos toch de speculaties en gissingen over haar verblijfplaats houden maar niet op. De meest vreemde en fantastische theorieën doen al sinds mensen heugen de ronde over de verblijfplaats van de Ark des Verbonds. Hoe dan ook, op de ene of andere manier hangt er een mysterieuze sluier over de hele geschiedenis van de heilige Ark, waardoor er door de eeuwen heen allerlei vreemde legendes hieromtrent zijn ontstaan. Al deze legendes, theorieën alsook spectaculaire beweringen zullen wij één voor één in deze studiereeks nader onder de loep nemen, maar vooral gaan kijken wat de Bijbel over deze gouden verbondskist te zeggen heeft, die volgens de beschrijvingen van een oogverblindende schoonheid moet zijn geweest. In het eerste deel van deze studiereeks behandelden wij de vragen hoe de Ark er uit zag, hoe groot zij is geweest en tot welk doel zij is gebouwd en door wie. In het tweede hebben wij aandacht besteed aan de wonderen en tekenen die met de Ark in verband gebracht kunnen worden bij de intocht in het Beloofde Land en bij de verovering van de stad Yericho. Daarbij werd de Ark der Getuigenis door haShem gebruikt als een kanaal waardoor Hij ongekende krachten kon laten zien aan Zijn volk, maar ook aan de vijanden van Zijn volk. De gouden Verbondskist, die in Tehilim [Psalmen] 132:8 door David ‘de Ark van G’ds sterkte’ wordt genoemd, had dus buitengewone krachten, en deze krachten alsook de vele wonderen rondom de Ark zullen wij ook hier in deel 3 van deze studiereeks nader onder de loep nemen. Laten wij deze teksten nu zeer nauwlettend doornemen en dieper ingaan op het mystieke karakter van de Ark des Verbonds.

 

 

De Ark des Verbonds buitgemaakt door de Filistijnen

 

 

“En het woord van Sh’mu’el [Samuël] kwam tot geheel Israël. Israël trok ten strijde tegen de Filistijnen en legerde zich bij Even haEzer; de Filistijnen echter hadden zich gelegerd te Afeq. De Filistijnen stelden zich in slagorde op tegenover Israël. De strijd werd algemeen en Israël leed de nederlaag tegen de Filistijnen; en dezen versloegen in de slag op het open veld ongeveer vierduizend man. Toen het volk in de legerplaats terugkeerde, zeiden de oudsten van Israël: Waarom heeft de Eeuwige ons heden de nederlaag laten lijden tegen de Filistijnen? Laten wij de Ark van het Verbond met de Eeuwige uit Shilo halen, zodat die midden onder ons kome en ons verlosse uit de macht onzer vijanden. Daarop zond het volk bericht naar Shilo, en zij brachten vandaar de Ark van het Verbond met de Eeuwige Tz’va’ot, die op de cherubs troont; daar waren bij de Ark van het Verbond G’ds de beide zonen van Eli, Chof’ni en Pin’chas. Zodra de Ark van het Verbond met de Eeuwige in de legerplaats kwam, hief geheel Israël een gejuich aan, zo luid, dat de aarde dreunde. En de Filistijnen, die dat gejuich hoorden, zeiden: Wat betekent toch dat luide gejuich in de legerplaats der Hebreeën? Toen zij vernamen, dat de Ark van de Eeuwige in de legerplaats gekomen was, werden de Filistijnen bevreesd, want zij zeiden: G’d is in de legerplaats gekomen, en zij zeiden: Wee ons, want zo iets is noch gisteren noch eergisteren geschied. Wee ons! Wie redt ons uit de macht van deze geweldige G’d? Dit is dezelfde G’d, die de Egyptenaren met allerlei plagen in de woestijn geslagen heeft. Grijpt moed en zijt mannen, gij Filistijnen, opdat gij geen slaven der Hebreeën wordt, zoals zij van u geweest zijn. Zijt mannen en strijdt! Toen streden de Filistijnen en Israël werd verslagen. Ieder vluchtte naar zijn tent, en de slachting was zeer groot: van Israël vielen dertigduizend man voetvolk. Ook werd de Ark G’ds buitgemaakt en de beide zonen van Eli, Chof’ni en Pin’chas, vonden de dood. Een Benjaminiet snelde weg uit de gelederen en bereikte nog op dezelfde dag Shilo, in gescheurde klederen en met aarde op zijn hoofd. Toen hij aankwam, zie, Eli zat op zijn stoel aan de kant van de weg in afwachting, want zijn hart was vol zorg over de Ark G’ds. Toen de man in de stad kwam en het bericht overbracht, ging er een gejammer door de gehele stad. Eli hoorde het jammergeschrei en vroeg: Wat is dat voor een rumoer? De man haastte zich naar Eli en deelde het hem mee. Eli nu was achtennegentig jaar oud en zijn ogen stonden star, zodat hij niet zien kon. De man zeide tot Eli: Ik kom van het slagveld; ik ben vandaag nog van het slagveld gevlucht. Hij zeide: Wat is er gebeurd, mijn zoon? De boodschapper antwoordde: Israël is voor de Filistijnen op de vlucht geslagen; een grote nederlaag heeft het volk geleden; ook uw beide zonen, Chof’ni en Pin’chas, zijn dood, en de Ark G’ds is buitgemaakt. Toen hij melding maakte van de Ark G’ds, viel Eli achterover van zijn stoel naast de poort, brak zijn nek en stierf. Want de man was oud en zwaar. En hij was veertig jaar richter over Israël geweest. Zijn schoondochter nu, de vrouw van Pin’chas, was zwanger en zou spoedig baren. Toen zij het bericht vernam, dat de Ark G’ds buitgemaakt was en dat haar schoonvader en haar man gestorven waren, kromde zij zich en baarde, want de weeën overvielen haar. Toen zij op sterven lag, spraken de vrouwen die om haar heen stonden: Vrees niet, want gij hebt een zoon gebaard. Doch zij antwoordde niet en sloeg er geen acht op. Zij noemde de jongen Ichavod en zeide: weg is de eer uit Israël; omdat de Ark G’ds was buitgemaakt en om haar schoonvader en haar man. Zij zeide: Weg is de eer uit Israël, want de Ark G’ds is buitgemaakt.” (Sh’mu’el alef [1 Samuël] 4:1-22).

 

 

In het eerste deel van deze studiereeks lazen wij het een en ander over de centrale plaats van de Ark des Verbonds als troon van de Eeuwige in de Mish’kan [tabernakel], waarin zij een verbinding vormde tussen de zichtbare en de onzichtbare wereld. De Mish’kan bevond zich in het kamp tijdens de tocht door de woestijn precies in het midden van het volk. Oppervlakkig gezien kan daardoor de indruk ontstaan, dat de stammen van Israël hun tenten rondom de Mish’kan en dus ook rondom de Ark hadden opgeslagen om die te beschermen, maar het was juist andersom, want in werkelijkheid werd Israël door de Ark beschermd, tenminste, zolang het in G’ds wegen wandelde. De B’nei Yisra’el [kinderen van Israël] geloofden dat de Ark G’ds hulp garandeerde en daarom droegen zij de Ark tijdens hun reis door de woestijn naar het Beloofde Land en tijdens de verovering van Kanaän voorop, en steeds met sukses. Maar toen zij van Hem afweken en zich op een dwaalweg begaven, kon de Eeuwige niet meer met de Israëlieten meegaan. Zij waren hun G’d ontrouw geworden en daarom moest Hij Zich wel van hen afkeren. Na het innemen van het Beloofde Land bevond de Ark zich op verschillende locaties: eerst op de berg Eval (Yehoshua [Jozua] 8:33), daarna in Beit El (Shof’tim [Richteren] 20:27) en tenslotte in Shilo (Sh’mu’el alef [1 Samuël] 3:3). De Ark bevond Zich dus nog wel bij Israël, maar de Eeuwige bevond Zich niet meer bij de Ark. De Shechina van Adonai had Zijn volk verlaten, omdat dit Hém verlaten had. Uitwendig leefde Israel weliswaar nog bij de inzettingen en het Woord van haShem en brandde de lamp nog in het heiligdom; maar het licht van de Eeuwige verduisterde en trok zich terug. Daarom heeft de G’d van Israël het toegelaten, dat het land, dat Hij aan Zijn volk onder ede beloofd heeft, werd veroverd en onderdrukt door de Filistijnen. Toch wilde Hij het volk nog een kans geven door de roeping van de profeet Sh’mu’el [Samuël]. Het Woord van Adonai, dat door Sh’mu’el vanuit Shilo tot Israël uitging, was bedoeld om G’ds volk tot inkeer te brengen en daardoor tot verootmoediging en bekering te komen. Dit heeft Israël echter niet begrepen, of niet willen begrijpen. Het enige wat zij wel wilden was zich losmaken van het Filistijnse juk. Jarenlang liepen zij immers gebukt onder de overheersing van de Filistijnen. De maat was voor hen vol! Kijk, dat de Israëlieten de Filistijnse onderdrukking niet langer pikten en daartegen in opstand kwamen, was op zichzelf niet verkeerd. Maar wat wel verkeerd was, was het feit dat men zich niet heeft afgevraagd welke collectieve zonde er de oorzaak van geweest kon zijn dat de Eeuwige hen in de macht van hun vijanden had gegeven. Nergens was er iets te merken van zondebesef en er was geen bekering van de afgoden, zoals dat later in hoofdstuk 7 wel het geval zou zijn met een grote overwinning op de Filistijnen als gevolg. Maar hier in hoofdstuk 4 voelden zij slechts wrok tegenover hun onderdrukkers in plaats van een diep schuldbesef tegenover de Eeuwige. En zo rukten de Israëlieten op tegen de Filistijnen en sloegen hun kamp op bij Even haEzer, terwijl de Filistijnen zich te Afeq gelegerd hadden. In slagorde stonden de beide legers daar tegenover elkaar. De Filistijnen waren niet van plan om ook maar één duimbreed van het bezette gebied af te staan of hun beleid te versoepelen en stonden er klaar voor om de opstand keihard neer te slaan. De Israëlieten daarentegen hadden er alles voor over om het gehate juk nu definitief van zich af te werpen en zich voor alle vernederingen te wreken. Klopt dat? Hadden ze daar echt alles voor over? Nee! Ze hadden het er niet voor over om daarvoor op de knieën te gaan en G’d eerst om vergeving te vragen voor hun eigen aandeel in deze misere. Ze trokken dus op eigen kracht ten strijde en zonder de zegen van de Almachtige. We lezen hier namelijk nergens dat ze voor hun krijgstocht de Eeuwige geraadpleegd hadden. Als zij dit namelijk wel hadden gedaan, dan zou de Eeuwige hen ongetwijfeld door middel van de profeet gezegd hebben, dat zij eerst maar de schuld bij zichzelf moesten zoeken en vervolgens hun zonde moesten belijden alvorens de wapens op te nemen tegen de overmachtige vijand. Maar zoals gezegd hebben ze dat dus niet gedaan en zijn er geheel op eigen kracht tegen de Filistijnen opgerukt. Sterker nog: behalve in vers 1 komt Sh’mu’el in het hele hoofdstuk 4 helemaal niet in de picture. Daarom was het bij voorbaat al een verloren zaak voor de Israëlieten. In de veldslag die in alle hevigheid losbrandde, werd Israël door de Filistijnen verslagen en er sneuvelden ongeveer vierduizend man! Toen het verslagen leger van Israël daarna in het kamp teruggekeerd was, vroegen de leiders van het volk zich af waarom de Eeuwige het toegelaten had, dat zij zo’n verpletterende nederlaag moesten lijden. Dat was de tweede fout die zij bij deze veldtocht maakten. In plaats van het zichzelf af te vragen hadden ze op de knieën moeten gegaan om de Eeuwige te vragen wat de oorzaak van hun nederlaag was. Als ze dat hadden gedaan, dan zou volgens mij alles totaal anders zijn gelopen. Maar er was bij de Israëlieten geen enkele verootmoediging over hun aanvankelijke verlies en zij vroegen de Eeuwige niet naar de mogelijke reden daarvan. In plaats van na te gaan wat de oorzaak van de nederlaag geweest kon zijn zagen zij de oplossing van hun dilemma in het erbij halen van de Ark, want die zou hen wel de overwinning bezorgen, dachten ze. Dat was dus de derde fout die ze gemaakt hadden. Nadat de Israëlieten de eerste nederlaag hadden geleden, lieten zij dus zo snel mogelijk de Ark uit Shilo halen om dáárdoor verzekerd te zijn van de zege. ‘Daar is toch niets mis mee?’ zou u nu zeker zeggen, want ze deden nu toch wat ze al vanaf het begin moesten doen, of niet soms? Wel, als wij vers 3 in de nieuwe Tanach-vertaling lezen, dan zou dat inderdaad kunnen kloppen, want daarin zeggen de oudsten: “De Ark van het verbond met de Eeuwige moet uit Shilo hierheen worden gehaald. Dan zal de Eeuwige in ons midden zijn en ons bevrijden uit de greep van onze vijanden.” Ook in de vertaling van ‘Het Boek’ zouden wij tot dezelfde conclusie komen, want daar lezen wij: “Laten wij de Ark vanuit Silo hierheen brengen, besloten zij. Als wij hem meenemen wanneer we oorlog voeren, zal G’d bij ons zijn en ons zeker bevrijden van onze vijanden.” In deze beide vertalingen lijkt het er inderdaad op dat de leiders van Israël toch wel tot inkeer gekomen zouden zijn en een geloofsdaad verricht zouden hebben door hun toevlucht nu liever te zoeken bij de Eeuwige door de Ark des Verbonds te laten halen in plaats van hun legers te versterken en zich beter te bewapenen. Dat klopt, want daar lijkt het inderdaad op, ware het niet dat het zo niet in de grondtekst staat. In de oorspronkelijke tekst staat er namelijk helemaal niet, dat de Eeuwige dan in hun midden zou zijn of dat G’d bij hen zou zijn en hen zou bevrijden, maar de Ark! In de Statenvertaling komt dit heel duidelijk naar voren: “Laat ons van Silo tot ons nemen de Ark des Verbonds des HEEREN, en laat die in het midden van ons komen, opdat zij ons verlosse van de hand onzer vijanden.” Ziet u wat ik bedoel? Hier is het niet de Eeuwige, maar de Ark die hen zou verlossen, en precies zo staat het ook in de grondtekst! In de NBG-vertaling van 1951 is dit eveneens correct weergegeven: “Laten wij de ark van het Verbond des Heren uit Silo halen, zodat die midden onder ons kome en ons verlosse uit de macht onzer vijanden.” Zij zochten hun hulp dus niet bij de Eeuwige, maar bij de Ark, want de wateren van de Jordaan waren immers van elkaar gescheiden door toedoen de Ark en de muren van Yericho zijn gevallen doordat de Ark eromheen gedragen werd! Die Ark moest dus onoverwinnelijk zijn en zou de Filistijnen verslaan en verpletteren. Zo moest Israël wel de overwinning behalen als de Ark zich in het midden van zijn legerscharen bevond. Wat een bijgeloof! De Ark was voor de Israëlieten een afgod geworden! Zij verwachtten hun overwinning en verlossing niet van de Almachtige, maar van de gouden Verbondskist, en dat lieten zij ook duidelijk blijken, want toen de Israëlieten de Ark in hun kamp zagen aankomen, begonnen zij allemaal zo hard te juichen, dat de aarde ervan dreunde!!! Dat dit pure afgoderij was, hadden zij volgens mij niet eens door. Weet u, als zij het beeld van een afgod uit een heel andere cultuur vereerd hadden, die ook nog een andere naam had, dan was dat uiteraard een stuk duidelijker, want daarover kon er natuurlijk geen enkele twijfel of onzekerheid bestaan. De afgoderij ten opzichte van de Ark was echter voor de Israëlieten evenals bij het gouden kalf het geval was, natuurlijk veel moeilijker als zodanig te onderkennen, omdat men daar in beide gevallen de naam van de Eeuwige aan verbond. In het derde gebod heeft de Eeuwige echter nadrukkelijk verboden om Zijn naam ijdel te gebruiken en zou dat ook zeker in dit geval niet tolereren! Het superwapen bleef dan ook zonder resultaat. Al hun vertrouwen in de Ark en hun luide gejuich hebben de Israëlieten helemaal niet geholpen. Sterker nog, het erbij halen van de Ark heeft voor hen juist een averechtse uitwerking gehad. De Filistijnen hoorden het lawaai vanuit het vijandelijke kamp natuurlijk ook en toen hen verteld werd dat het gejuich veroorzaakt werd door de aankomst van de Ark des Verbonds, sloeg de schrik in hun harten. Zij werden bang en raakten behoorlijk in paniek, want zij hadden inmiddels alle wonderverhalen over de Ark gehoord, en zij begonnen te jammeren: “Wat een ramp voor ons! Hun god is in hun kamp gekomen! Het ziet er slecht voor ons uit! Wat moeten we nu doen? Wie kan ons redden uit de greep van deze machtige god?” In de ogen van de Filistijnen was natuurlijk de Ark zelf de god van de Israëlieten, zoals zij in hun eigen Dagonbeeld ook hun god Dagon zagen. Dat de Israëlieten hun god nu naar het slagveld brachten, was voor de Filistijnen ongekend, want zoiets hadden ze nooit eerder meegemaakt, en zij vreesden dat het hen noodlottig zou worden. Daarom begonnen ze hun moreel op te krikken met de woorden: “Wees moedig en vecht voor uw leven, Filistijnen! Laat dus zien wat u kunt, want anders worden wij slaven van de Hebreeën, zoals zij het geweest zijn van ons! Vecht dus als mannen!” Toen gingen de Filistijnen ten aanval over, Zij streden met doodsverachting en versloegen de Israëlieten voor de tweede keer in alle hevigheid! Aan Israëlitische zijde sneuvelden 30.000 man, ook de beide priesters Chof’ni en Pin’chas, de zonen van Eli die de Ark naar het kamp gebracht hadden, kwamen daarbij om. Israëls nederlaag was volkomen! Het verzet was gebroken en de Ark des Verbonds werd buitgemaakt. Eigenlijk maakten zowel de Israëlieten alsook de Filistijnen dezelfde fout, namelijk, dat zij allebei G’ds tegenwoordigheid projecteerden op het teken daarvan, de Ark, waarmee Hij Zijn aanwezigheid gemanifesteerd had. Dat liep voor beide partijen uiteindelijk slecht af: voor de Israëlieten op korte termijn doordat zij een verpletterende nederlaag leden, en voor de Filistijnen op langere termijn nadat zij in het bezit van de Ark G’ds geraakt waren. Maar daar ga ik straks nog nader op in. In elk geval was dit voor de Israëlieten een zeer gevoelige nederlaag die hen met de neus op de feiten gedrukt heeft. Zij hadden zich er altijd op beroemd dat de Eeuwige bij hen was, maar nu moesten ze op een pijnlijke wijze ervaren dat dit niet meer het geval was en dat Hij van hen was geweken. Daardoor kwam het van kwaad tot erger, want toen Israël zonder de Ark streed, vielen er vierduizend man, maar toen Israël met de Ark in hun midden streed, verloren zij dertigduizend man! Het was een grote fout, de Ark met het Verzoendeksel, waarop de Eeuwige zelf tussen de vleugels van de cherubs troonde, zonder opdracht van haShem en zonder voorafgaande verootmoediging vanuit Shilo naar Even haEzer te halen om te helpen in de strijd tegen de Filistijnen, want daarmee stelde het volk zijn vertrouwen niet meer op de levende G’d, maar op het voorwerp Ark en daarom mocht het allemaal niet baten. Deze dwaalweg leidde er namelijk toe dat de Filistijnen er niet alleen in slaagden, het Israëlitische leger te verslaan, maar ook het heiligste voorwerp uit het heiligste der heiligen te ontvoeren. De Ark der Getuigenis was buitgemaakt, en korte tijd daarna moet ook het heiligdom te Shilo verwoest zijn, want in verband met de afgoderij, die de Israëlieten bedreven, schreef de psalmist: “Toen G’d dit hoorde, werd Hij verbolgen en wierp Hij Israël ver van Zich af! Hij gaf Zijn woning in Shilo op, de tent waar Hij woonde onder de mensen! Hij liet Zijn volk gevangen wegvoeren, leverde Zijn sieraad uit aan de belager, gaf Zijn sterke mannen prijs aan het zwaard!” (Tehilim [Psalmen] 78:59-62). Vers 64 spreekt ongetwijfeld over de dood van Eli's zonen, de priesters Chof’ni en Pin’chas: “Zijn priesters kwamen om door het zwaard!” Een overlevende uit de stam van Bin’yamin verliet het slagveld en rende zo snel hij kon naar Shilo om daar de treurmare met gescheurde kleren en stof op zijn hoofd bekend te maken. Eli zat al langs de kant van de weg vol spanning op een stoel te wachten op nieuws over de strijd, want hij was erg ongerust over de Ark van G’d. Hij dacht met angst en beven aan de Verbondskist, die zijn zonen hadden meegenomen. Met deze gezindheid wekt de bijna blinde en hoogbejaarde Eli, die vol zorg was over de Ark G’ds, ondanks al zijn fouten en tekortkomingen toch wel onze sympathie. Helaas werd het slechte voorgevoel dat hem kwelde, bewaarheid toen de boodschapper hem vertelde, dat Israël verslagen was, dat er onder het volk een ware slachting was aangericht en dertigduizend Israëlieten gesneuveld waren, waaronder zijn beide zonen Chof’ni en Pin’chas, en dat de Ark van G’d in de handen van de Filistijnen was gevallen. Op het moment waarop Eli hoorde, dat de Ark was buitgemaakt, viel hij met zijn stoel achterover en brak zijn nek! Zijn schoondochter, de vrouw van Pin’chas, die hoogzwanger was, raakte in barensnood toen zij hoorde dat de Ark door de Filistijnen was buitgemaakt en haar man, zwager en schoonvader dood waren. Zij baarde een zoon en stierf bij de bevalling. Toen ze op sterven lag en te horen kreeg dat het een jongetje was, fluisterde zij: “Ik noem hem Ichavod, want Israël is van zijn eer beroofd.” Daarmee doelde zij op het verlies van de Ark des Verbonds en met deze naamgeving gaf de schondochter van Eli een treffende vertolking van de gevoelens die niet alleen bij haar, maar bij alle gelovige Israëlieten geleefd moest hebben. De letterlijke betekenis van chavod is namelijk: ‘weg is de eer’ of ‘weg is de heerlijkheid’. De kavod was de eer ofwel de heerlijkheid van G’d in de wolk boven het Verzoendeksel op de Ark des Verbonds als het teken van Zijn aanwezigheid onder Zijn volk. Wij kennen allemaal wel het lied “Adon haKavod, Melech haM’lachim”, en deze kavod was nu weg. Zij was verdwenen uit het midden van G’ds volk. Zonder de Ark had het heiligdom geen enkel nut meer in Shilo. Het heiligste der heiligen stond leeg! Deze leegte, die veroorzaakt werd door het wegvallen van de Ark, werd door de schoondochter van Eli betreurd door de naamgeving van haar zoon! G’ds tegenwoordigheid door middel van de Ark was van beslissende betekenis voor Zijn volk, want met Hem was Israël sterk, maar zonder Hem vermocht het niets. De Israëlieten maakten de faliekante fout, dat ze de Ark vanwege haar centrale rol bij de verovering van Yericho als een soort superwapen beschouwden waarmee ze elk vijandelijk leger konden verslaan en daarom stelden zij bij de strijd met de Filistijnen hun vertrouwen enkel op de Ark en niet op de Eeuwige. Dat werd hen noodlottig en zij verloren zowel de strijd alsook de Ark. De heerlijkheid van de Eeuwige had Zijn volk verlaten, omdat dit Hém verlaten had.

 

 

De Ark des Verbonds in Ashdod

 

 

“De Filistijnen hadden de Ark G’ds buitgemaakt en haar van Even haEzer naar Ashdod gebracht. Toen namen de Filistijnen de Ark G’ds, brachten haar in de tempel van Dagon en zetten haar neer naast Dagon. Toen de Ashdodieten de volgende morgen vroeg opstonden, zie, Dagon was op zijn gezicht ter aarde gevallen voor de Ark van de Eeuwige; en zij namen Dagon en zetten hem weer op zijn plaats. Maar toen zij de volgende morgen vroeg opstonden, zie, Dagon was op zijn gezicht ter aarde gevallen voor de Ark van de Eeuwige, maar het hoofd van Dagon en zijn beide handen lagen afgehouwen op de drempel, slechts de romp was nog over. Daarom treden de priesters van Dagon en allen die de tempel van Dagon binnengaan, niet op de drempel van Dagon te Ashdod, tot op de huidige dag. Zwaar drukte de hand van de Eeuwige op de Ashdodieten en Hij verbijsterde hen: Hij sloeg hen met builen, zowel Ashdod als het omliggende gebied. Toen de mannen van Ashdod zagen, dat de zaken zo stonden, zeiden zij: De Ark van de G’d van Israël mag bij ons niet blijven, want Zijn hand is hard tegen ons en tegen onze god Dagon. Daarom riepen zij alle stadsvorsten der Filistijnen bijeen en zeiden: Wat zullen wij doen met de Ark van de G’d van Israël? En zij zeiden: De Ark van de G’d van Israël moet naar Gat worden overgebracht. Zij brachten dus de Ark van de G’d van Israël daarheen over. Maar nadat zij haar overgebracht hadden, trof de hand van de Eeuwige de stad met een zeer grote verwarring: Hij sloeg de bewoners van de stad, klein en groot, zodat builen bij hen uitbraken. Toen zonden zij de Ark G’ds naar Eq’ron. Maar zodra de Ark G’ds in Eq’ron kwam, jammerden de Eq’ronieten: Zij brengen de Ark van de G’d van Israël tot ons om ons en ons volk te doden. Zij riepen daarom alle stadsvorsten der Filistijnen bijeen en zeiden: Zendt de Ark van de G’d van Israël weg; laat zij terugkeren naar haar eigen plaats, opdat zij ons en ons volk niet dode. Want in de gehele stad heerste een dodelijke verwarring; de hand G’ds drukte daar zeer zwaar: De mannen die niet gestorven waren, werden met builen geslagen, zodat het gejammer der stad ten hemel klom.” (Sh’mu’el alef [1 Samuël] 5:1-12).

 

 

In het vorige hoofdstuk lazen wij, dat de Eeuwige Zijn volk Israël had gestraft voor hun afgoderij door hen de strijd tegen de Filistijnen te laten verliezen en zelfs door de Ark in hun handen te laten vallen. Natuurlijk oordeelt de Eeuwige niet alleen Zijn eigen volk, maar uiteraard ook Zijn vijanden. Hij moest weliswaar Zijn volk Israël verlaten en aan de macht van hun onderdrukker prijsgeven, maar desalniettemin liet Hij ook de Filistijnen niet vrijuit gaan en liet aan hen Zijn macht zien; niet op het slagveld en ook niet op bezet gebied, maar op hun eigen terrein, in hun eigen steden! Na de straf voor Israël volgde vanzelfsprekend de straf voor de Filistijnen, want als zelfs de Levieten de Ark niet eens mochten aanraken, laat staan de onbesneden Goyim! Heel indrukwekkend is het zojuist gelezen verhaal van de vernedering van Dagon, een afgod van de Filistijnen, het volk, dat volgens Amos 9:7 en Jeremia 47:4 oorspronkelijk van het eiland Kaftor [waarschijnlijk Kreta] afkomstig was en zich via Egypte gevestigd had op de kust van Kanaän. Het staat vast, dat de Filistijnen geen Semieten waren en ook geen Aziaten, maar door snelle assimilatie met de Kanaänieten namen zij een groot deel van hun taal en godsdienst over en zo is het bekend, dat zij in Eq’ron de Ba’al-Zevuv, in Ash’qelon Ishtara ofwel Astartes en in Ashdod Dagon vereerden. Na hun overwinning op de Israëlieten namen de Filistijnen de Ark van G’d, die ze buitgemaakt hadden, van het slagveld van Even haEzer mee naar Ashdod, de havenstad die haar naam te danken had aan de godin Ashdoda, waarvan bij opgravingen in de jaren zestig door archeologen een typisch Filistijnse figurine gevonden werd. Tel Ashdod, het opgravingsterrein, ligt op een afstand van 5 km ten zuiden van de nieuwe stad Ashdod, die in 1957 werd gesticht. Dit beeld van de godin Ashdoda, gezeten op een troon, vertoont sterke overeenkomsten met afbeeldingen van de moedergodin, zoals die in Mycene vereerd werd. Ondanks haar naam was zij echter niet de hoofdgodheid van Ashdod, want deze eer kwam Dagon toe. De tempel van deze afgod was de bestemming van de gouden Verbondskist, die de Filistijnen als een trofee meevoerden. Ik zou mij best kunnen voorstellen dat ze de Ark, die zij ook als een afgodenbeeld aanzagen vanwege de gouden cherubs, onder luid gejuich meedroegen in een triomftocht, omdat ze meenden, de G’d van Israël overwonnen te hebben. Om aan een ieder te laten zien dat hun god Dagon sterker en machtiger was dan de G’d van Israël, en om uit te beelden dat deze nu aan hun god onderworpen zou zijn, brachten ze de Verbondskist de tempel van Dagon binnen en plaatsten haar naast het afgodenbeeld op de grond, als een duidelijk eerbewijs aan Dagon. Wij mogen er gerust van uitgaan, dat ze de tachasvellen, die de Ark bedekt hielden, verwijderd hadden en haar open en bloot tentoonstelden. Het spreekt voor zich, dat de Eeuwige dit niet kon tolereren en dat zouden de Filistijnen nogal gauw ondervinden. Wie was deze Dagon eigenlijk en hoe zag hij eruit? Met een beetje fantasie doet hij ons een beetje denken aan Poseidon of Neptunus, want hij wordt doorgaans afgebeeld met een vissestaart. Wij kunnen er dus van uitgaan, dat ook bij het afgodenbeeld, dat zich naast de Ark bevond, de onderhelft visvormig was. Dat deze godheid met de zee werd geassocieerd, zou men al uit zijn naam kunnen afleiden. gd Dag betekent namelijk ‘vis’ in het Hebreeuws. Een ander woord, dat eveneens de oorsprong van de naam Dagon gevormd zou kunnen hebben, is dagan, het Hebreeuwse woord voor graan. In het Ugaritisch is dagan eveneens het woord voor graan. En daadwerkelijk bestond er in de Mesopotamische en in de Kanaänietische mythologie een god voor het koren en de landbouw met de naam Dagan, die ook vereerd werd door de volken van Ebla en Ugarit. Over de vraag of Dagon en Dagan dezelfde zijn, blijven de meningen onder de wetenschappers vooralsnog verdeeld. In het Ugaritisch komt zijn naam in elk geval voor als Dagnu en in latere Akkadische inscripties als Dagana of Daguna. Ook in vroege Sumerische teksten wordt Dagan vermeld. Men beschouwde Dagan als voorvader van Ba’al, de heer van regen en vruchtbaarheid, en volgens mythologische teksten was Dagon de broer van Kronos. Een ding weet ik wel zeker: ze deugen allemaal niet! Hoe dan ook, het onreine beeld van deze afgod stond pal naast de reine Ark van de Eeuwige in de Dagontempel te Ashdod. Nog stond het daar rechtop, het standbeeld van Dagon: het bovenlijf met hoofd, borst en armen in mensengedaante, en het onderlijf in de gedaante van een vis. Maar toen de inwoners van Ashdod de volgende ochtend naar de tempel kwamen om de buitgemaakte Ark te bekijken, zagen zij tot hun grote schrik, dat Dagon in zijn eigen tempel voorover was gevallen en met zijn gezicht op de grond vóór de Ark lag. Hun afgod moest dus het hoofd buigen voor de G’d van Israël! Dagons priesters waren ontsteld, maar ze tilden het beeld overeind en zetten hem weer op zijn plaats. Toch wat zagen ze de volgende morgen toen ze in alle vroegte terugkwamen? Het beeld van Dagon was opnieuw met zijn gezicht naar beneden op de grond vóór de Verbondskist van de Eeuwige gevallen, maar deze keer waren zijn beide handen en zijn hoofd afgebroken. Alleen de romp met de vissestaart was nog over. Nu was de nederlaag van hun afgod definitief, want Dagon bleek niet in staat om stand te houden voor het aangezicht van de lévende G’d! Eeuwen later, omstreeks 150 voor de gewone jaartelling, werd de Dagon-tempel verwoest door de Makkabeeër Y’honatan [Jonatan]. Het was al de tweede keer, dat Dagon door de Eeuwige van zijn voetstuk gegooid was, want ook in Gaza stond een tempel van Dagon, die volgens Shof’tim [Richteren] 16:23-30 door Shimshon [Simson] werd vernietigd doordat hij er in de kracht van haShem de draagzuilen van neerhaalde. De G’d van Israël, die ogenschijnlijk lijdzaam toegekeken heeft hoe Zijn volk verslagen werd en vervolgens toeliet, dat het heiligste voorwerp, de Ark des Verbonds, in een zegetocht werd meegevoerd door de afgodendienaars, heeft nu meedogenloos afgerekend met deze demon en hem voor de tweede keer in zijn eigen tempel vernederd! Maar daarmee was de Eeuwige nog lang niet klaar! Nu waren de Filistijnen aan de beurt, die deze demon vereerden en aanbaden. Als eerste sloeg de straffende hand van de Eeuwige de inwoners van Ashdod en het omringende gebied met brandende gezwellen en maakte ze doodsbang door hen te teisteren met een muizenplaag. De burgers van Ashdod wilden daarom zo snel mogelijk verlost worden van de Ark en riepen luidkeels: “De Ark van de G’d van Israël mag in geen geval bij ons blijven, want Hij treedt met harde hand op tegen ons en onze god Dagon!” De koningen van de vijf Filistijnse steden beslisten, dat de Ark naar Gat werd gedragen, maar nu trof de Eeuwige ook de inwoners van die stad met dezelfde plagen. Toen werd de Ark naar Eq’ron gestuurd en ook daar werden de inwoners in nog heviger mate geteisterd door de uiterst pijnlijke zweren en de muizen die het land verwoesten. Velen kwamen om en de Filistijnen waren de wanhoop nabij. De Filistijnen hadden aan hun eigen lijf ondervonden dat de G’d van Israël niet met Zich liet spotten, en dat Zijn heilige tegenwoordigheid door middel van de Ark het oordeel betekende voor allen die onrein waren en de afgoden dienden. Daarom smeekten de inwoners van de Filistijnse steden hun vorsten, de Verbondskist van de G’d van Israël terug te sturen naar het land van herkomst, omdat anders alle inwoners zouden sterven. Toch gingen zeven lange maanden voorbij voordat hieraan gehoor gegeven werd.

 

 

De Ark des Verbonds in Beit Shemesh

 

 

“Toen de Ark van de Eeuwige zeven maanden in het gebied der Filistijnen geweest was, riepen de Filistijnen de priesters en de waarzeggers en vroegen hun: Wat moeten wij doen met de Ark van de Eeuwige? Geeft ons te kennen, hoe wij haar zullen terugzenden naar haar eigen plaats. Zij zeiden: Wanneer gij de Ark van de G’d van Israël terugzendt, dan moet gij haar niet zonder meer heenzenden, maar gij moet Hem in ieder geval genoegdoening geven; dan zult gij genezen en zal u bekend worden, waarom Zijn hand niet van u wijkt. Daarop vroegen zij: Welke genoegdoening zullen wij Hem geven? En zij antwoordden: Naar het aantal van de stadsvorsten der Filistijnen, vijf gouden builen en vijf gouden muizen, want eenzelfde plaag treft allen, ook uw stadsvorsten. Maakt dus afbeeldingen van uw builen en van de muizen, die het land verwoesten, en bewijst de G’d van Israël hulde. Misschien zal Hij de druk van Zijn hand van u, van uw goden en van uw land wegnemen. Waarom toch zoudt gij uw hart verharden, zoals de Egyptenaren en Farao hun hart verhard hebben? Lieten zij hen niet trekken, toen Hij hun zijn macht liet gevoelen, en zij gingen? Nu dan, neemt en maakt gereed een nieuwe wagen met twee zogende koeien, die nog geen juk gedragen hebben; spant die koeien voor de wagen, maar brengt haar kalveren bij haar vandaan naar huis terug. Neemt dan de Ark van de Eeuwige, zet haar op de wagen en legt de gouden voorwerpen, die gij Hem als genoegdoening geeft, in een kistje ernaast. Zendt haar dan weg; laat zij gaan. Geeft acht: indien zij de weg naar haar gebied opgaat, naar Beit Shemesh, dan is Hij het, die dit grote onheil over ons gebracht heeft. En zo niet, dan weten wij, dat niet Zijn hand ons getroffen heeft; dan is het ons toevallig overkomen. De mannen deden alzo. Zij namen twee zogende koeien en spanden die voor de wagen, maar haar kalveren hielden zij thuis. Zij zetten de Ark van de Eeuwige op de wagen, evenals het kistje met gouden muizen en de afbeeldingen van hun gezwellen. De koeien gingen regelrecht de weg op naar Beit Shemesh; zij liepen al loeiende rechtdoor zonder naar rechts of links af te buigen, en de stadsvorsten der Filistijnen volgden ze tot aan het gebied van Beit Shemesh toe. De mensen van Beit Shemesh waren juist bezig met het oogsten van de tarwe in de vallei. Toen zij opkeken, zagen zij de Ark, en zij waren verheugd haar te zien. De wagen nu kwam bij het veld van de Beit-Shemiet Yehoshua en hield daar stil. Daar lag een grote steen. Zij kloofden het hout van de wagen en offerden de koeien als een brandoffer voor de Eeuwige. De Levieten hadden de Ark van de Eeuwige met het kistje, dat daarbij stond, waarin de gouden voorwerpen waren, afgeladen en op de grote steen geplaatst, en op die dag offerden de mannen van Beit Shemesh de Eeuwige brandoffers en slachtten Hem slachtoffers. Toen de vijf stadsvorsten van de Filistijnen dit zagen, keerden zij op dezelfde dag naar Eq’ron terug. Dit nu zijn de gouden gezwellen, die de Filistijnen als genoegdoening de Eeuwige gaven: één voor Ashdod, één voor ‘Aza [Gaza], één voor Ashqelon, één voor Gat, één voor Eq’ron; verder de gouden muizen naar het getal van alle steden der Filistijnen, die aan de vijf stadsvorsten behoorden, van de versterkte steden af tot de dorpen toe; en getuige is tot op de huidige dag de grote steen, waarop zij de Ark van de Eeuwige geplaatst hebben, in het veld van de Beit-Shemiet Yehoshua. En Hij richtte een slachting aan onder de mannen van Beit Shemesh, omdat zij de Ark van de Eeuwige bekeken hadden; Hij sloeg van het volk zeventig man, vijftig op de duizend. Het volk bedreef rouw, omdat de Eeuwige zulk een grote slachting onder het volk had aangericht. En de mannen van Beit Shemesh zeiden: Wie kan bestaan voor het aangezicht van de Eeuwige, deze heilige G’d? Naar wie zal Hij bij ons vandaan optrekken? En zij zonden naar de bewoners van Qir’yat Ye’arim boden, die moesten zeggen: De Filistijnen hebben de Ark van de Eeuwige teruggebracht; daalt af en voert ze tot u.” (Sh’mu’el alef [1 Samuël] 6:1-21).

 

 

Eindelijk gaven de koningen van de vijf Filistijnse steden gehoor aan het gesmeek van hun volk, om toch de Ark van Israëls G’d terug te brengen naar het land waar ze haar vandaan geroofd hadden, want zij durfden niet langer tegen de volkswens in te gaan. Nadat de Verbondskist zeven maanden op Filistijns grondgebied was en de inwoners van dat land daarvoor al die tijd zwaar geteisterd werden door de plagen, die de Eeuwige op hen had doen neerkomen, en de Ark steeds van de ene plaats naar de andere werd gedragen omdat er overal een dodelijke angst voor haar heerste, moest er eindelijk een oplossing komen. Daarom werden de priesters en waarzeggers geraadpleegd met de vraag, hoe men de Ark het beste terug kon sturen naar de plaats waar zij thuishoort. Met herinnering aan de plagen, waarmee Egypte destijds getroffen werd, en hoe het vervolgens met de Farao en zijn leger afgelopen was, luidde het antwoord van de wijze mannen die door de Filistijnse vorsten geraadpleegd werden: “Als u de Ark van de G’d van Israël terugstuurt, dan mag u haar niet zonder meer laten gaan. Geef in ieder geval een schadeloosstelling mee, zodat de plaag ophoudt en iedereen kan genezen. Als de plaag dan inderdaad ophoudt, dan weten wij in elk geval zeker, waarom de G’d van Israël ons al die tijd zo hard heeft aangepakt door die plaag op ons af te sturen.” De priesters en waarzeggers adviseerden dus niet alleen de geroofde Ark aan de rechtmatige Eigenaar terug te geven, maar bovendien ook nog als genoegdoening een zoengeschenk aan toe te voegen om daarmee hun zonde te erkennen en de G’d van Israël hulde te bewijzen. Op de vraag, waaruit het schuldoffer moet bestaan, luidde het antwoord: “Er zijn vijf stadsvorstendommen. Stuur daarom vijf gouden beeldjes van het gezwel, waaronder wij allen te lijden hebben gehad en vijf gouden beeldjes van de muizen die het hele land hebben geteisterd. Alle vijf steden hebben immers onder de zelfde plaag te lijden gehad, ook de stadskongingen. Als u deze geschenken meestuurt en de G’d van Israël de verschuldigde eer bewijst, dan zal Hij u en ook uw goden en uw land misschien met rust laten. Waarom zou u zich tegen Hem blijven verzetten, zoals destijds de Egyptenaren en de Farao hebben gedaan? Want toen de G’d van Israël hen met vreselijke plagen Zijn macht liet voelen, moesten zij de Israëlieten toch ook laten gaan? Zorg dus voor een nieuwe wagen en twee zogende koeien die nog nooit een juk gedragen hebben. Span ze voor de wagen en breng de kalveren naar de stal. Zet de Ark van de G’d van Israël op de wagen met daarnaast een kist met de gouden beeldjes van de gezwellen en de muizen en laat de koeien dan maar gewoon lopen waarheen zij willen. Let goed op! Als de wagen voor uw ogen de weg in slaat naar het gebied waar de Verbondskist thuishoort en over de grens in de richting van Beit Shemesh rijdt, dan zal het u duidelijk zijn, dat het inderdaad de G’d van Israël was, die dit grote onheil over ons gebracht had. Als dat niet het geval is en zij keren terug naar hun kalveren, dan weten wij dat niet Hij ons met dit leed getroffen heeft, maar dat de plaag gewoon een toeval was.” De stadsvorsten volgden deze raad op en namen inderdaad de proef op de som. Toen de koeien daadwerkelijk de grens overstaken en zonder naar rechts of links af te buigen rechtdoor de weg naar de Levietenstad Beit Shemesh opliepen, die ongeveer 15 km van Eq’ron verwijderd lag en aan de Kehatieten toegewezen was, moesten de stadsvorsten van de Filistijnen, die de wagen gevolgd waren, wel de hand van de Eeuwige hierin zien. Nadat de Ark door de inwoners van Beit Shemesh, die blij verrast waren, in ontvangst was genomen, keerden de vijf koningen terug naar Eq’ron. Enkele Levieten hadden de Ark en de kist met de gouden beeldjes van de wagen getild en op de rotsblok neergezet, waarnaast de wagen tot stilstand gekomen was. Vervolgens sloopten de inwoners van Beit Shemesh de wagen en maakten met het hout daarvan een vuur, waarop zij de beide koeien aan de Eeuwige offerden als brandoffers. Die dag bracht de bevolking van Beit Shemesh nog vele brand- en vredeoffers aan de Eeuwige en zo gaf de terugkeer van de Ark des Verbonds hen een welkome aanleiding tot het houden van een blijde offermaaltijd. Maar aan dat feest kwam een abrupt einde, want de Eeuwige richtte een grote slachting aan onder de bevolking van Beit Shemesh en doodde zeventig inwoners! Waarom nam deze eerst zo blijde geschiedenis opeens zo een ernstige wending? Wat was er gebeurd, dat de Eeuwige zo hard had toegeslagen? Wat deden deze mensen dan verkeerd? Zij toonden toch een houding van eerbied door offers aan de Eeuwige te brengen? Was het dan verkeerd dat ze uitbundig feest vierden om hun blijdschap te uiten dat de Ark weer in hun midden was? Nee, dat was juist goed, maar wat ze wel verkeerd deden, was deze houding van eerbied te laten varen door uit nieuwsgierigheid in de Ark te turen! Dat hadden ze dus nooit mogen doen, want de Ark was immers geen voorwerp van vermaak, dat aan het publiek getoond mocht worden, ook niet als dat Kehatieten waren, die destijds door de Eeuwige waren aangesteld om de Ark te dragen. Gezien het feit dat de Ark des Verbonds het allerheiligste voorwerp van de eredienst was, mocht niemand de Verbondskist met de gouden cherubs op het Verzoendeksel in onbedekte toestand zien. Maar het Verzoendeksel eraf halen om de Ark te openen en erin kijken was natuurlijk een nog veel grovere overtreding, die de Eeuwige beslist niet kon tolereren! Onmiddellijk volgde daarom het doodsvonnis voor de zeventig inwoners van Beit Shemesh, dat ter plekke werd voltrokken. Het was immers een zeer zware zonde om de Ark der Getuigenis, die G’ds aanwezigheid in Israël vertegenwoordigde, op zo'n profane wijze te behandelen. Daarom was het feest ook meteen afgelopen en blijdschap veranderde in droefheid! Alle inwoners van Beit Shemesh rouwden om de vele slachtoffers die de Eeuwige onder hen gemaakt had en net als de Filistijnen wilden zij zo snel mogelijk van de Ark af, omdat zij haar nabijheid niet konden verdragen. Daarom namen zij het besluit om boodschappers naar Qir’yat Ye’arim te sturen met het verzoek, de Ark op te komen halen.

 

 

De Ark des Verbonds in Qir’yat Ye’arim

 

 

“De mannen van Qir’yat Ye’arim kwamen, voerden de Ark van de Eeuwige mee en brachten haar in het huis van Avinadav op de heuvel. En zijn zoon El’azar heiligden zij om voor de Ark van de Eeuwige zorg te dragen. Van de dag af, dat de Ark in Qir’yat Ye’arim verbleef, verliep er een geruime tijd (twintig jaar) en het gehele huis Israëls achtervolgde de Eeuwige met zijn klachten.” (Sh’mu’el alef [1 Samuël] 7:1-2).

 

 

Aanvankelijk werd de Ark door de inwoners van Beit Shemesh met gejuich begroet, maar zij heeft hen geen zegen gebracht, maar de dood, omdat zij met onheilige handen het heilige deksel verwijderden om onheilige blikken naar binnen te werpen. Daarom smeekten zij om van de Ark verlost te worden. De mannen van Qir’yat Ye’arim gaven hieraan gehoor en kwamen de Ark ophalen. Daarmee ging de gouden Verbondskist een nieuwe fase in en kreeg na al haar omzwervingen eindelijk weer een vaste rustplaats in Qir’yat Ye’arim, ca. 10 km ten westen van Jeruzalem, waar zij twintig jaar in het huis van Avinadav op de heuvel verbleef totdat zij door David naar de stad gebracht zou worden, die de Eeuwige daarvoor aanwees: Jeruzalem! De zoon van Avinadav, El’azar, werd geheiligd om zorg te dragen voor de Ark van de Eeuwige. De namen van beide mannen lijken erop te wijzen, dat zij afstammelingen van Aharon waren, en zo was de Ark weer in goede handen. De Ark des Verbonds keerde nooit meer terug naar Shilo, maar bleef op deze veilige en afgezonderde plaats in Qir’yat Ye’arim tot de dagen van David.

 

 

Werner Stauder

 

 

 

Categories: None

Post a Comment

Oops!

Oops, you forgot something.

Oops!

The words you entered did not match the given text. Please try again.

Already a member? Sign In

0 Comments