Blog

Bijbelstudie over DE ARK DES VERBONDS - ARON HAB’RIT-Deel 2: De Ark bij de intocht in het Beloofde Land

Posted by Miriyam Burger on September 3, 2013 at 10:35 AM

 

Bijbelstudie over

 

DE ARK DES VERBONDS - ARON HAB’RIT

 

 

Deel 2: De Ark bij de intocht in het Beloofde Land

 

 

 

Door de eeuwen heen heeft de Ark der Getuigenis als geen ander voorwerp uit de Bijbel tot de verbeelding gesproken van gelovigen en sinds Steven Spielberg’s “Indiana Jones” films ook wel wereldse mensen. Talloze bijbelwetenschappers, historici en archeologen raakten gefascineerd door het feit, dat deze heilige gouden schrijn, die in Iv’rim [Hebreeën] 4:16 “troon der genade” genoemd wordt, ruim 2500 jaar geleden van het toneel verdwenen en sindsdien nooit meer boven water gekomen is. Sinds de verwoesting van de tempel van Sh’lomo [Salomo] was de Ark spoorloos toch de speculaties en gissingen over haar verblijfplaats houden maar niet op. De meest vreemde en fantastische theorieën doen al sinds mensen heugen de ronde over de verblijfplaats van de Ark des Verbonds. Hoe dan ook, op de ene of andere manier hangt er een mysterieuze sluier over de hele geschiedenis van de heilige Ark, waardoor er door de eeuwen heen allerlei vreemde legendes hieromtrent zijn ontstaan. Al deze legendes, theorieën alsook spectaculaire beweringen zullen wij één voor één in deze studiereeks nader onder de loep nemen, maar vooral gaan kijken wat de Bijbel over deze gouden verbondskist te zeggen heeft, die volgens de beschrijvingen van een oogverblindende schoonheid moet zijn geweest. In het eerste deel van deze studiereeks behandelden wij de vragen hoe de Ark er uit zag, hoe groot zij is geweest en tot welk doel zij is gebouwd en door wie. In het tweede en derde deel zullen wij aandacht besteden aan de vragen welke wonderen en tekenen er hebben plaatsgevonden die met de Ark in verband gebracht kunnen worden en of er sprake was van een bovennatuurlijk voorwerp waar een ongekende kracht van uit ging. Dat laatste is zeer zeker het geval, want in de eerste studie uit deze serie bleek al, dat de Ark des Verbonds als troon van de Eeuwige fungeerde. Zij was dus een voorwerp waar de hemel en de aarde samenkwamen. Met andere woorden: de Ark vormde een verbinding tussen de zichtbare en de onzichtbare wereld en geen ander voorwerp is dus hiermee te vergelijken en in heiligheid te evenaren, want zij is immers direct verbonden met de heiligheid van de Eeuwige zelf. Daarom werd de Ark der Getuigenis door haShem gebruikt als een kanaal waardoor Hij ongekende krachten kon laten zien aan Zijn volk, maar ook aan de vijanden van Zijn volk, zoals wij straks in deze studie zullen lezen. Ook koning David zag duidelijk de manifestatie van G’ds kracht door middel van de heilige Ark die hij in Tehilim [Psalmen] 132:8 met betrekking op haar plaats in de tempel bezong: “Sta op, Eeuwige, naar Uw rustplaats, Gij en de Ark Uwer sterkte!” De gouden Verbondskist, die hier door David ‘de Ark van G’ds sterkte’ wordt genoemd, had dus buitengewone krachten, en deze krachten alsook de vele wonderen rondom de Ark zullen wij in deel 2 en 3 van deze studiereeks nader onder de loep nemen. Zowel tijdens de oversteek over de rivier de Jordaan, alsook bij de verovering van de stad Yericho speelde de Ark, die vanaf het moment dat zij het land Israël binnengebracht werd, niet meer door de Kehatieten, maar uitsluitend nog door de Kohanim [de priesters] gedragen werd, een doorslaggevende rol. Laten wij deze teksten nu zeer nauwlettend doornemen en dieper ingaan op het mystieke karakter van de Ark des Verbonds.

 

 

De doortocht door de Jordaan

 

 

“Toen stond Yehoshua [Jozua] des morgens vroeg op, en hij en al de Israëlieten braken op van Shitim en kwamen tot aan de Jordaan, waar zij overnachtten, voordat zij overtrokken. Na verloop van drie dagen gingen de opzieners de legerplaats door en zij gaven het volk dit bevel: Zodra gij de Ark des Verbonds met de Eeuwige, uw G’d, ziet en de levitische priesters, die haar dragen, dan zult gij ook van uw plaats opbreken en achter haar aan trekken. Er zij echter tussen u en haar een afstand van ongeveer tweeduizend ellen lengte; komt niet dicht bij haar; opdat gij de weg moogt weten, waarlangs gij gaan zult, want langs die weg zijt gij noch gisteren noch eergisteren getrokken. En Yehoshua zeide tot het volk: Heiligt u, want morgen zal de Eeuwige in uw midden wonderen doen. Tot de priesters zeide Yehoshua: Neemt de Ark des Verbonds op en trekt over, voor het volk uit. Toen namen zij de Ark des Verbonds op en gingen voor het volk uit. En de Eeuwige zeide tot Yehoshua: Op deze dag zal Ik beginnen u groot te maken in de ogen van geheel Israël, opdat zij weten dat Ik met u zal zijn, zoals Ik met Moshe geweest ben. Beveel dan de priesters, die de Ark des Verbonds dragen: zodra gij gekomen zijt aan de oever van het water van de Jordaan, zult gij in de Jordaan blijven staan. Toen zeide Yehoshua tot de Israëlieten: Komt naderbij en hoort de woorden van de Eeuwige, uw G’d. Voorts zeide Yehoshua: Hieraan zult gij weten, dat de levende G’d in uw midden is en dat Hij zeker de Kenaänieten, de Chitieten, de Chivieten, de Perizieten, de Girgasieten, de Amorieten en de Yevusieten voor u uit verdrijven zal: Ziet, de Ark des Verbonds met de Eeuwige der ganse aarde trekt voor u over de Jordaan in. Welnu, neemt u twaalf mannen uit de stammen van Israël, uit elke stam één man. Zodra dan de voetzolen der priesters, die de Ark van de Eeuwige, de Eeuwige der ganse aarde, dragen, in het water van de Jordaan rusten, zal het water van de Jordaan afgesneden worden; het water, dat van boven afkomt, zal als een dam blijven staan. Het geschiedde nu, toen het volk uit zijn tenten opbrak om de Jordaan over te trekken, (de priesters die de Ark van het Verbond droegen, bevonden zich aan de spits van het volk) dat, zodra de dragers van de Ark aankwamen bij de Jordaan en de voeten der priesters, die de Ark droegen, aan de oever in het water gedompeld waren (de Jordaan nu was geheel buiten zijn oevers getreden gedurende de ganse oogsttijd) het water, dat van boven afkwam, bleef staan; het rees op als een dam, zeer ver weg bij Adam, de stad, die bezijden Tzaretan ligt, terwijl het water dat afvloeide naar de zee der Vlakte, de Zoutzee, volkomen werd afgesneden. Toen trok het volk over, tegenover Yericho. Doch de priesters die de Ark van het Verbond met de Eeuwige droegen, bleven onbeweeglijk staan op het droge, midden in de Jordaan, terwijl geheel Israël op het droge overtrok, totdat het ganse volk de overtocht over de Jordaan voleindigd had. Nadat het gehele volk de overtocht over de Jordaan voleindigd had, zeide de Eeuwige tot Yehoshua: Neemt u uit het volk twaalf mannen, uit elke stam één man, en beveelt hun: Neemt twaalf stenen op, hier midden uit de Jordaan, van de plaats waar de voeten der priesters onbeweeglijk staan, brengt ze met u naar de overzijde en legt ze in het kwartier, waar gij deze nacht zult doorbrengen. Toen riep Yehoshua de twaalf mannen, die hij uit de Israëlieten had aangesteld uit elke stam één man, en Yehoshua zeide tot hen: Trekt over, voor de Ark van de Eeuwige, uw G’d, naar het midden van de Jordaan, en heft u ieder een steen op de schouder, naar het getal van de stammen der Israëlieten, opdat dit een teken onder u zij. Wanneer uw kinderen later vragen: Wat hebben deze stenen voor u te betekenen? Dan zult gij tot hen zeggen: Dat de wateren van de Jordaan afgesneden werden voor de Ark van het Verbond met de Eeuwige; toen deze door de Jordaan trok, werden de wateren van de Jordaan afgesneden; daarom zullen deze stenen voor de Israëlieten tot een gedenkteken zijn voor altoos. De Israëlieten nu deden, zoals Yehoshua bevolen had. Zij lichtten twaalf stenen midden uit de Jordaan, zoals de Eeuwige tot Yehoshua gesproken had, naar het getal van de stammen der Israëlieten, en brachten ze met zich naar het nachtkwartier, waar zij ze neerlegden. Ook richtte Yehoshua twaalf stenen op midden in de Jordaan, op de plaats, waar de voeten der priesters die de Ark des Verbonds droegen, hadden gestaan; en zij zijn daar tot op de huidige dag. De priesters nu, die de Ark droegen, bleven midden in de Jordaan staan, totdat alles volbracht was, wat de Eeuwige Yehoshua bevolen had tot het volk te spreken, naar alles wat Moshe Yehoshua geboden had; en het volk trok met haast over. Toen het gehele volk de overtocht volbracht had, trok de Ark van de Eeuwige over en de priesters, voor de ogen van het volk. Ook trokken de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Menashe over, ten strijde toegerust, aan de spits der Israëlieten, zoals Moshe tot hen gesproken had, Ongeveer veertigduizend tot de strijd gewapenden; voor het aangezicht van de Eeuwige trokken zij over ten strijde, naar de vlakten van Yericho. Te dien dage heeft de Eeuwige Yehoshua groot gemaakt in de ogen van geheel Israël, zodat zij hem vreesden, zoals zij Moshe gevreesd hadden al de dagen van zijn leven. En de Eeuwige zeide tot Yehoshua: Beveel de priesters die de Ark der Getuigenis dragen, uit de Jordaan op te klimmen. En Yehoshua beval de priesters: Klimt op uit de Jordaan. Toen dan de priesters die de Ark van het Verbond met de Eeuwige droegen, uit het midden van de Jordaan opklommen, hadden de voetzolen der priesters zich nauwelijks losgemaakt en het droge betreden, of de wateren van de Jordaan keerden terug naar hun plaats en stroomden als tevoren langs zijn gehele oever. Het volk nu is uit de Jordaan opgeklommen op de tiende der eerste maand en zij legerden zich te Gilgal, aan de oostelijke grens van Yericho [Jericho].” (Yehoshua [Jozua] 3:1 t/m 4:19).

 

 

Na veertig lange jaren van omzwerven in de hete woestijn begon voor de Ark des Verbonds de tweede etappe van de reis: de intocht in het Beloofde Land. Het volk Israël stond onder leiding van Yehoshua [Jozua], de opvolger van Moshe [Mozes], aan de oever van de rivier de Jordaan. Opmerkelijk is in dit tekstgedeelte de vermelding van de plaats Shitim [Sittim], van waaruit de Israëlieten met de Ark opbraken naar deze grensrivier. Zoals wij in de vorige studie hebben gelezen was de Ark gebouwd van acaciahout. Het Hebreeuwse woord voor acacia is Shitim. En nu bleek de laatste pleisterplaats van de woestijntocht dezelfde naam te hebben. Toeval? Niets staat toevallig in G’ds Woord, want acaciahout ofwel Etzai Shitim in het Hebreeuws, is namelijk een houtsoort die, zoals men zegt, onvergankelijk is en dus uitermate geschikt voor de vervaardiging van de bewaarplaats van G’ds Getuigenis, die eeuwigheidswaarde heeft en zo geeft ook de naam van deze grensplaats aan, dat G’ds besluit, Zijn volk de rivier over te laten steken om het Land der Belofte in bezit te nemen, eeuwigheidswaarde heeft! Vanuit Shitim zijn de B’nei Yisra’el [de kinderen van Israël] naar de Jordaan gereisd. Ze hadden hun doel bijna bereikt en konden het al met het blote oog zien. Ze waren zo blij dat ze eindelijk verlost waren van de eindeloze zandwoestijn met haar verschroeiende hitte en de verschrikkelijke dorst die daarmee gepaard ging, want ook al zorgde de Eeuwige dat ze niets tekort kwamen, toch moesten ze zuinig omgaan met het drinkwater, dat hoe dan ook schaars was in de woestijn. Ik denk dat wij ons nauwelijks voor kunnen stellen hoe groot de hunkering in de harten van al deze honderd-duizenden geweest moest zijn, die hier stonden te wachten bij de grens van het land dat overvloeit van melk en honing. Zij zagen het Beloofde Land aan de overzijde liggen, dat de Eeuwige reeds aan Av’raham had toegezegd, maar om het land binnen te kunnen trekken, moest het volk eerst een grote hindernis nemen. De Jordaan versperde namelijk de toegang tot het land, en daarom moesten ze deze rivier eerst maar zien over te steken en dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Degenen onder u, die wel eens in Israël geweest zijn en de Jordaan met eigen ogen gezien hebben, zullen wel denken: Zo moeilijk zal dat toch wel niet geweest zijn? In vergelijking met rivieren als de Rijn, de Maas of de Waal is de Jordaan toch echt niet veel meer dan een beek, een smal riviertje met veel doorwaadbare plaatsen. Dat klopt inderdaad. Normaal gesproken is dat ook zo, maar niet altijd, want we moeten in dit verband namelijk wel rekening houden met het tijdstip waarop het volk Israël ging oversteken. Dat was immers op de tiende Nisan, dat is in de maand april, dus in de lente, de tijd van de gersteoogst en dat houdt in, dat de Jordaan dan geheel buiten zijn oevers is getreden. De sneeuwmassa’s op de berg Chermon in het Noorden van het land smelten dan namelijk en het ijskoude water komt vervolgens in wilde stromen naar beneden om zich een weg te banen naar de Yam Kineret [het meer van Galilea] en verder naar het zuiden door de smalle bedding van de Jordaan. Omdat dit kleine riviertje daardoor ver buiten zijn oevers treedt, is er als gevolg daarvan niet alleen een hoge waterstand, maar ontstaat er ook een alles meesleurende stroom om de watermassa’s af te voeren. Met andere woorden: ook al zouden er in andere jaargetijden nog vele doorwaadbare plaatsen in de Jordaan geweest zijn, maar op deze bewuste 10e Nisan was er echt geen denken aan, dat een compleet volk van bijna een miljoen mannen, vrouwen en kinderen, met al hun vee en bagage op ossewagens de overtocht zou aandurven zonder boten of veerponten, want die waren er niet. Toch zelfs als zij daar wel over hadden kunnen beschikken, dan nog is het de vraag of het überhaupt mogelijk geweest zou zijn om de rivier over te steken vanwege de sterke stroming. Zelfs een geoefende zwemmer zou hier echt niet doorheen gekund hebben. De bulderende watermassa’s van de Jordaan vormden dus een onoverwinbare barrière tussen de Israëlieten en het land dat de Eeuwige hen had toegezegd. Ze zagen het land der Belofte al voor zich liggen, maar hoe zouden ze daar nu inkomen? Wachten tot de droge zomer was geen optie, toch hoe moest nu deze scheiding overbrugd worden? Yehoshua, de man die door Moshe persoonlijk werd opgeleid om hem op te volgen als leider van het volk, wist als geen ander dat er op deze vraag slechts één antwoord was: Alleen de Eeuwige kon dat doen, want Hij heeft immers ook de wateren van de diepe Schelfzee gekliefd, zodat de Israëlieten daar veilig konden oversteken om aan het leger van de Farao te ontsnappen en de vrijheid tegemoet te gaan. Evenals Moshe destijds deed stelde ook Yehoshua in bijna dezelfde situatie zijn vertrouwen op de Eeuwige en gaf na drie dagen de leiders van het volk de opdracht, het kamp rond te gaan om de Israëlieten voor de volgende dag een zeer bijzondere instructie te geven: “Let op de Ark! Als jullie zien, dat de priesters de Ark van het Verbond met de Eeuwige, jullie G’d, gaan dragen, dan moeten jullie het kamp opbreken en de Ark volgen. Jullie zijn hier nooit eerder geweest, maar de Verbondskist zal jullie de weg wijzen! Zorg er wel voor, dat er een afstand van ongeveer tweeduizend ellen lengte tussen jullie en de Ark blijft! Kom niet te dicht in de buurt!” En Yehoshua droeg iedereen op zich te heiligen en zich innerlijk voor te bereiden op de grote dingen die stonden te gebeuren, want de Eeuwige zou de volgende dag een groot wonder doen, dat vergelijkbaar was met de wonderen die Hij deed ten tijde van Moshe. De volgende ochtend, op de tiende Nisan, vier dagen voor Pesach, gaf Yehoshua de priesters de opdracht, de Ark met de draagstokken op te tillen en plechtig in de richting van de Jordaan te lopen. Aan de oever van de rivier moesten zij stilstaan met de Ark op hun schouders. Yehoshua riep op een krappe kilometer afstand het volk bij elkaar om hen te bemoedigen met de woorden die Hij van de Eeuwige gekregen heeft, dat ze niet bang hoefden te zijn, want de Ark des Verbonds zou voor hen uit de Jordaan in gaan en hen over de rivier leiden. De G’d van Avraham, van Yitzchaq en van Ya’aqov, die destijds de Rietzee had drooggelegd, was immers in hun midden en zou ook de Jordaan droogleggen en hen veilig laten oversteken zoals Hij ook hun vaderen veilig liet oversteken en vervolgens alle vijanden voor hen op de vlucht jagen. Dat was toch echt wel een buitengewone bemoediging en zodra zijn toespraak beeindigd was, zette de priesterlijke stoet zich met de verbondskist, het symbool van G’ds tegenwoordigheid, op hun schouders weer in beweging om het Jordaanwater in te gaan. Gedurende de laatste veertig jaren was de Wolk- en Vuurkolom het zichtbare bewijs van G’ds nabijheid, nu was het de Ark des Verbonds. Evenals destijds niemand in de onmiddelbare nabijheid van de Wolkkolom en van de Vuurkolom kon komen, zo moest er nu ook tussen de priesters met de Ark en het volk een grote afstand zijn. Ten eerste vanwege de heiligheid van de Ark en ten tweede omdat slechts enkelen de Ark daadwerkelijk zouden hebben gezien als iedereen vlak achter de priesters zou zijn gaan lopen; maar op grote afstand konden nu allen met eigen ogen zien, dat de Eeuwige Zelf door middel van de Ark voorop ging. Dat was een enorme bemoediging voor hen, die vreesden door de wilde stroom meegesleurd te worden. De priesters stapten zonder te aarzelen het water in, de Ark met de Getuigenis erin op hun schouders dragend. En wat er toen gebeurde, geldt ook voor de toekomst, want er staat geschreven: “Wanneer gij door het water trekt, ben Ik met u; gaat gij door rivieren, zij zullen u niet wegspoelen!” (Yeshayahu (Jesaja) 43:2a). En inderdaad, toen gebeurde opeens het grote wonder: Zodra de priesters, die de Verbondskist droegen, in de Jordaan stapten en hun voeten door het water werden omspoeld, kwam de bulderende stroom plotseling tot stilstand en rees op als een dam! Daardoor werd het water dat naar de Dode Zee stroomde geheel afgesneden tot de rivierbedding droog stond en daarmee een gebaande weg voor G’ds volk ontstond. Het leek net alsof een reusachtige hand de watermassa tegenhield als een onzichtbare waterkering! Dat valt op geen enkele wijze wetenschappelijk te verklaren, want dit bovennatuurlijk verschijnsel was een geweldige manifestatie van G’ds almacht! Hij deed dit opdat alle volken op aarde zouden beseffen, hoe machtig de Eeuwige, de G’d van Israël is en hoe krachtig Hij ingrijpt om Zijn volk te beschermen! De priesters beseften dit maar al te goed en vol ontzag liepen zij met de Ark verder tot in het midden van de droge rivierbedding. Daar aangekomen bleven zij staan. Het volk volgde de Ark des Verbonds op een eerbiedige afstand. En zo trok geheel Israël langs de Ark die op de schouders van de priesters stilstond midden in de Jordaan, en iedereen begreep terdege, dat deze de toegang tot het Beloofde Land opende. Allen waren zich zeer bewust van het voorrecht, dat zij geen kwaad hoefden te vrezen zolang de priesters met de Ark midden in de droge bedding van de Jordaan steevast bleven staan. Omdat zij vanuit de overlevering van hun vaderen op de hoogte waren van het wonder bij de Rietzee, wisten de mannen, vrouwen en kinderen van Israël wel zeker, dat het water dat iets verderop als een dam omhoog rees, geen kans zou krijgen om hen te overstromen, want de hand van de Eeuwige hield het water tegen. Daarom kon G’ds volk zonder vrees door de droge rivierbedding trekken, langs de Ark des Verbonds, en veilig zijn voet zetten op de oever van het Beloofde Land. Midden in de Jordaan bleven de priesters staan met de Ark totdat ook de laatste Israëliet aan de overkant was aangekomen. De rivierbedding bleef droog totdat uiteindelijk ook de priesters met de Ark de rivier verlieten, nadat het gehele volk was overgestoken en in Yehoshua [Jozua] 4:18 lezen wij dat de wateren van de Jordaan hun loop hervatten, zodra de Kohanim met de Verbondskist waren opgeklommen uit de Jordaan. De overeenkomst van de tocht door de Jordaan met de tocht door de Schelfzee is verbluffend en werd door de psalmist eerbiedig bezongen: “Komt en ziet G’ds daden; Hij is geducht in Zijn doen jegens de mensenkinderen: Hij veranderde de zee in het droge, te voet trokken zij door de rivier!” (Tehilim [Psalmen] 66:5-6). Zo was het, toen Israël door de Rietzee ging en zo was het ook nu. Opnieuw toonde de Eeuwige Zijn macht en baande door middel van de Ark een weg door de bruisende wateren van de ver over zijn oevers getreden Jordaan, om Zijn volk Israël toegang te verlenen tot het Beloofde Land, het land dat overvloeide van melk en honing! De uittocht uit Egypte, het land van hun slavernij en de intocht in het Beloofde Land werden beiden gekenmerkt door bovennatuurlijke verschijnselen, waarbij de Eeuwige beide keren gebruik maakte van speciale voorwerpen. Bij de doortocht door de Schelfzee was de staf van Moshe [Mozes] het middel om de wateren te splijten, maar bij de tocht door de Jordaan was dat de Ark des Verbonds. Nadrukkelijk wordt in dit relaas beklemtoond dat het wonder van de doortocht te danken was aan de Verbondskist. De kracht van haShem, die van de Ark uitging, maakte de overtocht door de Jordaan mogelijk, die onmiddellijk droog viel toen de voeten van de priesters die hem droegen, het water raakten. Op bevel van de Eeuwige werden twaalf stenen als gedenktekens opgestapeld in de legerplaats te Gilgal, voor elke stam één steen, en ook twaalf stenen op de plaats waar de priesters met de Ark hadden gestaan midden in de Jordaan. Het doel hiervan was om het nageslacht eraan te laten herinneren, dat de wateren van de Jordaan afgesneden werden voor de Ark van het Verbond met de Eeuwige, toen deze de rivier overstak. Deze stenen zullen een voortdurende herinnering zijn aan dit verbazingwekkende wonder! Daarom schrijft de profeet Micha vele eeuwen later: ‘Mijn volk, zegt de Eeuwige… Herinnert u zich niet meer Shitim (de laatste pleisterplaats voor de doortocht door de Jordaan) tot Gilgal (de eerste pleisterplaats in het Beloofde Land) en hoe Ik u toen heb gezegend?” (Micha [Micha] 6:5). Toch ook de datum waarop de doortocht plaats vond, was niet toevallig. Niet voor niets lezen we in Yehoshua [Jozua] 4:19, dat het volk de overkant van de Jordaan op de tiende van de eerste maand bereikte, want was het niet ook op de tiende Nisan, dat het lam apart werd gezet dat op de veertiende Nisan geslacht zou worden en waarvan het bloed op de deurposten werd gestreken waardoor de engel des doods aan de woningen der Israëlieten voorbijging om daarmee de bevrijding uit de slavernij in Egypte mogelijk te maken? Op deze tiende Nisan begon dus het proces, dat vijf dagen later zou resulteren in de uittocht uit Egypte en daarom is het beslist geen toeval dat precies op dezelfde datum de intocht in het Land der Belofte plaats vond, waarbij de Ark des Verbonds een centrale rol speelde. De volgende wonderbaarlijke gebeurtenis waarin deze gouden Verbondskist een zeer belangrijke plaats ingenomen heeft vinden wij in het verhaal over het wonderlijke instorten van de muren van Yericho [Jericho], dat wij nu gaan lezen:

 

 

De val van Yericho

 

 

“Terwijl de Israëlieten te Gilgal gelegerd waren, vierden zij het Pesach [Pascha] op de veertiende dag van die maand, des avonds, in de vlakten van Yericho [Jericho]; en zij aten, daags na het Pesach, van de opbrengst van het land, ongezuurde broden en geroost koren, op dezelfde dag. En het manna hield op, daags nadat zij van de opbrengst van het land hadden gegeten. Dus hadden de Israëlieten geen manna meer, maar zij aten dat jaar van wat het land Kanaän opleverde. Het gebeurde nu, terwijl Yehoshua bij Yericho was, dat hij zijn ogen opsloeg. Zie, daar stond een man tegenover hem met een uitgetrokken zwaard in de hand. Yehoshua trad op hem toe en vroeg hem: Behoort gij tot ons of tot onze tegenstanders? Doch hij antwoordde: Neen, maar ik ben de Vorst van het leger van de Eeuwige. Nu ben ik gekomen. Toen wierp Yehoshua zich op zijn aangezicht ter aarde, boog zich neer en zeide tot hem: Wat heeft mijn Heer tot Zijn knecht te zeggen? En de Vorst van het leger van de Eeuwige zeide tot Yehoshua: Doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop gij staat, is heilig. En Yehoshua deed dit. Intussen had Yericho de poort gesloten; het was volkomen gesloten voor de Israëlieten; niemand kon daar uit of in gaan. En de Eeuwige sprak tot Yehoshua: Zie, Ik geef Yericho met zijn koning, de krachtige helden, in uw macht. Gij moet om de stad heen trekken, terwijl alle krijgslieden eenmaal om de stad heen gaan; zo moet gij zes dagen doen, terwijl zeven priesters zeven ramshorens voor de Ark uit dragen. Maar op de zevende dag moet gij zevenmaal om de stad heen trekken en de priesters zullen op de horens blazen. Wanneer men op de ramshoorn de toon aanhoudt en gij het geluid van de hoorn verneemt, dan moet het gehele volk een luid gejuich aanheffen en de stadsmuur zal ineenstorten en het volk moet daarop klimmen, ieder recht voor zich uit. Toen riep Yehoshua, de zoon van Nun, de priesters en zeide tot hen: Neemt de Ark des Verbonds op en laten zeven priesters zeven ramshorens dragen voor de Ark van de Eeuwige uit. En tot het volk zeide hij: Trekt voort en gaat om de stad heen en laten de gewapenden voor de Ark van de Eeuwige uit trekken. Zodra Yehoshua tot het volk gesproken had, trokken de zeven priesters, die de zeven ramshorens voor het aangezicht van de Eeuwige droegen, voort en bliezen op de horens, terwijl de Ark van het Verbond met de Eeuwige hen volgde. En de gewapenden gingen voor de priesters uit, die de horens bliezen, en de achterhoede kwam achter de Ark aan, terwijl er voortdurend op de hoorn geblazen werd. Yehoshua nu had het volk bevolen: Gij zult niet juichen en uw stem niet laten horen, ja, laat er geen woord uit uw mond uitgaan tot op de dag, dat ik u zeg: Juicht! Dan moet gij juichen. Dus trok de Ark van de Eeuwige om de stad, eenmaal rondgaande. Daarop kwamen zij in de legerplaats en overnachtten in de legerplaats. En Yehoshua stond des morgens vroeg op en de priesters namen de Ark van de Eeuwige op. De zeven priesters nu, die de zeven ramshorens voor de Ark van de Eeuwige uit droegen, gingen heen en bliezen al gaande op de horens, en de gewapenden gingen voor hen uit en de achterhoede kwam achter de Ark van de Eeuwige aan, terwijl er voortdurend op de hoorn geblazen werd. Dus trokken zij op de tweede dag eenmaal om de stad heen en keerden terug in de legerplaats. Aldus deden zij zes dagen. Op de zevende dag echter stonden zij vroeg op, zodra de dageraad gekomen was, en trokken op dezelfde wijze zevenmaal om de stad heen; alleen op die dag trokken zij zevenmaal om de stad heen. Toen de priesters bij de zevende maal op de horens bliezen, zeide Yehoshua tot het volk: Juicht, want de Eeuwige heeft u de stad gegeven! Doch de stad en al wat erin is, zal door de ban de Eeuwige gewijd zijn; alleen de hoer Rachav zal in leven blijven, zij en allen die met haar in het huis zijn, omdat zij de boden die wij uitgezonden hadden, heeft verborgen. Gij echter, neemt u in acht voor het gebannene, opdat gij niet, terwijl gij met de ban slaat, van het gebannene neemt en de legerplaats van Israel onder de ban brengt en in het ongeluk stort. Al het zilver en goud en de koperen en ijzeren voorwerpen zullen de Eeuwige heilig zijn: het zal bij de schat van de Eeuwige komen. Het volk dan juichte, terwijl men op de horens blies; zodra het volk het geluid van de hoorn vernam, hief het een luid gejuich aan. En de muur stortte ineen, en het volk klom de stad binnen, ieder recht voor zich uit, en zij namen de stad in.” (Yehoshua [Jozua] 5:10 t/m 6:20).

 

 

In de vorige hoofdstukken lazen wij, dat de Eeuwige de Ark des Verbonds gebruikt heeft om Zijn volk te beschermen tegen de alles meesleurende watermassa’s en veilig naar het Beloofde Land te brengen, maar in hoofdstuk 6 werd de Ark door Hem ingezet als aanvalswapen om de heidense stad Yericho te veroveren, en deze keer in combinatie met het blazen van zeven Shof’rot. Naar menselijke begrippen waren het zeer merkwaardige oorlogshandelingen, die de Israëlieten verricht hebben om deze stad in handen te krijgen. Deze veldtocht sloot niet aan bij de bestaande strijdmethoden, want er werd helemaal niet gevochten, maar slechts zeven maal met de Ark rondom de belegerde stad gemarcheerd. De centrale rol die de Verbondskist hierbij speelde wordt zeer begrijpelijk voor ons als wij ons hierbij voor ogen houden, dat de Ark een beeld is van Yeshua haMashiach ofwel Imanu’el: G’d met ons! De Ark des Verbonds bracht samen met de zeven Shof’rot de sterke muren van deze vesting tot instorten! Waarom op deze manier en niet op de wijze zoals normaalgesproken een stad belegerd en veroverd werd? Wel, laten we even goed tot ons doordringen wat we zojuist gelezen hebben. Nadat het volk Israël de Jordaan was overgestoken, legerde het zich te Gilgal, dat op een steenworp afstand iets ten noordoosten van Yericho lag. Deze plaats, waar ze besneden werden en waar ze Pesach gevierd hadden, gebruikten ze als uitvalsbasis en naar deze plaats keerden ze elke avond weer terug, want daar bleven de vrouwen, de kinderen en de bejaarden met het vee en de bagage tijdens de veldtocht achter. De stad Yericho lag 250 m onder de zeespiegel ten westen van de Jordaan, ongeveer 9,5 km ten noorden van de Dode Zee in een bloeiende, subtropische oase en werd daarom in D’varim [Deuteronomium] 34:3 en Shof’tim [Richteren] 3:13 haT’marim [Palmenstad] genoemd. De naam Yericho hangt nauw samen met die van de maangod Yarach. Maan is in het Hebreeuws Yareach. Yericho was dus een stad waar de maan aanbeden werd en afgoderij hoogtij vierde en was derhalve één van de steden waarvan de Eeuwige gezegd heeft, dat die met de ban geslagen moesten worden. Maar de voornaamste reden om Yericho te veroveren was het feit, dat dit vijandelijke bolwerk Israël de verdere toegang tot het land versperde. Yericho was een strategisch belangrijke stad. Als de Israëlieten die in handen zouden krijgen, dan zou het hele land voor hen open liggen, maar zolang dat nog niet het geval was stond de Palmenstad behoorlijk in de weg. Men kon daar letterlijk niet omheen. Yericho moet in die dagen wel een hele sterke vesting geweest zijn met ondoordringbare dikke muren, waarachter de bewoners zich veilig voelden en van waaruit men de hele omgeving uitstekend in de gaten kon houden. Elke vijand kon men al vanuit de verte zien aankomen en hem daardoor de doortocht onmogelijk maken. Yericho nam daarmee dus een sleutelpositie in en was daarom doelbewust gebouwd als indrukwekkende, schijnbaar onneembare vesting om elke potentiële aanvaller te ontmoedigen. Toch om het Beloofde Land binnen te kunnen trekken moesten de Israëlieten koste wat het kost eerst deze blokkade uit de weg ruimen, maar bij het zien van die hoge dikke muren zal men zich wel afgevraagd hebben hoe zo een sterke stad als Yericho ooit zou worden ingenomen? In vergelijking met dit bolwerk stelden de steden op het Overjordaanse niet zo veel voor, maar dit was toch wel iets anders! Katapulten hadden ze niet en hun bogen, slingers, en speren waren niet opgewassen tegen de versterkte muren van Yericho. Zij wisten dus maar al te goed, dat ze deze strijd uit eigen kracht nooit zouden kunnen winnen. Dat kon alleen met de hulp van de Eeuwige. Yehoshua wist dat als geen ander na de ontmoeting die hij de nacht daarvoor met de Aanvoerder van het hemelse leger van haShem heeft gehad. Deze Engel was volgens mij niemand minder dan de Eeuwige Zelf, die de hemelse legers aanvoerde, want dat blijkt uit dezelfde instructie, die destijds ook Moshe [Mozes] kreeg bij de brandende braamstruik: “Trek je sandalen uit, want de plek waarop je staat, is heilige grond!” Daarom besefte Yehoshua, dat dit een geestelijke strijd was die niet met menselijke wapens kon worden gestreden, want het was niet alleen een strijd tegen de volken die in Kanaän woonden, maar op de eerste plaats een strijd tegen hun goden, die in feite niets anders waren dan demonische machten. De Eeuwige zelf zou opnieuw Zijn almacht aan een ieder tonen door middel van de Ark zoals Hij dat ook gedaan heeft bij de tocht door de Jordaan, die de inwoners van Yericho vanuit de verte met een bevend hart konden gadeslaan. Daarom werden zij verlamd door angst voor de Israëlieten en de moed zakte hen in de schoenen. De poorten van dit zo sterke bolwerk werden intussen wanhopig afgegrendeld omdat de angst voor G’ds volk hun om het hart sloeg, want voor hun poorten stond immers een geweldig leger van zeshonderdduizend zevenhonderd dertig man, zoals we in B’mid’bar [Numeri] 26:51 konden lezen. Maar eigenlijk hoefden ze daar in Yericho helemaal niet bang te wezen, want als ze dezelfde houding hadden aangenomen als destijds de inwoners van Nineve en zich hadden bekeerd van hun afgoderij en zedeloosheid, dan zou de Eeuwige hen net zo als dezen gespaard hebben. Maar ze bekeerden zich niet en hielden hun poorten hermetisch gesloten. Daarom zei de Eeuwige tegen Yehoshua: “Yericho, zijn koning en al zijn machtige strijders zijn al verslagen, want Ik heb hen in uw macht gegeven!” Daarna kreeg Yehoshua van de Eeuwige te horen hoe hij de verovering van de stad moest aanpakken: “Uw hele leger moet zes dagen lang om de stad heen trekken, alle weerbare mannen moeten één keer per dag om de stad gaan. Er moeten zeven priesters met zeven ramshoorns voor de Ark van het Verbond uit lopen. Maar op de zevende dag moeten jullie zevenmaal rond de stad trekken terwijl de priesters op de ramshoorns blazen. Zodra zij dan op een gegeven moment het geluid zullen aanhouden en jullie een langgerekte, harde toon zullen horen, (dat zal wel de hlvdg hiyqt T’qia g’dola geweest zijn), dan moet het hele volk in luid gejuich losbarsten! Dan zullen de muren van de stad instorten en jullie zullen dan van alle kanten de stad binnenvallen, ieder vanaf de plaats waar men zich bevindt!” Ik weet niet of u het al door had, maar deze instructies die de Eeuwige aan Yehoshua gaf, vormden nog steeds een onderdeel van het gesprek met de Aanvoerder van het hemelse leger, dat in hoofdstuk 6 vers 1 slechts onderbroken werd met de mededeling dat de stadspoort intussen gesloten was, en vanaf vers 2 weer voortgezet werd. Uit vers 2 blijkt overigens, dat de Eeuwige zelf hier aan het woord was. Nadat Yehoshua te horen heeft gekregen op welke manier de stad ingenomen zou worden, riep hij de priesters en de leiders van het volk naar zich toe en gaf hun de nodige bevelen voor de volgende dag. Tegen de Kohanim zei hij: “Neem de Ark des Verbonds op jullie schouders en laat zeven priesters met zeven ramshoorns voor de Verbondskist uit gaan.” Tegen de legerleiders zei hij: “De gewapende mannen moeten de stoet aanvoeren. Trek dus op naar de stad, loop eromheen en laat de voorhoede van het leger voor de Ark van de Eeuwige uit gaan, gevolgd door de achterhoede. Laat niemand zijn mond opendoen totdat ik u zeg dat u moet juichen!” Het gebeurde zoals Yehoshua hen had opgedragen. Niemand had blijkbaar op- of aanmerkingen over deze vreemde militaire strategie, die dus op geen enkele wijze werd betwijfeld of bekritiseerd. Zodra hij de priesters en legeraanvoerders dit bevel had gegeven, werd de stoet gevormd. Zeven priesters gingen al blazend op zeven ramshoorns voor de Verbondskist uit en trokken naar de stad. De Ark van het Verbond met de Eeuwige kwam dus achter hen aan, de voorhoede ging voor de priesters uit die de ramshoorns bliezen en de achterhoede volgde de Ark. Yehoshua liet de Verbondskist één keer om de stad heen dragen. Daarna gingen ze terug naar het kamp in Gilgal en brachten daar de nacht door. De volgende ochtend stond Yehoshua vroeg op. De priesters namen de Ark des Verbonds weer op hun schouders, de zeven priesters liepen opnieuw blazend op de ramshoorns voor de Verbondskist uit, en met zijn allen maakten zij weer een rondgang langs de stadsmuren. Ook deze tweede dag trokken ze slechts één keer met de Ark om de stad heen en gingen daarna terug naar het kamp. Zo deden ze zes dagen lang. De Israëlietische soldaten hoefden dus verder niet in actie te komen. Zij hoefden de stad niet te bestormen, want de verovering van Yericho was immers meer een g’dsdienstige dan een militaire aangelegenheid, en daarom speelden de priesters hier dan ook een belangrijkere rol dan de soldaten omdat zij namelijk door hun functie in de tegenwoordigheid van haShem verkeerden. Zij droegen de Ark en zij bliezen op de Shofar. De gewapende strijders moesten alleen stilzwijgend rondom de stad trekken, zes dagen achter elkaar. Het enige dat werd gehoord, was het geluid van de ramshoorns. En op de zevende dag moest die stille omgang zelfs zeven keer plaatsvinden, steeds met de Ark des Verbonds in het midden van de stoet. De opdracht, om de stad heen te lopen, heeft in hun ogen misschien niet direct iets aan het neerhalen van de muur bijgedragen, maar ze waren er wel door onder de indruk gekomen hoe sterk de muur was omdat ze die elke dag van dichtbij gezien hebben. Daar was veel moed en geloof voor nodig, want het was best wel gevaarlijk wat ze deden en ze namen vanuit militair oogpunt gezien een groot risico. Ze liepen namelijk zo dichtbij de muren en dan ook nog aaneengesloten in formatie dat zij daarmee een makkelijk doelwit vormden om met pijlen, speeren en stenen bestookt te worden. Ook liepen ze het gevaar dat bij een eventuele uitval de Ark veroverd had kunnen worden. Maar de Verbondskist zorgde er juist voor dat dit niet gebeurde! Als de Ark, die een beeld was van de Mashiach Yeshua, er niet bij was geweest, dan was deze hele veldtocht voor de Israëlieten daadwerkelijk in een drama geëindigd. Toch ondanks de sterke zekerheid van deze mannen, dat de kracht van hun leger alleen bij de Ark te vinden was, bleef elke nieuwe dag voor hen toch steeds weer een beproeving. Het was dus echt niet zo, dat hun optocht niets voorstelde. Integendeel! Hun geloof en hun vertrouwen op de Eeuwige werd daarmee behoorlijk op de proef gesteld, elke dag opnieuw! Al die tijd leek het alsof er geen enkele vooruitgang werd geboekt, want elke dag stonden de dikke stadsmuren van Yericho namelijk nog net zo stevig overeind als de dag daarvoor. Alles bleef zoals het was. Zes dagen lang! Maar net zo stevig als de muren van Yericho, zo stevig was ook het geloof van de B’nei Yis’rael, want ze wisten dat ze niet naar de muur moesten kijken, maar naar de Ark. Daarin lag hun kracht! Maar in de bonzende harten van de inwoners van Yericho zullen daarentegen wel veel overleggingen zijn geweest. Wat moeten zij wel gedacht hebben toen ze vanuit de muren en torens de optocht van de priesters met de Ark en de Shof’rot gadesloegen? Wat waren die Israëlieten toch aan het doen? In plaats van stormrammen en aanvalstorens brachten ze slechts één object naar het strijdtoneel waarvan niemand wist waartoe het diende. Was het een geheim wapen? Wat was dat toch voor een vreemd voorwerp, dat ze met zich mee droegen en zo geheimzinnig door dikke kleden aan het oog onttrokken? Aan de twee gouden draagstokken te zien, die in de felle zon fonkelden, leek het wel een soort gouden schrijn te zijn zoals ze die al eerder bij de Egyptenaren hadden gezien. Maar waarvoor diende het en wat deden de mannen in het wit daarmee? Helemaal niets! Ze droegen het alleen, verder niets. Het deksel ging niet open en dus bleek er geen geheim wapen in te zitten. En dan die zeven andere in oogverblindend wit geklede mannen, die onophoudelijk in hun ramshoorns bliezen. Waarom deden ze dat? Kijk, dat in een hoorn geblazen werd als signaal om aan te vallen was in elk leger normaal, maar deze hoornblazers stopten niet! Ze bleven maar de longen uit hun lijf blazen, maar aanvallen deden ze niet! In plaats van aan te vallen marcheerde het leger voor en achter dat vreemde voorwerp en bleef maar rondjes lopen rondom de stad. Het leek eerder een optocht dan een krijgstocht. De wachters op de muren van Yericho keken hun ogen uit. Dat kon toch echt geen normale belegering meer genoemd worden? Geen stormrammen, geen aanvalstorens, geen ladders, geen katapulten, helemaal niets! Niet eens boogschutters werden door de Israëlieten ingezet. Slechts een paar witte ‘baardmannen’ die op hun ramshoorns bliezen en de anderen die het mysterieuze voorwerp met zich mee sjouwden. De rest liep er maar bij. Ik zou mij best kunnen voorstellen dat de soldaten op de muren zich bij het zien van dit vreemde tafereel toch wel enigszins onbehaaglijk gevoeld moeten hebben omdat ze geen flauw idee hadden wat hen te wachten stond. Zoiets hadden nooit eerder meegemaakt en spoedig zou blijken dat ze dat ook nooit meer zouden meemaken. Bij het aanbreken van de zevende dag stonden ze vroeg op en trokken ze weer vanuit Gilgal met de Ark des Verbonds naar Yericho. Maar deze keer liepen ze niet éénmaal, maar zevenmaal om de stad heen onder voortdurend Shofargeschal. En bij de zevende keer, toen de priesters de T’qia g’dola lieten horen, een langgerekte toon, riep Yehoshua met luide stem tegen het volk: “Juicht! Want de Eeuwige heeft u de stad in handen gegeven! Maar op de stad en alles wat erin is rust de ban van de Eeuwige en moet vernietigd worden!” Mogelijk konden de inwoners van Yericho alles horen wat hij zei en zullen daar erg van geschrokken zijn. Yehoshua zei verder, dat alleen Rachav in leven mocht blijven, samen met iedereen die in haar huis was, en hij riep zijn leger op om te onthouden dat zij de stad niet mochten plunderen. Nadat hij uitgesproken was begon het volk te juichen onder het oorverdovend geschal van de ramshoorns. Toen stortte opeens de hele stadsmuur in! Van alle kanten stroomden de Israëlieten de stad binnen, namen haar in en legden haar in de as. Wat hierbij bijzonder opvalt is het feit, dat in het verslag van de verovering van Yericho steeds gesproken wordt over het getal 7: zeven Kohanim [priesters] met zeven Shof’rot [ramshoorns], zeven stille optochten rondom de muren van de stad op zeven achtereenvolgende dagen en op de zevende dag zelfs zeven keer! Waarom zeven dagen lang? Opdat de gewapende mannen van Israël enerzijds hun eigen machteloosheid en anderzijds de kracht van haShem zouden leren kennen. Zeven is het getal van de volmaaktheid en dat gaf aan G’ds volk de zekerheid, dat de Eeuwige in hun midden was en dat Hij deze hele veldtocht volledig in Zijn hand had. Dat is inderdaad op die laatste grote dag gebleken. Het geloof van de Israëlieten werd niet beschaamd, want “Door het geloof zijn de muren van Yericho neergestort, nadat het volk er zeven dagen lang omheen getrokken was,” lezen wij in Iv’rim [Hebreeën] 11:30! Er zijn weliswaar door ongelovige wetenschappers talrijke natuurkundige verklaringen geopperd die het instorten van die dikke muren volgens hen veroorzaakt zouden hebben, zoals o.a. een aardbeving. Toch deze beweringen zijn niet hard te maken, want het zou toch wel heel erg toevallig geweest zijn, dat een aardbeving de hele muur had doen instorten, maar uitgerekend het gedeelte van de muur waarop het huis van Rachav stond, gespaard bleef. Nee, voor de val van Yericho is volgens mij geen menselijke verklaring te geven, maar kan alleen aan de kracht van haShem worden toegeschreven die door de Ark en het geloof werkzaam was. Rachav werd gespaard, omdat zij had geloofd ( [Hebreeën] 11:31). Weet u, misschien vindt u het wreed, dat de hele bevolking van Yericho werd gedood behalve Rachav en haar dierbaren, maar de Eeuwige is rechtvaardig! Alle inwoners van Yericho hadden kunnen geloven als Rachav, want zij wisten intussen maar al te goed wie de Eeuwige is, wat duidelijk blijkt uit hetgeen Rachav tegen de verspieders gezegd heeft: ”Want wij hebben gehoord, dat de Eeuwige de wateren van de Schelfzee voor uw ogen heeft doen opdrogen, toen gij uittoogt uit Egypte, en wat gij gedaan hebt aan de beide koningen der Amorieten aan de overzijde van de Jordaan, Sichon en Og, die gij met de ban geslagen hebt. Toen wij dat hoorden, versmolt ons hart en vanwege u bleef bij niemand meer enige moed over, want de Eeuwige, uw G’d, is een G’d in de hemel boven en op de aarde beneden.” (Yehoshua [Jozua] 2:10-11). Volgens Rachav wisten deze mensen dus precies wat ze te wachten stond, maar in plaats van zich te bekeren zoals Rachav deed, bleven ze zich verzetten tegen de G’d van Israël en volharden in hun zondig leven. Yericho bleef dus tot het laatst een bolwerk van afgoderij en zedeloosheid en daarom werd deze stad van verderf na haar verwoesting door Yehoshua in vers 26 vervloekt! Deze vloek werd letterlijk vervuld in M’lachim alef [1 Koningen] 16:30-34. Ten tijde van Yehoshua en daarvoor lag Yericho op de Tall as-Sultān, een ruïneheuvel 2,5 km ten noordwesten van de huidige stad Ariha op de Westbank, ongeveer 7 km ten westen van de Jordaan. De historische verovering van Yericho zoals beschreven in het boek Jozua werd lange tijd door talrijke wetenschappers in twijfel getrokken. Hierbij spelen vooral archeologische argumenten een rol. Het oude Yericho werd in de jaren 1907 tot 1909 opgegraven door E. Sellin en C. Watzinger, maar als gevolg van de toenmalige ontoereikende methoden waren de resultaten zeer gebrekkig. In de jaren 1930 tot 1936 had de archeoloog John Garstang in de ruïneheuvel Tall as-Sultān een ineengestorte dubbele stadsmuur opgegraven, die door een hevige brand of door een aardbeving scheen te zijn verwoest. Hij legde ook een stadsgebied bloot waarvan hij aannam dat het verdedigd werd door de opgegraven muur. Garstang dateerde de ondergang van die stad omstreeks 1400 voor de gewone jaartelling, wat in overeenstemming leek te zijn met de datering van de Intocht op grond van gegevens in de Bijbel. Garstang schreef de verwoesting daarom ook toe aan de Israëlieten onder leiding van Jozua. Deze datering was, vanwege het belang voor de inneming van het land door de Israëlieten, daarom het onderwerp van heftige discussies. In de jaren 1952 tot 1958 vonden onder leiding van de archeologe Kathleen Kenyon opnieuw opgravingen plaats in Yericho, die echter tot volledig nieuwe inzichten leidden. Zij vond het namelijk onmogelijk om voor de val van Yericho zoals beschreven in het boek Jozua met zekerheid deze datum vast te stellen, omdat volgens haar de verwoesting van de stadsmuur niet in het laat-Brons, maar in het vroeg-Brons plaatsvond en naar haar mening geen enkel verband met de inneming van het land door de Israëlieten kon hebben. Kenyon kwam tot de conclusie, dat er in laat-Brons, de tijd waarin tot dan toe vele geleerden de Intocht van Israël dateerden, er geen versterkte stad Yericho meer bestond. Kenyons datering van de verwoesting van de laatste versterkte stad Yericho in omstreeks 1550 voor de gewone jaartelling gold jarenlang als onomstreden en talrijke wetenschappers hebben daardoor het geloof in de historische betrouwbaarheid van de Bijbel verloren. Toen Kathleen Kenyon in 1978 overleed, waren haar opgravingsresultaten echter nog niet volledig uitgewerkt, waardoor al haar conclusies dan ook slechts op voorlopige rapporten gebaseerd waren. De archeoloog Bryant G. Wood publiceerde echter in het tijdschrift "Biblical Archaeology Review" van maart/april 1990 een artikel met verrassende inzichten over Yericho met bewijzen, die Garstang's vroegere conclusie ondersteunen dat deze stad in ongeveer 1400 voor de gewone jaartelling verwoest werd en daarmee een verrassend nieuw licht wierp op de gegevens die tijdens de eerder genoemde opgravingen in Tall as-Sultān onder leiding van Kathleen Kenyon verzameld waren. Hij toonde in zijn artikel aan, dat de voorbarige conclusie van Kathleen Kenyon over de datering van de verwoesting van Yericho niet in overeenstemming was met haar eigen vondsten. Wood onderwierp de van 1981 t/m 1983 verschenen verslagen namelijk aan een nauwkeurig onderzoek en kwam tot de conclusie dat Kenyon misschien terecht de datering van de door Garstang opgegraven muur afwees, maar dat zijn datering van het door hem opgegraven deel van Yericho juist was. Wood merkte op, dat Kenyon vrijwel uitsluitend uit het ontbreken van uit Cyprus geïmporteerd luxe aardewerk tot haar conclusie gekomen moet zijn, dat de stad dus rond 1550 v.d.g.j. verwoest moest zijn. Uit haar eigen opgravingsverslagen, die Wood nauwgezet bestudeerde, bleek echter, dat Kenyon slechts de resten van eenvoudige huizen gevonden heeft omdat zij haar opgravingen in een arme wijk van de stad over een oppervlakte van slechts 60 m² verricht had en om deze reden daar geen luxe aardewerk uit Cyprus aangetroffen heeft. Toen Wood de rapporten van Garstang’s opgravingen bestudeerde, maakte hij de sensationele ontdekking, dat Garstang, die in een ander deel van dezelfde laag, in de buurt van het koninklijke paleis gegraven had, in tegenstelling tot Kenyon wel degelijk een aanzienlijke hoeveelheid van dat luxe aardewerk uit Cyprus gevonden had, maar omdat men in de jaren dertig met dit soort aardewerk nog niet bekend was, werd het in de verslagen slechts zijdelings vermeld. Wood zette in zijn artikel een aantal opmerkelijke overeenkomsten op een rijtje tussen de vondsten bij de opgravingen en wat we hierboven in het kader van deze bijbelstudie gelezen hebben:

 

1.De door Garstang en Kenyon opgegraven stad Yericho was versterkt als een vesting en was omgeven door twee dikke muren (Yehoshua [Jozua] 2: 15 alsook 6:5 en 20). Beneden aan de helling stond aan de buitenrand van de heuvel waarop de stad gebouwd was een twee meter dikke en vier meter hoge vestingmuur van ongehouwen natuurstenen. Aan de voet van een bakstenen muur bovenaan de rand van de heuvel bevond zich een bolwerk waarop een aantal huizen stonden, waaronder het huis van Rachav, waarvan in hoofdstuk 2 vers 15 vermeld staat, dat het gelegen was op de buitenzijde van de muur.

 

2.De muren waren ingestort zoals bij een aardbeving. (Yehoshua [Jozua] 6:5 en 20). Bij de opgravingen werden bovenop de lager gelegen resten van de vestingmuur grote aantallen bakstenen gevonden, die afkomstig waren van de hoger gelegen stadsmuur, die na het gejuich van de Israëlieten instortte en waarvan de stenen naar beneden over de vestingmuur heen vielen, die eveneens instortte, zodat de Israëlieten van alle kanten naar boven konden klimmen.

 

3.Het beleg van de stad was slechts van korte duur (Yehoshua [Jozua] 6:3-5 en 15). In de opgegraven huizen werden talrijke vaten gevonden met grote hoeveelheden graan erin, wat je normaal gesproken niet zou verwachten bij een opgraving van een veroverde stad omdat het in die tijd immers gebruikelijk was om een stad in te nemen door haar uit te hongeren door middel van een langdurig beleg, waardoor er in de stad logischerwijs geen voedsel meer aangetroffen kon worden. Dat er nog volop voedsel in de huizen gevonden werd wil dus zeggen dat het beleg niet lang geduurd heeft. Dat komt dan precies overeen met de in de Bijbel genoemde zeven dagen.

 

4.De stad werd niet geplunderd (Yehoshua [Jozua] 6:17-18). Normaalgesproken namen de veroveraars alles mee uit een ingenomen stad, maar de opgegraven vaten in de ruines van Yericho waren nog randvol. Hoe kan dat? Wel, wij hebben zojuist gelezen, dat de Eeuwige de Israëlieten nadrukkelijk verboden had om iets voor zich zelf uit de veroverde stad mee te nemen en dat lijkt mij een uitstekende verklaring waarom er nog zo veel graan in de verwoeste stad achterbleef.

 

5.De stad werd verbrand (Yehoshua [Jozua] 6:24). Uit de opgravingen bleek dat Yericho door een zware brand verwoest werd, want al het graan, dat in vaten gevonden werd, was verbrand.

 

6.De aanval vond plaats vlak na de lenteoogst (Yehoshua [Jozua] 3:15 en 5:10-12). Dat er blijkens de opgravingen in Yericho zo veel graan in voorraad was, wijst erop dat de inname van die stad kort na de graanoogst in de lente plaatsgevonden moet hebben. Dat wordt door de Bijbel bevestigd, want in hoofdstuk 3 vers 15 lazen wij, dat het oogsttijd was toen de Israëlieten de Jordaan overstaken en in de verzen 10 t/m 12 van hoofdstuk 5 staat duidelijk vermeld, dat de Israëlieten in Gilgal eerst het Pesach hadden gevierd en de dag daarna ongezuurd brood en geroosterd graan aten van de eerste oogst, voordat zij Yericho aanvielen.

 

 

Met zijn publikatie toonde de archeoloog Wood aan, dat Yericho daadwerkelijk ten tijde van de verovering door Yehoshua als vestingstad bestond en bevestigde daarmee de wisselwerking tussen de archeologische bewijzen en het gedetailleerde Bijbelse verslag. De ruines van Yericho zijn dus opgegraven nadat ze eeuwenlang onder het hete woestijnzand verborgen waren, het bewijs voor de geloofwaardigheid van het Bijbelse verslag is geleverd, maar het voorwerp dat de Eeuwige mede gebruikt heeft om de verovering van deze versterkte stad mogelijk te maken, Aron haB’rit [de Ark der Getuigenis], is nog steeds zoek. De speurtocht van de archeologen en de avonturiers gaat dus verder, maar ooit zal de dag komen dat de Eeuwige de Ark weer tevoorschijn zal brengen en Hij in een wolk boven het verzoendeksel tussen de cherubs zal verschijnen. De Ark was het beeld van Yeshua haMashiach. Hem hoeven wij gelukkig niet te zoeken, want Hij heeft gezegd: “Zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld!” (Matityahu [Mattheüs] 28:20). Amen! (Werner Stauder)

 

 

 

 

 

Categories: None

Post a Comment

Oops!

Oops, you forgot something.

Oops!

The words you entered did not match the given text. Please try again.

Already a member? Sign In

0 Comments