|
|

Bijbelstudie over LOOFHUTTENFEEST – SUKOT
Op 19 September 2013 om 14.52 door Ronald geplaatst in Mo’adim - Feesten van Adonai
Back to Mo’adim - Feesten van Adonai Discussions
.
Bijbelstudie over het LOOFHUTTENFEEST – SUKOT
Inleiding
Enkele jaren geleden waren in Jeruzalem en later in heel Israël rellen uitgebroken tijdens het Loofhuttenfeest,Sukot. De aanleiding hiervoor was de opening van een tunnel onder de Al-Aqsa Moskee. De wereldpers veroordeelde Israël toen eenstemmig wegens "het opzettelijk kwetsen en minachten van de religieuze gevoelens van de moslims". Maar was dat wel zo? En zo ja, hoe zit het dan met de religieuze gevoelens van de Joden? Die werden zoals gewoonlijk volledig genegeerd. Welke westerse journalist heeft er immers toen de moeite genomen om ter plekke een kijkje te nemen om vervolgens te constateren dat de bewuste tunnel zich in het geheel niet op islamitische maar juist op Joodse heilige grond bevindt? De islamitische Al-Aqsa Moskee staat namelijk boven de restanten van de Joodse Tempel en zodoende bevindt de tunnel zich niet onder de moskee maar onder de Tempel!
Beit-haMiq’dash - De Tempel
Dat de rellen rondom het tempelplein het hevigst waren bij het begin van Sukot is beslist geen toeval, want de tempel heeft alles met het Loofhuttenfeest te maken, en het Loofhuttenfeest heeft alles met de Tempel te maken! De loofhut bewaart namelijk de herinnering aan de schamele tenten, waarin de Israëlieten woonden tijdens hun tocht van Egypte via de Sinaï-woestijn naar het Beloofde Land. Ook de Eeuwige zelf woonde gedurende deze zwerftocht slechts in een tijdelijke tent, de Tabernakel (Mis’kan). Deze tijdelijke tent werd later echter vervangen door het permanente huis van G’d: de Tempel (Beit-haMiq’dash)! Zo is het dus niet verwonderlijk, dat deze Tempel zowel de eerste alsook de tweede keer juist tijdens het Loofhuttenfeest (Sukot) werd ingewijd, zoals we kunnen lezen in TeNaCH (de Bijbel): "De inwijding van de [eerste] Tempel: Toen vergaderde Sh’lomo (Salomo) de oudsten van Israël en al de stamhoofden, de familievorsten der Israëlieten, tot Sh’lomo haMelech (koning Salomo) te Jeruzalem, om Aron haB'rit (de ark van het verbond des HEREN) uit de stad Davids, dat is Tziyon (Sion), opwaarts te brengen. En alle mannen van Israël kwamen bij Sh’lomo haMelech samen, op het feest [Sukot] in de maand Etanim [Tish’ri], dat is de zevende maand". (M’lachim alef [1 Koningen] 8:1-2). - "Toen vergaderde Sh’lomo de oudsten van Israël, en al de stamhoofden, de familievorsten der Israëlieten, te Jeruzalem, om Aron haB'rit (de ark van het verbond des HEREN) uit de stad Davids, dat is Tziyon (Sion), opwaarts te brengen. En alle mannen van Israël kwamen bij de koning op het feest [Sukot] samen; dat was in de zevende maand. - Toen vierde Sh’lomo gedurende zeven dagen het feest en geheel Israël met hem, een zeer grote gemeente, van de weg naar Chamat af tot aan de Beek van Egypte. En op de achtste dag hielden zij een feestelijke vergadering, want de inwijding van het altaar hadden zij zeven dagen lang gevierd; het feest duurde zeven dagen". (Div’rei haYamim bet [2 Kronieken] 5:2-3 en 7:8-9). - Wederoprichting van het altaar - Grondlegging van de [tweede] Tempel: "Toen nu de zevende maand aanbrak, terwijl de Israëlieten in hun steden waren, verzamelde het volk zich als één man te Jeruzalem. En Yeshua [toeval???] (Jesua), de zoon van Yotzadaq (Josadak), met zijn broeders, de priesters, en ook Z’rubavel (Zerubbabel), de zoon van Sh’alti’el (Sealtiël), met zijn broeders, maakten zich op en bouwden het altaar van de G’d van Israël, om daarop brandoffers te offeren, zoals voorgeschreven is in de wet van Moshe (Mozes), de man G’ds. Zij richtten het altaar op zijn fundamenten op, want vrees voor de volken der landen was over hen gekomen, en zij offerden daarop brandoffers voor de HERE, brandoffers voor de morgen en voor de avond. Ook vierden zij het loofhuttenfeest, zoals voorgeschreven is, en brachten dag aan dag brandoffers in het vereiste aantal, dagelijks het voor die dag vastgestelde" (arzi Ez’ra [Ezra] 3:1-4). - "Toen nu de zevende maand aanbrak en de Israëlieten in hun steden waren, kwam het gehele volk als één man bijeen op het plein voor de Waterpoort. En men verzocht de schriftgeleerde Ez’ra, het boek der wet van Mozes [Sefer Torat Moshe], die de Eeuwige aan Israël gegeven had, te halen. Toen bracht de priester Ez’ra de Tora voor de gemeente, zowel mannen als vrouwen en ieder die het kon begrijpen, op de eerste dag van de zevende maand. - En op de tweede dag kwamen de familiehoofden van het gehele volk, de priesters en de Levieten bij de schriftgeleerde Ez’ra bijeen, en wel om de woorden van de Tora te onderzoeken. Toen vonden zij in de Tora (wet), die de Eeuwige door de dienst van Moshe gegeven had geschreven, dat de Israëlieten op het feest in de zevende maand in loofhutten (Sukot) zouden wonen en dat zij een bevel zouden uitvaardigen en laten omroepen in al hun steden en in Jeruzalem van deze inhoud: Trekt uit naar het gebergte en brengt het loof van de olijfboom, van de olijfwilg, van de mirt, van palmen, van loofbomen, om loofhutten te maken, zoals geschreven staat. Het volk trok uit en zij haalden het loof en maakten zich loofhutten, ieder op zijn dak, en in hun hoven en in de voorhoven van het huis G’ds en op het plein van de Waterpoort en op het plein van de Efraimpoort. De gehele gemeente van hen die uit de ballingschap waren teruggekeerd, maakte loofhutten en woonde in de loofhutten. Zo hadden de Israëlieten niet gedaan sinds de dagen van Y’hoshua (Jozua), de zoon van Nun, tot op die dag. Er heerste dus zeer grote vreugde. Uit het boek der wet G’ds las men elke dag voor, van de eerste tot de laatste dag; zij vierden zeven dagen feest, en op de achtste dag was er een feestelijke vergadering, volgens het voor-schrift". (Nechem’ya [Nehemia] 8:1-3 en 14-19). Laten we het voorschrift, waar Nechem’ya het over heeft, eens nader bekijken:
Instelling van het Loofhuttenfeest:
"En de Eeuwige sprak tot Moshe (Mozes): Spreek tot de Israëlieten: Op de vijftiende dag van deze zevende maand begint het Loofhuttenfeest voor de Eeuwige, zeven dagen lang. Op de eerste dag zal er een heilige samenkomst zijn; generlei slaafse arbeid zult gij verrichten. Zeven dagen zult gij de Eeuwige een vuuroffer brengen; op de achtste dag zult gij een heilige samenkomst hebben en de Eeuwige een vuur-offer brengen; het is een feest, generlei slaafse arbeid zult gij verrichten. Dit zijn de feesttijden van de Eeuwige, waarop gij heilige samenkomsten zult uitroepen, om de Eeuwige een vuuroffer te brengen: brandoffer en spijsoffer, slachtoffer en plengoffers, naar het voorschrift voor iedere dag, behalve de Shabatot (sabbatten) van de Eeuwige en behalve de gaven en al de gelofteoffers en al de vrijwillige offers, die gij de Eeuwige geven wilt. Doch op de vijftiende dag van de zevende maand, wanneer gij de opbrengst van uw land inzamelt, zult gij zeven dagen het feest van de Eeuwige vieren; op de eerste dag zal er rust zijn en op de achtste dag zal er rust zijn. Op de eerste dag zult gij vruchten van sierlijke bomen nemen, tak-ken van palmen en twijgen van loofbomen en van beekwilgen, en gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht van de Eeuwige, uw G’d, zeven dagen lang. Gij zult het als een feest van de Eeuwige vieren zeven dagen in het jaar, een altoosdurende inzetting voor uw geslachten; in de zevende maand zult gij het vieren. In loofhutten zult gij wonen zeven dagen; allen die in Israël geboren zijn, zullen in loofhutten wonen, opdat uw geslachten weten, dat Ik de Israëlieten in hutten heb doen wonen, toen Ik hen uit het land Mitz’rayim (Egypte) leidde: Ik ben de Eeuwige, uw G’d. (Vayiq’ra [Leviticus] 23:33-43). En ook in D’varim [Deuteronomium] 16:13-17 lezen wij: "Het Loofhuttenfeest zult gij zeven dagen vieren, wanneer gij de opbrengst hebt ingezameld van uw dorsvloer en van uw perskuip. Gij zult u verheugen op uw feest, gij met uw zoon en uw dochter, uw dienstknecht en uw dienstmaagd, met de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe, die binnen uw poorten wonen. Zeven dagen zult gij feest vieren ter ere van de Eeuwige, uw G’d, op de plaats die de Eeuwige verkiezen zal; want de Eeuwige, uw G’d, zal u zegenen in heel uw oogst en in al het werk uwer handen, zodat gij waarlijk vrolijk kunt zijn. Driemaal per jaar zal ieder die onder u van het mannelijk geslacht is, voor het aangezicht van de Eeuwige, uw G’d, verschijnen op de plaats die HIJ verkiezen zal: op het feest der ongezuurde broden, op het feest der weken en op het Loofhuttenfeest. Maar hij zal dan niet met lege handen voor het aangezicht van de Eeuwige verschijnen: ieder naar zijn vermogen, naar de zegen die de Eeuwige, uw G’d, u gegeven heeft." - Wij hebben hier de inzetting van Sukot, het loofhuttenfeest, dat één van de drie grote feesten is, waarop alle mannen in Israël verplicht waren bijeen te komen om voor G’ds aangezicht te verschijnen, eerst ter plaatse waar de Tabernakel (haMis’kan), en in latere tijden waar de Tempel (Beit-haMiq’dash) was. Sukot moet dus gevierd worden ter gedachtenis aan hun wonen in tenten in de woestijn. Aldus wordt het hier (Leviticus 23:43) verklaard: Opdat uwe geslachten weten, niet slechts door de geschreven geschiedenis, maar door deze zichtbare overlevering, dat Ik de kinderen Israëls in loofhutten heb doen wonen. Aldus wordt in gedachtenis gehouden:
Het geringe van hun begin en de treurige toestand waaruit de Eeuwige dit volk heeft bevrijd. Het herinnert aan de fysieke overleving van Israël ge-durende de veertigjarige tocht door de woestijn en de voortdurend aanwezige zorg van de Eeuwige voor Zijn volk. Zonder Zijn bescherming waren zij nooit door de woestijn gekomen. Rabbijn Hirsch zei, dat de betekenis van het Loofhuttenfeest is: de bescherming van het lichaam van Israël.
De barmhartigheid van haShem over de Israëlieten, daar de Eeuwige, toen zij in tenten woonden, niet slechts een Tabernakel voor Zichzelf onder hen heeft opgericht, maar met de grootste zorg en tederheid een gewelf boven hen heeft gespannen, namelijk de wolk die hen tegen de hitte van de zon heeft beschut. De instelling van dit feest wijst naar Hem, Die Zijn volk uitleidde en beschermde. De geboden en inzettingen moeten de gedachte levend houden, dat het volk Israël niet door eigen kracht dit alles bereikt had. De loofhut drukt de afhankelijkheid uit van de mens ten opzichte van de natuur en de Eeuwige. Door een week lang in een Suka te verblijven, ervaart de mens opnieuw zijn kwetsbaarheid, en zijn behoefte aan koestering en bescherming. Rabbi Yehuda Ashkenazi heeft eens gezegd: "Wat is de les van Sukot? Niet alleen de woestijnreis wordt ermee in herinnering gebracht, maar daarmee en daardoor ook het feit dat er een G’d is Die Zijn volk op zijn reis door de geschiedenis leidt en beschermt. Zoals Israël tijdens de woestijntocht in broze hutten leefde en afhankelijk was van G’ds hulp, zo moet nog altijd het Joodse volk en iedere Jood zichzelf voorhouden, dat rijkdom en voorspoed en succes slechts zolang iemands deel zijn als G’d die schenkt. Wat is bescherming? Daarover kan men pas spreken als men die aan den lijve ervaren heeft op momenten dat de situatie hopeloos leek, en dat men tegen alle waarschijnlijkheid in gered werd." - De Suka verwijst dus naar de ervaringen van het Joodse volk door de loop van de eeuwen heen, momenten van redding en bescherming.
Het Loofhuttenfeest wil ons ook herinneren aan het feit, dat ook wij slechts tijdelijk op doorreis zijn op deze aarde, die door velen als woestijn wordt ervaren. Ons doel is Olam Haba, de komende wereld, waar wij Yeshua zullen ontmoeten! Het breekbare van de loofhut, is een teken van onze eigen breekbaarheid. Voorts is de Suka een symbool voor ons vergankelijk lichaam. Volgens mij doelde Sha’ul haShaliach (de apostel Paulus) in 2 Corinthiërs 5:1-8 dan ook hierop: "Want wij weten, dat, indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw van G’d hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis. Want hierom zuchten wij: wij haken ernaar met onze woonstede uit de hemel overkleed te worden, als wij maar bekleed, en niet naakt, zullen bevonden worden. Want wij, die nog in een tent wonen, zuchten bezwaard, omdat wij niet ontkleed, doch overkleed willen worden, opdat het sterfelijke door het leven worde verslonden. G’d is het, die ons juist daartoe bereid heeft en die ons de Geest tot onderpand gegeven heeft. Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, ver van de Here in den vreemde zijn (want wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen) maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Here onze intrek te nemen."
Zoals alle andere Joodse (of beter gezegd: Bijbelse!!!) feesten wijst ook het Loofhuttenfeest reeds naar Yeshua! Geïnspireerd door de profetische woorden van Amos 9:11 "BaYom haHu aqim et-Sukat David haNofelet."(Te dien dage zal Ik de vervallen hut [Suka] van David weder oprichten) wordt de Loofhut tevens poëtisch opgevat als de G’ddelijke Woning zelf: Yeshua! Door velen wordt namelijk verondersteld, dat onze gezegende Mashiach omstreeks de tijd wanneer dit feest gevierd wordt, is geboren. Toen heeft Hij Zijn woningen des lichts hierboven verlaten, om onder ons te wonen (Yochanan [Johannes] 1:14). Ook Hij heeft in loofhutten gewoond, maar eens, spoedig, zal Yeshua als Koning op aarde regeren, in Jeruzalem, als G’ds Koninkrijk gevestigd zal zijn. Dan zullen wij allen, u en ik, Jood en Griek, worden opgeroepen om dit feest te vieren in Jeruzalem: "Allen, die zijn overgebleven van al de volken, die tegen Jeruzalem zijn opgerukt, zullen van jaar tot jaar heentrekken om zich neer te buigen voor de Koning, de HERE der heerscharen, en het Loofhuttenfeest te vieren. Maar wie uit de geslachten der aarde niet naar Jeruzalem zal heentrekken om zich voor de Koning, de HERE der heerscharen, neder te buigen, op hem zal geen regen vallen, en indien het geslacht der Egyptenaren niet zal heentrekken en komen, op wie geen regen valt, dan zal toch komen de plaag waarmee de Eeuwige de volken zal treffen, die niet heentrekken om het Loofhuttenfeest te vieren. Dit zal de straf zijn van de Egyptenaren en van alle volken die niet heentrekken om het Loofhuttenfeest (Sukot) te vieren." (Zechar’ya [Zacharia] 14:16-19).
haSuka - De Loofhut
"In Loofhutten zult gij wonen zeven dagen; allen die in Israël geboren zijn, zullen in loofhutten wonen, opdat uw geslachten weten, dat Ik de Israëlieten in hutten heb doen wonen, toen Ik hen uit het land Egypte leidde: Ik ben de Eeuwige, uw G’d. (Vayiq’ra [Leviticus] 23:42-43). Dit gedeelte spreekt wel voor zichzelf, maar natuurlijk heeft de latere traditie, met name de Talmud, zich ermee bezig gehouden wat dit voorschrift nu eigenlijk concreet inhoudt: "Raba zei: Uit Vayiq’ra 23:42 ‘gij zult zeven dagen in Sukot (loofhutten) verblijven’ mag men afleiden dat de Tora beveelt: ga voor de volle zeven dagen uit uw vaste woning en verblijf in een tijdelijke woning.’ (b Suka 2a). Het is heel wezenlijk om ernaar te streven zelf bij de bouw van de Loofhut betrokken te zijn: "Wie een Suka voor zichzelf bouwt, het is als bouwde hij die voor de Allerhoogste." (Sifre Deut. Pisqa 140). Aan welke halachische voorwaarden de Loofhut moet voldoen, lezen we in de Mishna Suka 2:6, hst.1-4: "De bedekking van de Loofhut moet uit plantaardige bestanddelen gemaakt worden, die niet meer aan de grond vastzitten, en die niet door de aard van hun gebruik voor cultische onreinheid vatbaar zijn. De hut moet onder de vrije hemel staan. - § 1. Een Suka, die hoger is dan 20 el (± 10 meter) is ritueel ongeschikt; Rabbi Yehuda zegt: geschikt; en een, die niet de hoogte van 10 handbreedten heeft, of die geen 3 wanden heeft, of die zo weinig bedekt is, dat de zon van binnen meer is dan de schaduw, is ongeschikt. Een oude Loofhut is volgens de school van Shamai ongeschikt, volgens de school van Hillel geschikt. Wat verstaat men onder een oude Loofhut? Een, die men 30 dagen of meer vóór het Loofhuttenfeest gemaakt heeft. Heeft men haar echter bepaaldelijk met het oog op het feest gemaakt, dan is ze, al is dit ook een jaar tevoren gebeurd, geschikt. - § 2. Wanneer iemand zijn Loofhut onder een boom maakt, dan is deze evenmin bruikbaar als wanneer hij haar in zijn huis zou gemaakt hebben. Van twee hutten, die boven elkaar gebouwd zijn, zodat de vloer van de bovenste het dak van de onderste vormt, is de bovenste geschikt, de onderste ongeschikt; Rabbi Yehuda zegt: "Als de bovenste niet bewoonbaar is, is de onderste geschikt." - § 3. Wanneer iemand over het dak van de Loofhut een laken of tapijt uitspreidt wegens de zon of eronder wegens de afvallende bladeren, of wanneer hij ter versiering een kleed uitspant over de hemel van het ledikant (over de 4 hoog uitstekende staken, zodat als het ware een hut in de hut ontstaat), dan wordt de Loofhut daardoor ongeschikt; maar wel mag hij het uitspreiden over één stang, die in de lengte boven het bed loopt, zodat het aan weerszijden schuin afloopt en geen eigenlijk dak ontstaat. § 4. Wanneer iemand over de hut een wijnstok of een kalabasboom of klimop trekt, en haar zodoende dekt, is zij ongeschikt. Is er echter een goede bedekking in grotere hoeveelheid aanwezig, of als hij de takken lossnijdt, dan is ze geschikt. Dit is de regel: met al wat voor onreinworden ontvankelijk is en wat niet uit de aarde groeit mag men niet dekken; en met al wat geen onreinheid aanneemt en wel uit de aarde groeit, mag men dekken". Tot zover de Mishna. Natuurlijk kan, zeker in grote moderne steden, niet iedereen een eigen Suka bouwen. Daarom is het bij vele synagogen gebruikelijk, gemeenschappe-lijke Loofhutten te bouwen op hun binnenplaatsen en soms ook op de openbare weg. Wie dus geen eigen Suka heeft, zal proberen, zoveel mogelijk één maaltijd per dag in zo een openbare Suka te nuttigen. In Israël ziet men op allerlei plaatsen dergelijke grote openbare Sukot. Het geeft een heel eigen kleur aan dit feest: mensen van allerlei rang en stand staan in de rij voor deze Loofhutten, zowel baardige, in het zwart geklede mannen alsook meisjes en jongens in militaire uniform, allemaal met mandjes vol eten en drinken in de hand om dat aan de lange tafels met banken gezamenlijk te nuttigen. Wie ooit in Jeruzalem het Loofhuttenfeest heeft meegemaakt, zal dat niet zo gauw vergeten. De straten zijn, vooral in de omgeving van de Klaagmuur, overvol van mensen. Maar ook Tel Aviv en Haifa hebben tijdens het Loofhuttenfeest een geheel eigen sfeer. De voorbereidingen beginnen reeds direct na Yom Kipur.
Drie Loofhutten op de berg
Ook de verheerlijking van Yeshua op de berg Tavor heeft alles met het Loofhutten-feest te maken. Yeshua stond immers op het punt om de laatste fase van Zijn aardse woestijntocht in te gaan: "En zes dagen later nam Yeshua (Jezus) Keifa (Petrus) en Ya’aqov (Jacobus) en zijn broeder Yochanan (Johannes) mede en Hij leidde hen een hoge berg op, in de eenzaamheid. En Zijn gedaante veranderde voor hun ogen en zijn gelaat straalde gelijk de zon en Zijn klederen werden wit als het licht. En zie, hun verschenen Moshe (Mozes) en Eliyahu (Elia), die met Hem spraken. Petrus antwoordde en zeide tot Yeshua: Here, het is goed, dat wij hier zijn; indien Gij het wilt, zal ik hier drie tenten opslaan, voor U een, en voor Moshe een, en voor Eliyahu een. Terwijl hij nog sprak, zie, daar overschaduwde hen een lichtende wolk, en zie, een stem uit de wolk zeide: Deze is Mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik Mijn welbehagen heb; hoort naar Hem! Toen de discipelen dit hoorden, wierpen zij zich op hun aangezicht ter aarde en werden zeer bevreesd. En Yeshua kwam bij hen, raakte hen aan en zeide: Staat op en weest niet bevreesd. Toen zij hun ogen opsloegen, zagen zij niemand dan Yeshua alleen." (Matityahu - Matthéüs 17:1-8). De evangelist Lucas beschrijft deze gebeurtenis zo: "En het geschiedde ongeveer acht dagen na deze woorden, dat Hij Keifa (Petrus) en Yochanan (Johannes) en Ya’aqov (Jacobus) medenam en de berg opging om te bidden. En het geschiedde, terwijl Hij in het gebed was, dat het aanzien van zijn gelaat anders werd, en zijn kleding werd stralend wit. En zie, twee mannen spraken met Hem, en wel Moshe (Mozes) en Eliyahu (Elia). Dezen, in heerlijkheid verschenen, spraken over Zijn uitgang, die Hij te Jeruzalem zou volbrengen. En Petrus en die met hem waren, werden door slaap overmand en, toen zij ontwaakten, zagen zij Zijn heerlijkheid, en de twee mannen, die bij Hem stonden. En het geschiedde, toen dezen van Hem scheidden, dat Petrus tot Yeshua zeide: Meester, het is goed, dat wij hier zijn, laten wij drie tenten opslaan, voor U een, en voor Moshe een, en voor Eliyahu een; want hij wist niet, wat hij zeide. En terwijl hij dit zeide, kwam er een wolk, en overschaduwde hen. En zij werden bevreesd, toen die de wolk ingingen. En er klonk een stem uit de wolk, die zeide: Deze is Mijn Zoon, de uitverkorene, hoort naar Hem. En terwijl die stem klonk, bevond Yeshua Zich alleen. En zij zwegen en verhaalden in die dagen aan niemand iets van hetgeen zij gezien hadden." (Lucas 9:28-36). Petrus wilde dus drie Loofhutten bouwen. De NBG-vertaling heeft het hier weliswaar over ‘tenten’ en de Statenvertaling heeft het zelfs over ‘tabernakelen’, maar de Luther-vertaling gebruikt hier terecht het woord ‘hutten’. We mogen er rustig van uitgaan dat Yeshua en Zijn Talmidim (discipelen) geen opvouwbare tenten hebben meegenomen op de berg, terwijl er voor het bouwen van Loofhutten daarentegen volop takjes en twijgen aanwezig waren. Ook het terugvertalen van de Evangelieën in het Hebreeuws gebeurde niet uitsluitend op taalkundig terrein, maar er werd ook rekening gehouden met culturele aspekten en Joodse tradities. Zo is het niet verwonderlijk, dat er in B’rit haHadasha in dit verband het woordje Sukot (loofhutten) wordt gebruikt en niet Ohelim (tenten).
"Vay’hi baAlotam m’alav vayomer Petrus el-Yeshua: Adoni, tov lanu lashevet po na’ase-na shalosh Sukot, achat lecha, achat leMoshe v’achat leEliyahu ki lo yada ma-l’daber." - "En het geschiedde, toen dezen van Hem scheidden, dat Petrus tot Yeshua zeide: Meester, het is goed, dat wij hier zijn, laten wij drie tenten opslaan, voor U een, en voor Moshe een, en voor Eliyahu een; want hij wist niet, wat hij zeide." Hetzelfde principe handhaafde ook Dr. Chaim Einspruch bij de vertaling van de Beries Chadesche (NT) in het Jiddisch: "Un es is geween be’ejs sej hobn sich genummen vun Ihm scheidn, hot Petrus gesogt zu Jeschua’n: Rebbe, es is gut far unds do zu sein; lomir machn drei Sokkes, eins far Dir, eins far Moische’n, un eins far Elijahu’n; ober er hot nit gewußt wos er redt." - Petrus wist inderdaad niet wat hij zei, want Moshe en Eliyahu hadden hun woestijnreis reeds lang achter de rug. Zij waren verheerlijkte heiligen, die hun aardse loofhutten ingeruild hebben voor betere woningen in het hemelse Jeruzalem. Zij spraken met Yeshua over Zijn uitgang, die Hij te Jeruzalem zou volbrengen [elegon thn exodon autou - Elegon ten exedon autou - Zijn exodus, Zijn heengaan] dat is: Zijn lijden en sterven! Moshe en Eliyahu hebben er in die gedachte tot Hem gesproken, om Hem er mede te verzoenen, en het vooruitzicht er van voor Zijn menselijke natuur gemakkelijker te maken. De dood der heiligen is hun exodus, hun uittocht uit het Egypte dezer wereld, hun bevrijding uit het diensthuis. Sommigen zeggen dat de hemelvaart van Yeshua hier mede ingesloten is in dat heengaan, want de uittocht van Israël uit Egypte was een heengaan in triomf, en dat was ook Zijn heengaan van de aarde naar den hemel. Deze exodus moest Hij volbrengen, want aldus was het besloten; de zaak was onveranderlijk vastgesteld door de Eeuwige. Moshe en Eliyahu spraken ten aanhoren van de drie Talmidim (discipelen) hiervan, om te kennen te geven dat het lijden van Yeshua en Zijn ingaan tot de heerlijkheid hetgeen was, waarvan de Tora en de profeten hadden gesproken (zie Lukas 24:26-27). Zij verschenen dan ook als vertegenwoordigers van de Tora en de profeten. Moshe gaf aan Israël G’ds wet en Eliyahu riep het volk tot die wet terug! Hun verschijning laat zien dat Yeshua de wet en de profeten zou vervullen. G’ds beloften, waarvan het volk Israël eeuwenlang de drager was (en nog steeds is!) werden bevestigd! Als er iemand wist wat een uittocht is en wat daar allemaal voor komt kijken, dan Moshe wel! En als iemand wist wat het betekent om van de geestelijke en wereldse leiders te lijden, dan Eliyahu wel! De exodus van Yeshua was een lange woestijntocht tot de heerlijkheid! Langs deze lijdensweg behaalde Hij echter de grootste overwinning van alle tijden, de overwinning over de macht van de duivel! Daarom had Yeshua de drie discipelen meegenomen, een voldoend getal om overeenkomstig het halachisch voorschrift te getuigen van wat zij zouden zien en horen. De Joden hebben grote eerbied voor de nagedachtenis van Moshe en Eliyahu, en daarom kwamen deze verheerlijkte heiligen opdat er, naast de drie getuigen op aarde, ook iemand mocht zijn om te getuigen in de hemel. Het gezicht van Yeshua straalde gelijk de zon, zo helder, zo schitterend; want Hij is de Zon der gerechtigheid, het Licht der wereld. Ook het aangezicht van Moshe straalde na zijn verblijf van veertig dagen op de berg Sinaï doordat Hij met de Eeuwige gesproken had (Sh’mot [Exodus] 34:29). Maar het aangezicht van Moshe blonk slechts als de maan, met een ontleend, weerkaatst licht; maar het aangezicht van Yeshua blonk gelijk de zon, met een innerlijk, eigen licht, dat des te treffender heerlijk was, omdat het plotseling, als het ware van achter een duistere wolk, uitbrak. Zijn klederen werden wit, gelijk het licht. Geheel Zijn lichaam was anders geworden evenals Zijn gelaat, zodat van alle kanten licht uitstraalde door Zijn klederen heen, waardoor zij wit en blinkend werden. Het blinken van Moshe’s aangezicht was zó zwak, dat het gemakkelijk door een dunne sluier verborgen kon worden; maar zó groot was de heerlijkheid van Yeshua's lichaam, dat Zijn klederen er ook door verlicht werden! En opeens, direct nadat Petrus had voorgesteld om drie Loofhutten te bouwen, werden zij overschaduwd door een wolk, waaruit de stem van de Eeuwige weerklonk, net als toen op de Sinaï, maar deze keer maakte haShem aan de getuigen bekend wie Yeshua is: Zijn geliefde Zoon, in Wie Hij een welbehagen heeft! De Talmidim waren zeer bevreesd, toen zij in die wolk ingingen. De wolk was een teken van G’ds meer bijzondere tegenwoordigheid, Zijn Shechina! Het was in een wolk dat de Eeuwige vanouds bezit nam van de Tabernakel en de Tempel, en als de wolk de tent der samenkomst bedekte, kon Moshe niet ingaan (Sh’mot [Exodus] 40:34-35), en toen de wolk de Tempel vervulde, konden de Kohanim (priesters) niet meer staan om te dienen. (Div’rei haYamim bet [2 Kronieken] 5:14). Dit was nu dezelfde wolk en het is dus geen wonder dat de Talmidim vreesden om er in te gaan. Maar niemand hoeft bevreesd te zijn om de wolk in te gaan met Yeshua, want Hij brengt een ieder er veilig doorheen. Van de apostelen wordt hier gezegd, dat zij hetgeen zij gezien en gehoord hadden geheim hielden. Maar nu is de tijd gekomen, voor ons, om van Yeshua haMashiach te getuigen, en de tijd is kort want Hij is al op weg om Zijn bruid, de gemeente, op te nemen en veilig door de wolk te geleiden!
Loofhuttenfeest ook voor ons?
Misschien zitten sommigen onder u met de brandende vraag: moeten zich ook de messiasbelijdende Joden net als iedereen die tot het Joodse volk behoort, houden aan de halachische voorschriften voor het vieren van het Loofhuttenfeest inclusief het bouwen van een Suka? En hoe zit het met de gelovigen uit de volken? Welnu, voor wat de laatstgenoemden betreft, denk ik persoonlijk het volgende: de profeet Zacharia kondigt voor de Messiaanse tijd het Loofhuttenfeest aan als een feest voor alle naties (Z’char’ya [Zacharia] 14:16-19). Wanneer Yeshua als Koning zal regeren op aarde en alle vijanden onder Zijn voeten liggen, dan zullen alle volken jaarlijks naar Jeruzalem optrekken, om dáár het Loofhuttenfeest te vieren: dan pas, en niet eerder! En ook alléén maar in Israël en niet hier in Nederland! En dat brengt mij ook bij het antwoord op de eerste vraag: op grond van de Tora ben ik van mening, dat geen enkele Jood, die buiten Israël geboren is (messiasbelijdend of niet), verplicht kan worden om een Loofhut te bouwen. In Tora staat immers geschreven: "Gij zult het als een feest van de Eeuwige vieren zeven dagen in het jaar, een altoosdurende inzetting voor uw geslachten; in de zevende maand zult gij het vieren. In loofhutten zult gij wonen zeven dagen; allen die in Israël geboren zijn, zullen in loofhutten wonen, opdat uw geslachten weten, dat Ik de Israëlieten in hutten heb doen wonen, toen Ik hen uit het land Egypte leidde: Ik ben de Eeuwige, uw G’d. (Vayiq’ra [Leviticus] 23:33-43). De NBG-vertaling zegt duidelijk: allen die in Israël geboren zijn! Ook in de Canisius-vertaling lezen wij: allen die in Israël zijn geboren, en de Statenvertaling schrijft evenals de Leidse vertaling: alle inboorlingen in Israël. De Luthervertaling heeft het over: wie een inboorling in Israël is. In het oorspronkelijke Hebreeuws staat er:Kol-haEz’rach b’Yisra’el hetgeen letterlijk vertaald betekent: iedere burger van Israël. Wat is de juiste definitie van ‘burger’? In de Van Dale lezen wij: 1. Inwoner van een stad als zodanig met alle daaraan verbonden rechten. 2. Lid van een staatsgemeenschap als zodanig, staatsburger. Ook in de kleine Larousse staat: Inwoner van een stad of staat. Mijn conclusie is derhalve, dat het bouwen van de Suka een landgebonden traditie is, die bijbels gezien uitsluitend blijft voorbehouden aan de Sabra’s (in Israël geborenen).
De Lulav
Maar Sukot is ook een oogstfeest. Daaraan herinnert nog altijd de Lulav, een feestbundel, bestaande uit één palmtak (Lulav), 2 wilgetakken (Aravot) en 3 mirtetakken (Hadasot), plus 1 citrusachtige vrucht (gvrta Etrog), zoals beschreven in Vayiq’ra [Leviticus] 23:40. Omdat de palmtak het meeste opvalt verleent het aan de bundel, waarmee men op bepaalde tijden naar alle 4 windrichtingen zwaait, zijn naam. In de Mishna Suka 37b staat hierover geschreven: "De 4 windrichtingen wijzen ons op G’d, die de 4 richtingen in Zijn bezit heeft en de Lulav wordt op en neer gewoven tot eer van Hem, tot Wie de hemel en de aarde behoren." De Midrash Lev. Raba [Seder Emor] 30:12 vertelt over de Lulav: "De etrog? Dat is Israël! Zoals deze etrog smaak en geur heeft, zo heeft Israël mensen met Tora en met goede werken. De palmtakken? Die zijn Israël! Zoals deze palm (dadel) smaak heeft en geen geur, zo heeft Israël mensen met Tora, maar zonder goede werken. En loofboomtwijgen? Die zijn Israël! Zoals deze mirte geur heeft en geen smaak, zo heeft Israël mensen met goede werken, maar zonder Tora. En beekwilgen? Die zijn Israël! Zoals deze beekwilg geen smaak heeft en geen geur, zo heeft Israël mensen zonder Tora en zonder goede werken. En wat doet nu de Heilige-geprezen-zij-Hij met hen? Ze weg gooien? Onmogelijk! Neen maar, zei de Heilige-geprezen-zij-Hij, ze moeten allemaal samengebonden worden tot één bundel. En dan doen dézen verzoening over díe!" Het zwaaien met de bundel is een gebed tot éénheid van de 4 groepen, want de Eeuwige heeft Zijn volk lief!
Het Waterfeest
Sukot wordt gevierd van 15 tot 21 Tishri, de zevende maand van de Joodse reli-gieuze kalender (september/oktober). In aansluiting op het Loofhuttenfeest zijn er nog 2 belangrijke feestdagen: de Achtste Dag van het Samenkomen (Sh’meni Atzeret) op 22 Tishri en Vreugde der Wet (Sim’chat Tora) op 23 Tishri. Daarover volgt een aparte Bijbelstudie. De eerste en de laatste dagen van Sukot worden aan elkaar gebonden door de zogeheten tussendagen (Chol haMo’ed), die ook hun eigen gebruiken hebben en waarop men elkaar doorgaans in het Jiddisch begroet met "Gut Mo’ed!" - Sukot is ook een waterfeest en maakt ons bewust van de ware Bron van Levend Water: Yeshua! Met name op de zevende dag van het feest, waarop de Lulav 7 keer onder het zingen van Hoshana (G’d help ons!) om de verhoging in het midden van de synagoge wordt gedragen. Op deze dag, die vanwege de zeven omgangen rond de Bima (kansel) met vele keren Hoshana Hoshana Raba heet, bidt men of er spoedig regen mag komen, want door de lange zomer is het land geheel verdroogd. Deze situatie speelt vooral in Israël. Daarom bidden alle gelovige Joden om regen voor het komende seizoen. Wij mogen dit ook geestelijk zien, want reeds sinds de profeten speelt de Eeuwige in op de geestelijke betekenis van droogte: "O alle dorstigen, kom tot de wateren" - "Dan zult gij met vreugde water scheppen uit de bronnen des heils" (Y’shayahu - Jesaja 55:1 en 12:3), - " Ik zal de dorstige geven uit de bron van het water des levens om niet " -"En wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water des levens om niet." (Chizayon [Openbaring] 21:6 en 22:17). De Eeuwige heeft het hier dus niet over ‘gewoon’ water, maar over het gezegende water uit de bronnen des Heils: Mayim b’sason mima’ainei haYeshu’a! Het woord ‘Heil’ is in het Hebreeuws Yeshu’a en wijst naar de naam van onze Heiland, die ons opriep om tot Hem te komen, als wij dorst hebben! Sukot is dus de tijd, waarin Israël haShem bidt en smeekt om hemelwater voor de oogst, maar ook voor de ziel: "Gelijk een hinde die naar waterbeken smacht, zo smacht mijn ziel naar U, o G’d!" (Tehilim [Psalmen] 42:2). Een speciaal wateroffer werd eeuwenlang vanaf de bron Siloam door de Waterpoort de stad Jeruzalem binnengedragen als offer om van de Eeuwige regen af te smeken. Hoshana Raba is een dag om je bewust te zijn, of te worden, van je dorst, letterlijk, maar ook geestelijk. Zowel TeNaCH (O.T.) alsook B’rit haChadasha (N.T.) verbinden water met Ruach haQodesh (de Heilige Geest): "Want Ik zal water gieten op het dorstige en beken op het droge; Ik zal Mijn Geest uitgieten op uw nakroost en Mijn zegen op uw nakomelingen" (Yeshayahu [Jesaja] 44:3). Op deze zevende dag maakt men dus in de synagoge tijdens de dienst met de Lulav(feestbundel) in de hand zeven tvpqh Haqafot (rondgangen) rond de hmyb Bima (verhoging met Tora-lessenaar), waarop zeven Tora-rollen liggen uitgespreid. Daarbij worden dan liederen gezongen, o.a. Hoshana, eigenlijk Ana Adonai Hoshia na (och Eeuwige, geef toch hulp!) uit psalm 118:25 (Sidur pagina 251). Hoshana Raba wordt ook het Waterschepfeest genoemd, want het legt een verband naar de Tora, dat als levend water wordt gezien. Uit de Siloamvijver werd water geschept in gouden vaten, die op het altaar van het Beit-haMiq’dash (de Tempel) werden gebracht, waar ze werden leeggegoten in een zilveren bassin. Door een opening in de bodem van het bassin vloeide het water in een holte binnen de altaarwanden, die leidde naar de ondergrondse fundamenten van de Tempel. Dit ritueel vond plaats onder begeleiding van muziek en feestviering van ongekende proporties. Want er staat geschreven: "...putten zij water en goten het uit voor het aangezicht van de Eeuwige." (Sh’mu’el alef [1 Samuël] 7:6) en "Stort uw hart uit als water voor het aangezicht van haShem" (Eicha - Klaagliederen 2:19). Het Water-schepfeest was een feest voor alle volken en in dit licht moeten wij ook de uitspraken van Yeshua tijdens het Loofhuttenfeest zien: "Nu was het feest der Joden, Loofhutten, nabij." (Yochanan - Johannes 7:2). "Doch toen het feest reeds op de helft was, ging Yeshua op naar de Tempel en leerde. De Joden dan verbaasden zich en zeiden: Hoe is deze zo geleerd zonder onderricht te hebben ontvangen? Yeshua antwoordde hun en zeide: Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem, die Mij gezonden heeft; indien iemand Diens wil doen wil, zal hij van deze leer weten, of zij van G’d komt, dan of Ik uit Mijzelf spreek. Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer, maar wie de eer zoekt van zijn zender, die is waar en er is geen onrecht in hem. (vers 14-18). "En op de laatste, de grote dag van het feest, stond Yeshua en riep, zeggende: Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke! Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. Dit zeide Hij van de Geest, welke zij, die tot geloof in Hem kwamen, ontvangen zouden; want de Geest was er nog niet, omdat Yeshua nog niet verheerlijkt was." (vers 37-39). Een oproep die na 2000 jaar nog even actueel is als op het moment dat Yeshua deze woorden sprak. Uit latere Joodse geschriften is bekend dat tijdens het Loofhuttenfeest een priester zeven dagen lang een kan water uit de Siloamvijver schepte. Hij goot die uit in een schaal die op het brandofferaltaar stond. Als die plechtigheden nu voorbij zijn, roept Yeshua iedereen op te drinken van het levende water, waarvoor Hij kan zorgen. De uitnodiging geldt iedereen, maar krijgt een persoonlijke toespitsing in de noodzaak te komen tot Yeshua. Hij alleen kan onze levensdorst lessen. De gelovigen zullen de verkwikking hebben, niet van een vat water, dat uit een badwater gehaald werd, maar van een rivier, die uitvloeit uit Hem zelf. De blijdschap der wet, en de uitstorting van water, die heen wees naar deze blijdschap. zijn niet te vergelijken bij de blijdschap van het Evangelie aan de Bron des Heils ontleend. Maar Yeshua gaat verder dan alleen dorstige mensen aan te raden te drinken. Hij zegt dat wie in Hem gelooft, zelf een bron zal zijn, die ook anderen zal laven. Door Ruach haQodesh (de Heilige Geest) hebben we een nieuw leven gekregen. Maar dat hebben we niet alleen voor onszelf ontvangen, maar ook om anderen tot zegen te zijn. Wat een voorrecht, bron te mogen zijn, zodat ook anderen aangeraakt zullen worden! Hoe meer we drinken uit de Bron van Levend Water, hoe meer we een zegen mogen zijn voor anderen.
Werner Stauder
Categories: None
The words you entered did not match the given text. Please try again.
Oops!
Oops, you forgot something.