Blog

/Vayetze/Hij ging uit

Posted by Miriyam Burger on November 9, 2013 at 6:50 AM

/Vayetze/Hij ging uit

Thora: B’reshit/Genesis 28:10-32:2

Haftarah: Hoshea/Hosea 12:12-14:10

B’rit haChadasha: Matit’yahu/Mattheüs 3:13-4:11

B’reshit 28:10-32:3 10 Ya’akov vertrok uit Berseva en ging naar Haran. 11 En hij bereikte de plaats, waar hij bleef overnachten, omdat de zon ondergegaan was. En hij nam een van de stenen der plaats, legde die onder zijn hoofd en ging op die plaats slapen. 12 Toen droomde hij, en zie, op de aarde was een ladder opgericht, waarvan de top tot aan de hemel reikte, en zie, engelen Gods klommen daarlangs op en daalden daarlangs neder. 13 En zie, de Eeuwige stond bovenaan en zeide: Ik ben de Eeuwige, de God van uw vader Avraham en de God van Yitschak; het land, waarop gij ligt, zal Ik aan u en aan uw nageslacht geven. 14 En uw nageslacht zal zijn als het stof der aarde, en gij zult u uitbreiden naar het westen, oosten, noorden en zuiden, en met u en met uw nageslacht zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden. 15 En zie, Ik ben met u en Ik zal u behoeden overal waar gij gaat, en Ik zal u wederbrengen naar dit land, want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik u heb toegezegd. 16 Toen Ya’akov uit zijn slaap ontwaakte , zeide hij: Waarlijk, De Eeuwige is aan deze plaats, en ik heb het niet geweten. 17 En hij vreesde en zeide: Hoe ontzagwekkend is deze plaats. Dit is niet anders dan een huis Gods, dit is de poort des hemels. 18 De volgende morgen vroeg nam Ya’akov de steen die hij onder zijn hoofd gelegd had, stelde die tot een opgerichte steen en goot er olie bovenop. 19 En hij noemde die plaats Betel, maar tevoren was de naam der stad Luz. 20 En Ya’akov deed een gelofte: Indien God met mij zal zijn, en mij behoeden zal op deze weg, die ik ga , mij zal geven brood om te eten en klederen om aan te trekken, 21 en ik behouden tot mijns vaders huis wederkeer, dan zal De Eeuwige mij tot een God zijn. 22 En deze steen, die ik tot een opgerichte steen gesteld heb, zal een huis Gods wezen , en van alles wat Gij mij schenken zult, zal ik U stipt de tienden geven.

29:1 En Ya’akov begaf zich op weg en ging naar het land der stammen van het Oosten. 2 Toen hij rondkeek, zag hij een put in het veld , en zie, drie kudden kleinvee waren daarbij gelegerd, want men placht de kudden uit die put te drenken. De steen op de opening van de put was groot; 3 als alle kudden daar bijeengedreven waren, wentelde men de steen van de opening van de put en drenkte het vee; daarna bracht men de steen weer op de opening van de put op zijn plaats. 4 En Ya’akov zeide tot de herders: Mijn broeders, vanwaar zijt gij? En zij zeiden: Wij zijn uit Haran. 5 Daarop zeide hij tot hen: Kent gij ook Lavan, de zoon van Nachor? En zij zeiden : Ja. 6 Vervolgens zeide hij tot hen: Gaat het hem wel ? En zij zeiden: Ja, maar zie daar komt zijn dochter Rachel aan met het kleinvee. 7 Toen zeide hij: Zie, het is nog volop dag, het is nog geen tijd, dat de kudde bijeengedreven wordt; drenkt het vee en gaat het weer weiden. 8 Maar zij zeiden: Dat kunnen wij niet, voordat al de kudden bijeengedreven zijn; dan wentelt men de steen van de opening van de put, en drenken wij het vee. 9 Terwijl hij nog met hen sprak, kwam Rachel er aan met het kleinvee van haar vader, want zij was een herderin. 10 Zodra Ya’akov Rachel, de dochter van Lavan, de broeder van zijn moeder, zag, en het kleinvee van Lavan, de broeder van zijn moeder, trad Ya’akov toe, wentelde de steen van de opening van de put en drenkte het vee van Lavan, de broeder van zijn moeder. 11 En Ya’akov kuste Rachel en verhief zijn stem en weende. 12 Daarop vertelde Ya’akov Rachel, dat hij een bloedverwant van haar vader was, en de zoon van Rebekka. Toen snelde zij weg en deelde het haar vader mede. 13 Zodra Lavan het bericht aangaande Ya’akov, de zoon zijner zuster, hoorde, snelde hij hem tegemoet, omhelsde hem en kuste hem hartelijk, en bracht hem in zijn huis. En hij vertelde dit alles aan Lavan. 14 Toen zeide Lavan tot hem: Waarlijk, gij zijt mijn eigen vlees en bloed. En hij bleef een volle maand bij hem. 15 En Lavan zeide tot Ya’akov: Zoudt gij, omdat gij mijn bloedverwant zijt, mij dienen om niet? Zeg mij, wat uw loon moet zijn. 16 Nu had Lavan twee dochters; de oudste heette Lea en de jongste Rachel. 17 Lea’s ogen waren flets, maar Rachel was schoon van gestalte en schoon van uiterlijk. 18 En Ya’akov had Rachel lief. Daarom zeide hij: Ik wil u zeven jaren dienen om uw jongste dochter Rachel. 19 En Lavan zeide: Het is beter, dat ik haar aan u geef dan dat ik haar aan een andere man geef; blijf bij mij. 20 Derhalve diende Ya’akov zeven jaren om Rachel, en die waren in zijn ogen als enkele dagen, omdat hij haar liefhad. 21 Daarna zeide Ya’akov tot Lavan: Geef mij mijn vrouw, want mijn tijd is om, opdat ik tot haar kome. 22 En Lavan vergaderde al de mannen van die plaats, en richtte een maaltijd aan. 23 Des avonds echter nam hij zijn dochter Lea en bracht haar tot hem, en hij kwam tot haar. 24 Ook gaf Lavan haar zijn slavin Zilpa , tot een slavin voor zijn dochter Lea. 25 Maar des morgens, zie, het was Lea . Toen zeide hij tot Lavan: Wat hebt gij mij daar gedaan? Heb ik niet om Rachel bij u gediend, waarom hebt gij mij dan bedrogen ? 26 Daarop zeide Lavan: Zo doet men niet hier ter plaatse, dat men de jongste ten huwelijk geeft voor de eerstgeborene. 27 Breng de bruiloftsweek met deze ten einde, dan zal u ook de andere gegeven worden voor de dienst, waarmede gij nog eens zeven jaren bij mij dienen zult. 28 En Ya’akov deed zo; Hij bracht de bruiloftsweek met haar ten einde; daarop gaf hij hem zijn dochter Rachel tot vrouw. 29 En Lavan gaf aan zijn dochter Rachel zijn slavin Bilha, haar tot een slavin. 30 Ya’akov kwam ook tot Rachel, en hij had Rachel lief, in tegenstelling met Lea. Aldus diende hij bij hem nog eens zeven jaren. 31 Toen De Eeuwige zag, dat Lea niet bemind was, opende Hij haar schoot, maar Rachel bleef onvruchtbaar. 32 En Lea werd zwanger, baarde een zoon, en gaf hem de naam Ruben, want, zo zeide zij, voorwaar, De Eeuwige heeft mijn ellende aangezien; voorwaar, nu zal mijn man mij liefhebben. 33 En zij werd wederom zwanger, baarde een zoon, en zeide: Voorwaar, De Eeuwige heeft gehoord, dat ik niet bemind ben, en heeft mij ook deze geschonken ; en zij gaf hem de naam Simeon. 34 Wederom werd zij zwanger, baarde een zoon, en zeide: Nu zal mijn man zich ditmaal aan mij hechten, omdat ik hem drie zonen gebaard heb; daarom gaf zij hem de naam Levi. 35 En zij werd wederom zwanger, baarde een zoon, en zeide: Nu zal ik De Eeuwige loven; daarom gaf zij hem de naam Juda. Toen hield zij op met baren.

30:1 Toen Rachel zag, dat zij Ya’akov geen kinderen baarde, werd Rachel jaloers op haar zuster, en zij zeide tot Ya’akov: Geef mij kinderen; zo niet, dan sterf ik. 2 Toen ontbrandde Ya’akovs toorn tegen Rachel , en hij zeide: Neem ik de plaats van God in, die u de vrucht van de schoot ontzegd heeft? 3 Maar zij zeide: Hier is mijn slavin Bilha , kom tot haar, en zij bare op mijn knieen, opdat ook ik uit haar gebouwd worde. 4 En zij gaf hem haar slavin Bilha tot vrouw; en Ya’akov kwam tot haar. 5 Bilha werd zwanger en baarde Ya’akov een zoon. 6 Toen zeide Rachel: God heeft mij recht verschaft, ook heeft Hij mij verhoord en mij een zoon gegeven; daarom gaf zij hem de naam Dan. 7 Wederom werd Bilha, de slavin van Rachel, zwanger en baarde Ya’akov een tweede zoon. 8 Toen zeide Rachel: Op bovenmenselijke wijze heb ik met mijn zuster geworsteld, ook heb ik overmocht; en zij gaf hem de naam Naftali. 9 Toen Lea zag, dat zij had opgehouden te baren, nam zij haar slavin Zilpa en gaf haar aan Ya’akov tot vrouw. 10 En Zilpa, de slavin van Lea, baarde Ya’akov een zoon. 11 Toen zeide Lea: Het geluk is gekomen , en zij gaf hem de naam Gad. 12 En Zilpa, de slavin van Lea, baarde Ya’akov een tweede zoon. 13 Toen zeide Lea: Ik gelukkige! Voorzeker zullen de jongedochters mij gelukkig prijzen; en zij gaf hem de naam Aser. 14 Toen Ruben in de dagen van de tarweoogst naar buiten ging, vond hij op het veld liefdesappelen, die hij aan zijn moeder Lea bracht. En Rachel zeide tot Lea: Geef mij toch enige van de liefdesappelen van uw zoon. 15 Maar zij zeide tot haar: Is het niet genoeg, dat gij mijn man genomen hebt? En nu ook nog de liefdesappelen van mijn zoon nemen? Rachel zeide: Daarom mag hij vannacht bij u liggen voor de liefdesappelen van uw zoon. 16 Toen Ya’akov des avonds uit het veld kwam , ging Lea hem tegemoet, en zeide: Kom bij mij, want ik heb u eerlijk gehuurd voor de liefdesappelen van mijn zoon. Daarom lag hij die nacht bij haar. 17 En God hoorde naar Lea, zij werd zwanger en baarde Ya’akov een vijfde zoon. 18 Toen zeide Lea: God heeft mij mijn loon gegeven, omdat ik mijn slavin aan mijn man gegeven heb; en zij gaf hem de naam Issakar. 19 Wederom werd Lea zwanger en baarde Ya’akov een zesde zoon. Toen zeide Lea: 20 God heeft mij een schoon geschenk gegeven; ditmaal zal mijn man bij mij wonen, omdat ik hem zes zonen gebaard heb; en zij gaf hem de naam Zebulon . 21 Daarna baarde zij een dochter en noemde haar Dina. 22 Toen gedacht God Rachel, en God verhoorde haar; Hij opende haar schoot, 23 en zij werd zwanger en baarde een zoon. Toen zeide zij: God heeft mijn smaad weggenomen; 24 en zij gaf hem de naam Jozef, zeggende: Moge de Eeuwige mij er nog een andere zoon bijvoegen. 25 Nadat Rachel Jozef gebaard had, zeide Ya’akov tot Lavan: Laat mij vertrekken, opdat ik naar mijn geboorteplaats en mijn land ga. 26 Geef mij mijn vrouwen en kinderen, om wie ik u gediend heb, opdat ik moge heengaan, want gij weet welke diensten ik voor u verricht heb. 27 Daarop zeide Lavan tot hem: Mocht ik uw genegenheid gewonnen hebben! Ik heb waargenomen, dat de Eeuwige mij om uwentwil gezegend heeft. 28 En hij zeide: Bepaal, wat uw loon bij mij zal zijn; en ik zal het geven. 29 Daarop zeide hij tot hem: Gij zelf weet , hoe ik u gediend heb, en hoe het met uw kudde bij mij gegaan is; 30 want wat gij bezat, voordat ik kwam, was weinig, maar het heeft zich uitgebreid in menigte, en de Eeuwige heeft u gezegend, waarheen ik mijn voet ook wendde; nu dan, wanneer zal ik ook eens voor mijn eigen huis kunnen werken ? 31 Toen zeide hij: Wat zal ik u geven? Maar Ya’akov zeide: Gij behoeft mij niets te geven; ik zal wederom uw vee weiden en hoeden, indien gij mij slechts dit wilt toestaan: 32 Ik zal heden door al uw kleinvee gaan en daaruit elk gespikkeld en gevlekt stuk kleinvee afzonderen; elk zwart stuk onder de schapen, en wat gevlekt en gespikkeld is onder de geiten, dat zal mijn loon zijn. 33 En mijn eerlijkheid zal morgen voor mij spreken, wanneer gij mijn loon zult komen bezichtigen: alles wat niet gespikkeld of gevlekt is onder de geiten of zwart onder de schapen, dat zal als door mij gestolen gelden. 34 Daarop zeide Lavan: Zie, het geschiede naar uw woord. 35 Toen zonderde hij op die dag de gestreepte en gevlekte bokken af en alle gespikkelde en gevlekte geiten, alles waaraan iets wits was, benevens alles wat zwart was onder de schapen, en hij stelde het onder de hoede van zijn zonen. 36 En Lavan bepaalde een afstand van drie dagreizen tussen zich en Ya’akov, en Ya’akov weidde het overige vee van Lavan . 37 Toen nam Ya’akov zich verse takken van populieren, amandelbomen en platanen, en schilde daarop witte strepen door het wit aan de takken te ontbloten. 38 Hij legde de takken die hij geschild had , in de troggen, in de drinkbakken, waar het kleinvee kwam drinken, vlak voor het kleinvee; en zij werden bronstig, als zij kwamen drinken. 39 Was het kleinvee bronstig geworden bij de takken, dan wierp het gestreepte, gespikkelde en gevlekte jongen. 40 Dan scheidde Ya’akov de schapen af, keerde de koppen van het kleinvee naar het gestreepte en naar al het zwarte onder Lavans kleinvee, en zette die kudden voor zich afzonderlijk, en plaatste ze niet bij het kleinvee voor Lavan. 41 En telkens, als het sterkste kleinvee bronstig werd, legde Ya’akov de takken voor het kleinvee in de troggen, opdat zij bij de takken bronstig zouden worden. 42 Maar als het kleinvee zwak was, legde hij ze er niet in; aldus waren de zwakke dieren voor Lavan en de sterke voor Ya’akov. 43 Derhalve nam die man ten zeerste toe in bezit, en hij had veel kleinvee, slavinnen, slaven, kamelen en ezels.

31:1 En hij hoorde de zonen van Lavan zeggen: Ya’akov heeft zich alles toegeëigend wat van onze vader was, en uit hetgeen van onze vader was heeft hij zich al deze rijkdom gevormd. 2 Ook lette Ya’akov op het gezicht van Lavan, en zie, het was jegens hem niet als gisteren en eergisteren. 3 Toen zeide de Eeuwige tot Ya’akov: Keer terug naar het land uwer vaderen en naar uw maagschap, en Ik zal met u zijn. 4 Daarop liet Ya’akov Rachel en Lea roepen naar het veld, bij zijn kleinvee, en zeide tot haar: 5 Ik bemerk, dat het gezicht van uw vader jegens mij niet is als gisteren en eergisteren , maar de God mijns vaders is met mij geweest. 6 Ook weet gij zelf, dat ik met al mijn kracht uw vader gediend heb. 7 Maar uw vader heeft mij bedrogen en mijn loon tienmaal veranderd, doch God heeft hem niet toegelaten mij te benadelen. 8 Wanneer hij zeide: de gespikkelde zullen uw loon zijn, dan wierp al het kleinvee gespikkelde jongen; en wanneer hij zeide: de gestreepte zullen uw loon zijn , dan wierp al het kleinvee gestreepte jongen. 9 Zo heeft God de kudde uws vaders weggenomen en mij gegeven. 10 Het gebeurde eens in de tijd, toen het kleinvee bronstig was, dat ik mijn ogen opsloeg en ik zag in de droom, en zie , de bokken die het kleinvee besprongen , waren gestreept, gespikkeld en gevlekt. 11 En de Engel Gods zeide tot mij in de droom: Ya’akov. En ik zeide: Hier ben ik. 12 En Hij zeide: Sla toch uw ogen op en zie toe: al de bokken die het kleinvee bespringen, zijn gestreept, gespikkeld en gevlekt, want Ik heb gezien alles wat Lavan u aandoet. 13 Ik ben de God van Betel, waar gij een opgerichte steen gezalfd hebt, waar gij Mij een gelofte gedaan hebt; welnu, maak u reisvaardig, ga uit dit land weg en keer naar het land uwer maagschap terug. 14 Toen antwoordden Rachel en Lea en zeiden tot hem: Hebben wij nog deel of erfenis in het huis van onze vader? 15 Zijn wij door hem niet als vreemden geacht, omdat hij ons verkocht heeft? Ook heeft hij ons geld geheel en al opgemaakt. 16 Doch al de rijkdom, die God van onze vader weggenomen heeft, die behoort ons en onze kinderen; nu dan, doe al wat God u gezegd heeft. 17 Toen maakte Ya’akov zich reisvaardig, zette zijn kinderen en zijn vrouwen op de kamelen, 18 en dreef zijn gehele kudde voort en al de have, die hij verworven had, de kudde, die zijn eigendom was, die hij in Paddan-aram verworven had, om te gaan naar zijn vader Yitschak, naar het land Kanaän. 19 Lavan nu was heengegaan om zijn schapen te scheren. Toen stal Rachel de terafim van haar vader. 20 En Ya’akov misleidde de Arameeër Lavan door hem niet te vertellen, dat hij wilde vluchten. 21 Zo vluchtte hij met alles wat hij had, begaf zich op weg, trok over de Rivier en sloeg de richting in naar het gebergte van Gilead. 22 Toen aan Lavan op de derde dag werd bericht , dat Ya’akov gevlucht was, 23 nam hij zijn verwanten met zich mee, achtervolgde hem zeven dagreizen ver , en haalde hem in op het gebergte van Gilead. 24 En God kwam in een droom des nachts tot de Arameeër Lavan en zeide tot hem: Neem u wel in acht, dat gij met Ya’akov niet ten goede of ten kwade spreekt . 25 Toen Lavan Ya’akov bereikte, had Ya’akov zijn tent opgeslagen in het gebergte; ook Lavan met zijn verwanten sloegen hun tent in het gebergte van Gilead op. 26 En Lavan zeide tot Ya’akov: Wat hebt gij gedaan, dat gij mij misleid en mijn dochters als krijgsgevangenen weggevoerd hebt? 27 Waarom zijt gij heimelijk gevlucht en hebt gij mij misleid en het mij niet medegedeeld? Ik zou u dan uitgeleide hebben gedaan met vreugdebetoon en liederen, met tamboerijn en citer. 28 Gij hebt mij niet eens gelegenheid gegeven mijn zonen en dochters te kussen; zodoende hebt gij dwaas gehandeld. 29 Het is in mijn macht u kwaad te doen, maar de God van uw vader heeft gisterennacht tot mij gezegd: Neem u in acht, dat gij met Ya’akov niet ten goede of ten kwade spreekt. 30 Nu dan, als gij zijt heengegaan, enkel omdat gij zo vurig naar uws vaders huis verlangt, waarom hebt gij dan mijn goden gestolen? 31 Toen antwoordde Ya’akov en zeide tot Lavan: Ik was bevreesd, omdat ik dacht, dat gij mij uw dochters zoudt ontrukken. 32 Bij wie gij uw goden vindt, die blijve niet in leven; onderzoek in tegenwoordigheid van onze verwanten al wat ik bij mij heb, en neem het mee. Want Ya’akov wist niet, dat Rachel ze gestolen had. 33 Toen kwam Lavan in de tent van Ya’akov en in de tent van Lea en in de tent der beide slavinnen, maar hij vond ze niet. Nadat hij uit de tent van Lea gegaan was, kwam hij in de tent van Rachel. 34 Rachel nu had de terafim genomen en in het kameelzadel gelegd, en was daarop gaan zitten. En Lavan doorzocht de gehele tent, maar vond ze niet. 35 En zij zeide tot haar vader: Mijn heer worde niet toornig, omdat ik voor u niet kan opstaan, want het gaat mij naar de wijze der vrouwen. En hij zocht nauwkeurig, maar vond de terafim niet. 36 Toen werd Ya’akov toornig en twistte met Lavan, en Ya’akov antwoordde en zeide tot Lavan: Wat is mijn overtreding, wat is mijn zonde, dat gij mij zo heftig achtervolgd hebt? 37 Nu gij al mijn huisraad doorzocht hebt, wat hebt gij gevonden van al het huisraad van uw huis? Leg het hier neer voor de ogen van mijn en uw broeders, opdat zij scheidsrechters tussen ons zijn. 38 Het is nu twintig jaar, dat ik bij u geweest ben; uw ooien en uw geiten hebben geen misdracht gehad en de rammen van uw kleinvee heb ik niet gegeten. 39 Wat verscheurd was, bracht ik niet tot u, ik moest het zelf vergoeden; wat gestolen was, hetzij bij dag, hetzij bij nacht, hebt gij van mijn hand geeist. 40 Zo ging het mij: des daags sloopte mij de hitte en des nachts de koude, en de slaap week van mijn ogen. 41 Het is nu twintig jaar, dat ik in uw huis geweest ben; ik heb u veertien jaar om uw beide dochters gediend en zes jaar om uw vee, en gij hebt mijn loon tienmaal veranderd. 42 Indien de God van mijn vader, de God van Avraham en de Vreze van Yitschak, niet met mij was geweest, dan zoudt gij mij nu voorzeker met lege handen hebben weggezonden; mijn ellende en de arbeid mijner handen heeft God aangezien en Hij heeft gisterennacht het geding beslist . 43 Toen antwoordde Lavan en zeide tot Ya’akov: Deze dochters zijn mijn dochters en deze kinderen zijn mijn kinderen en dit vee is mijn vee, ja, al wat gij ziet, dat is van mij; wat zou ik dan nu mijn eigen dochters en de kinderen die zij gebaard hebben, kunnen aandoen? 44 Welnu, komaan, laten wij een verbond sluiten, ik en gij, opdat het tot een getuige zij tussen mij en u. 45 Daarop nam Ya’akov een steen en zette die overeind als een opgerichte steen. 46 Voorts zeide Ya’akov tot zijn verwanten: Brengt stenen bijeen. Toen haalden zij stenen en maakten een hoop en zij hielden daar bij die hoop een maaltijd. 47 Lavan noemde hem Jegar-sahaduta, en Ya’akov noemde hem Gal-ed. 48 En Lavan zeide: Deze steenhoop zij heden getuige tussen mij en u. Daarom noemde hij hem Gal-ed, 49 en ook Mispa, want hij zeide: De Eeuwige houde wacht tussen mij en u, wanneer wij van elkander gescheiden zullen zijn. 50 Indien gij mijn dochters vernederend behandelt , en indien gij behalve mijn dochters vrouwen neemt, zie toe, al is er niemand bij ons, God is getuige tussen mij en u. 51 Voorts zeide Lavan tot Ya’akov: Zie, deze steenhoop, en zie, de opgerichte steen die ik geplaatst heb tussen mij en u, 52 deze steenhoop zij getuige, en de opgerichte steen zij getuige: voorzeker, ik zal deze steenhoop niet voorbijtrekken naar u toe, en gij zult deze hoop en deze opgerichte steen niet voorbijtrekken naar mij toe, met kwade bedoeling. 53 De God van Avraham en de God van Nachor, de God van hun vader, mogen richten tussen ons. Toen zwoer Ya’akov bij de Vreze van zijn vader Yitschak. 54 En Ya’akov bracht een slachtoffer op die berg en nodigde zijn verwanten tot een maaltijd. En zij hielden de maaltijd en overnachtten op de berg. 55 De volgende morgen vroeg kuste Lavan zijn zonen en dochters en zegende hen, en Lavan keerde terug naar zijn woonplaats.

32:1 Ook Ya’akov ging zijns weegs, en engelen Gods ontmoetten hem. 2 Toen hij hen zag, zeide Ya’akov: Dit is een leger Gods. Daarom noemde hij die plaats Machanaim. 3 En Ya’akov zond boden voor zich uit tot zijn broeder Esav, naar het land Seir het gebied van Edom.

Hoshea 12:13 Door een profeet heeft De Eeuwige Israël uit Egypte gevoerd, en door een profeet werd het gehoed. 14 Bitter krenkend heeft Efraïm gehandeld, maar zijn Here zal zijn bloedschuld op hem doen neerkomen, en hem zijn smaad vergelden.

13:1 Zodra Efraïm sprak, was er schrik, hij was verheven in Israël; maar hij maakte zich schuldig door de Baal, en stierf weg. 2 Ook nu gaan zij voort met zondigen en maken zich gegoten beelden van hun zilver , afgodsbeelden, naar eigen inzicht, alles het werk van metaalbewerkers. Men zegt van hen: De mensen die offeren, kussen kalveren. 3 Daarom zullen zij worden als een morgenwolk , als dauw die in de vroegte vergaat , als kaf dat van de dorsvloer wegstuift , en als rook uit het venster. 4 Maar Ik ben de Eeuwige, uw God, van het land Egypte af; een God nevens Mij kent gij niet en een verlosser buiten Mij is er niet. 5 Ik heb u in de woestijn gekend, in een verschroeid land. 6 Toen zij weidden, werden zij verzadigd; toen zij verzadigd waren, verhief zich hun hart ; daarom vergaten zij Mij. 7 Zo ben Ik hun als een leeuw geworden, loer ik als een panter op de weg. 8 Ik val hen aan als een van jongen beroofde berin, Ik rijt hun borstkas open en verslind ze dan als een leeuwin; het gedierte des velds verscheurt hen. 9 Het is uw verderf, Israël, dat gij u keert tegen Mij, uw helper. 10 Waar is toch uw koning, dat hij u zou verlossen in al uw steden, en waar zijn uw regeerders? Gij die zeidet: Geef mij een koning en vorsten! 11 Ik geef u een koning in mijn toorn, en Ik neem hem weg in mijn verbolgenheid. 12 Welbewaard is Efraïm ongerechtigheid, weggeborgen zijn zonde. 13 Barensweeën gaan hem vooraf: maar het is een onverstandig kind; wanneer de tijd daar is, komt het niet ter wereld. 14 Zou Ik hen uit de macht van het dodenrijk bevrijden, van de dood loskopen? Dood, waar zijn uw pestziekten, dodenrijk, waar is uw verderf? Mijn oog kent geen medelijden. 15 Ook wanneer hij tussen broeders zou opbloeien, zou toch de oostenwind, de wind van De Eeuwige, opstekend uit de woestijn, komen, zodat zijn bron zou opdrogen en zijn wel droog zou worden; die zal de voorraad van alle kostbaarheden plunderen. 16 Samaria moet boeten, omdat het weerspannig is geweest tegen zijn God. Door het zwaard zullen zij vallen, hun kleine kinderen zullen worden verpletterd hun zwangere vrouwen zullen worden opengereten.

14:1 Bekeer u, Israël, tot de Eeuwige, uw God, want door uw ongerechtigheid zijt gij gestruikeld. 2 Komt met woorden van schuldbelijdenis, bekeert u tot de Eeuwige, zegt tot Hem: Vergeef de ongerechtigheid geheel en al , en wees genadig; wij bieden als offerstieren de belijdenis onzer lippen. 3 Assur zal ons niet verlossen, op paarden zullen wij niet rijden. En wij zullen niet meer zeggen tot het werk onzer handen: Onze God! Want van U verkrijgt de wees barmhartigheid. 4 Ik zal hun afkerigheid genezen, Ik zal hen vrijwillig liefhebben, want mijn toorn keert zich van hen af. 5 Ik zal zijn als de dauw voor Israël, hij zal bloeien als een lelie, en zijn wortelen uitstrekken als de Libanon. 6 Zijn loten zullen uitlopen; zijn pracht zal zijn als die van een olijfboom en zijn geur als die van de Libanon. 7 Zij die in zijn schaduw wonen, zullen weer koren verbouwen. Ja, zij zullen bloeien als een wijnstok, beroemd als de wijn van de Libanon. 8 Efraïm, wat heb Ik nog met de afgoden te doen? (Ik verhoor hem en zie hem aan.) Ik ben als een altijdgroene cypres, aan Mij is uw vrucht te danken. 9 Wie wijs is, geve op deze dingen acht ; wie verstandig is, erkenne ze. Want de wegen van de Eeuwige zijn recht: rechtvaardigen wandelen daarop, maar overtreders struikelen er.

Matit’yahu 3:13 Toen kwam Yeshua uit Galilea naar de Jordaan tot Yochanan, om Zich door hem te laten dopen. 14 Maar deze trachtte Hem daarvan terug te houden en zeide: Ik heb nodig door U gedoopt te worden en komt Gij tot mij? 15 Yeshua echter antwoordde en zeide tot hem: Laat Mij thans geworden, want aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij Hem geworden. 16 Terstond nadat Yeshua gedoopt was, steeg Hij op uit het water. En zie, de hemelen openden zich, en hij zag de Geest van Elohim nederdalen als een duif en op Hem komen. 17 En zie, een stem uit de hemelen zeide: Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb. 4:1 Toen werd Yeshua door de Ruach naar de woestijn geleid om verzocht te worden door de duivel. 2 En nadat Hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, kreeg Hij ten laatste honger. 3 En de verzoeker kwam en zeide tot Hem: Indien Gij Elohim’s Zoon zijt, zeg dan, dat deze stenen broden worden. 4 Maar Hij antwoordde en zeide: Er staat geschreven: Niet alleen van brood zal de mens leven, maar van alle woord, dat uit de mond van Elohim uitgaat. 5 Toen nam de duivel Hem mede naar de heilige stad en hij stelde Hem op de rand van het dak des tempels, 6 en zeide tot Hem: Indien Gij Elohim’s Zoon zijt, werp Uzelf dan naar beneden; er staat immers geschreven: Aan zijn engelen zal Hij opdracht geven aangaande u, en op de handen zullen zij u dragen, opdat gij uw voet niet aan een steen stoot. 7 Yeshua zeide tot hem: Er staat ook geschreven: Gij zult Adonai, uw Elohim, niet verzoeken. 8 Wederom nam de duivel Hem mede naar een zeer hoge berg en hij toonde Hem al de koninkrijken der wereld en hun heerlijkheid, 9 en zeide tot Hem: Dit alles zal ik U geven, indien Gij U nederwerpt en mij aanbidt. 10 Toen zeide Yeshua tot hem: Ga weg, satan! Er staat immers geschreven: Adonai, uw Elohim, zult gij aanbidden en Hem alleen dienen. 11 Toen liet de duivel Hem met rust en zie, engelen kwamen en dienden Hem.

Een paar gedachten;

>En hij bereikte de plaats (28:11). In het hebreeuws staat BaMakom, dat is de plaats (i.p.v. een plaats). Het moet dus een (voor hem) bepaalde bekende/betekenisvolle plaats zijn geweest. In Gen. 22:4 wordt over ‘plaats’ gesproken om de berg Moriah (Sion) aan te duiden. Bethel betekend huis Gods (een naam voor de Tempel). Het huidige Bethel bestond toen ook al naast deze hier genoemde plaats.

>Als Ya’akov het land uitgaat naar Charan bevestigt God aan hem de belofte dat het land Kanaän aan zijn nageslacht zal worden gegeven en dat alle andere aardbewoners door zijn nakomelingen zullen worden gezegend (28:13-16). Het waren de eerste woorden die de Eeuwige tegen Ya'akov sprak. Rav Eli Sadan legt uit aan de hand van deze woorden en aan de hand van de eerste opdracht die ook de andere aartsvaders van de Eeuwige kregen (Avraham, Yitschak, Moshé en Joshua) dat het van groot belang is voor een Israëliet om in het land Israël te wonen. Je kunt hier uit opmaken dat de mitzwe van het wonen in het land Israël boven de andere mitswe's uit gaat.

>(28:21) De Joodse wijzen halen onder andere hieruit de aanwijzing voor het avondgebed = arwiet/ma’ariew. (Mincha = middaggebed (ingesteld door Yitschak), Sjachariet = ochtendgebed (ingesteld door Avraham)).

>(28:22) En deze steen, die ik tot een opgerichte steen gesteld heb, zal een huis Gods wezen , en van alles wat Gij mij schenken zult, zal ik U stipt de tienden geven. Ya'akov geeft aan dat daar de Tempel gebouwd zal worden en dat dat de plaats is waar de tienden naar toegebracht moeten worden.

>Ondanks het feit dat Lavan niet eerlijk is t.o.v. Ya’akov, blijft Ya’akov zijn werk in toewijding en trouw doen. Een tsaddiek onder alle omstandigheden.

>Toen zeide Rachel: Op bovenmenselijke wijze heb ik met mijn zuster geworsteld (30:8) Volgens de Joodse wijzen is de 'competitie' tussen Lea en Rachel is de 'competitie' tussen Messiach ben Yosef en Messiach Ben David. Saul was zoon van Yoseph (beeld van de Messiach ben Yosef). David van Judah. Toen Saul was doorstoken kwam David als koning. In Zach 12: 10 gaat het over de Messiach ben Yosef die doorstoken is ten tijde dat de Messiach ben David zal komen. (en ze zullen mij aanschouwen, vanwege degene (at asher) die was doorstoken, en over hem een rouwklacht aanheffen als de rouwklacht over een enig kind, ja, zij zullen over hem bitter leed dragen als het leed om een eerstgeborene)

>Het huis van Lavan, waar Ya’akov verblijft wordt door God gezegend vanwege het verblijf van Ya’akov (30:27).

>Lavan probeert Ya’akov te bedriegen (30:32-35). God helpt Ya’akov het bedrog te ontkrachten en ondanks het bedrog toch de verdiende ‘bezoldiging’ te krijgen. God zorgt ervoor dat Ya’akov niet benadeeld wordt.

>God stuurt de omstandigheden zo dat Ya’akov weet dat hij bij Lavan weg moet gaan en terug naar Kanaän (31:1-3).

>God herinnert Ya’akov aan het moment dat betekenisvol voor hem is geweest en herinnert hem aan zijn belofte aan Hem om hem op pad te laten gaan. (31;13)

>Gods bescherming is overweldigend. Lavan wordt door God zelf gewaarschuwd om Ya’akov niets te doen.(31:24)

>Ya’akov spreekt een vloek uit over degene die de afgodsbeelden van Lavan gestolen heeft. (31:32) De Joodse uitleggers schrijven de vroege dood van Rachel aan haar daad toe. God was echter genadig en liet haar leven tot na de bevalling van Benjamin.

>Ya’akov en Lavan sluiten een verbond (31:51-53) tussen hen beide families. Biliam, de nakomeling van Lavan heeft dat verbond echter verbroken. Hij passeerde de hoop stenen om de nakomelingen van Ya’akov te vervloeken zo leren de Joodse wijzen.

>Terugkeren naar God gebeurt door belijdenis van zonde en bekering naar God door in Zijn wegen te wandelen (Hos.14:1-9). God vergeeft dan. Er is geen verlosser als Hij, de Eeuwige (13:4)

Tags: Bijbel, Parashat Hashavuah, Shabbat, Thora, Thoralezing, Vayetze, ויצא

Categories: None

Post a Comment

Oops!

Oops, you forgot something.

Oops!

The words you entered did not match the given text. Please try again.

Already a member? Sign In

0 Comments