Blog

Vayeshev/en hij woonde

Posted by Miriyam Burger on November 23, 2013 at 6:55 AM

 

 

Exhaled Breath

 

It begins at our feet

This journey

Of a thousand heart beats

Walked in ceremony

Amidst the sound

Of heavens symphony

As a soul

Is rekindled

And reawakened

From its dormancy

Back to this ancient of paths

Where the world

Becomes hushed in silence

As a soul is reshaped

And redrawn

By the exhaled

Breath of the Almighty

 

 

 

Jeremiah 6:16

This is what the LORD says:

 

 

“Stand at the crossroads and look;

ask for the ancient paths,

ask where the good way is, and walk in it,

and you will find rest for your souls.


/Vayeshev/En hij woonde

 

Thora: B’reshit/Genesis 37:1-40:23

 

Haftarah: Amotz/Amos 2:6-3:8

 

B’rit haChadasha: Yochanan/Johannes 2:13-4:42

 

B’reshit 37:1-40:23, 1 Ya’akov echter woonde in het land der vreemdelingschap van zijn vader, in het land Kanaän. 2 Dit is de geschiedenis van Ya’akov. Yoseph, zeventien jaar oud, hij was dus nog jong, placht met zijn broeders, de zonen van Bilha en de zonen van Zilpa, de vrouwen van zijn vader, de schapen te hoeden. En Yoseph bracht kwaad gerucht aangaande hen aan hun vader over. 3 En Israël had Yoseph lief boven al zijn zonen, omdat hij hem een zoon des ouderdoms was; en hij maakte hem een pronkgewaad . 4 Toen zijn broeders zagen, dat hun vader hem boven al zijn broeders liefhad, haatten zij hem en konden niet vriendelijk met hem spreken. 5 En Yoseph had een droom en vertelde die aan zijn broeders; daarom haatten zij hem nog meer. 6 Hij zeide namelijk tot hen: Hoort toch deze droom die ik gehad heb. 7 Zie, wij waren aan het schoven binden in het veld, daar richtte mijn schoof zich op en bleef overeind staan, en zie, uw schoven omringden haar en bogen zich voor mijn schoof neer. 8 Daarop zeiden zijn broeders tot hem: Wilt gij soms koning over ons zijn? Wilt ge soms over ons heersen? Toen haatten zij hem nog meer om zijn droom en om zijn woorden. 9 En hij had nog een andere droom, die hij aan zijn broeders verhaalde. Hij zeide: Nu heb ik weer een droom gehad, en zie, de zon, de maan en elf sterren bogen zich voor mij neer. 10 Toen hij dit aan zijn vader en zijn broeders verhaalde, onderhield zijn vader hem daarover, en zeide tot hem: Wat voor een droom is dat, die gij gehad hebt? Zullen soms ik, uw moeder en uw broeders komen om ons voor u ter aarde neer te buigen? 11 Zijn broeders dan benijdden hem, maar zijn vader hield de zaak in gedachten. 12 Eens waren zijn broeders heengegaan om de schapen van hun vader bij Sichem te weiden. 13 Toen zeide Israël tot Yoseph: Uw broeders weiden immers bij Sichem? Kom , ik wil u tot hen zenden. En hij zeide tot hem: Hier ben ik. 14 Verder zeide hij tot hem: Ga toch en doe onderzoek naar de welstand van uw broeders en naar de welstand van de schapen en breng mij bescheid. En hij liet hem gaan uit het dal van Hevron en hij kwam te Sichem. 15 Toen hij nu in het veld omdoolde, trof hem een man aan, die hem vroeg : Wat zoekt gij? 16 En hij zeide: Ik zoek mijn broeders; vertel mij toch, waar zij weiden. 17 Daarop zeide die man: Zij zijn van hier opgebroken, want ik heb hen horen zeggen: Laten wij naar Dotan gaan. Toen ging Yoseph zijn broeders achterna en hij trof hen aan te Dotan. 18 En zij zagen hem van verre. Maar voordat hij bij hen gekomen was, smeedden zij een aanslag tegen hem om hem te doden. 19 Zij zeiden tot elkander: Zie, daar komt die aartsdromer aan. 20 Nu dan, komt, laten wij hem doden en in een van de putten werpen, en laten wij dan zeggen: een wild dier heeft hem verslonden. Dan zullen wij zien, wat er van zijn dromen terechtkomt. 21 Toen Ruven dit hoorde, wilde hij hem uit hun hand redden, en zeide: Laten wij hem niet doodslaan. 22 Verder zeide Ruven tot hen: Vergiet geen bloed; werpt hem in deze put, die in de woestijn is, maar slaat de hand niet aan hem, met de bedoeling hem uit hun hand te redden en naar zijn vader terug te brengen. 23 Zodra Yoseph bij zijn broeders gekomen was, trokken zij Yoseph zijn kleed uit het pronkgewaad, dat hij droeg. 24 En zij namen hem en wierpen hem in de put; de put nu was leeg, er stond geen water in. 25 Daarna zetten zij zich neer om te eten. Toen zij hun ogen opsloegen, daar zagen zij een karavaan van Ismaëlieten aankomen uit Gilead, wier kamelen gom , balsem en hars droegen, op weg om dat naar Egypte te brengen. 26 Toen zeide Juda tot zijn broeders: Wat voordeel is erin gelegen, wanneer wij onze broeder doden en zijn bloed verbergen? 27 Komt dan, laten wij hem aan de Ismaëlieten verkopen, doch laten wij niet de hand aan hem slaan, want hij is onze broeder, ons eigen vlees. En zijn broeders gaven daaraan gehoor. 28 Toen Midjanitische mannen, kooplieden, voorbijgingen, trokken zij Yoseph omhoog, haalden hem op uit de put en verkochten Yoseph voor twintig zilverstukken aan de Ismaëlieten; en dezen brachten Yoseph naar Egypte. 29 Toen Ruven bij de put kwam, zie , Yoseph was niet in de put. En hij scheurde zijn klederen, 30 keerde naar zijn broeders terug en zeide: De knaap is er niet, en ik, waar moet ik heen? 31 Toen namen zij Yosephs kleed, slachtten een geitebok en doopten het kleed in het bloed. 32 En zij lieten het pronkgewaad aan hun vader brengen met de boodschap: Dit hebben wij gevonden; zie toch, of dit het kleed van uw zoon is of niet. 33 En hij herkende het en zeide: Het is het kleed van mijn zoon; een wild dier heeft hem verslonden; Yoseph is stellig verscheurd. 34 En Ya’akov scheurde zijn mantel, deed een rouwgewaad om zijn heupen en treurde lange tijd over zijn zoon. 35 Al zijn zonen en al zijn dochters deden hun best hem te troosten, maar hij weigerde zich te laten troosten, en zeide: Neen, rouw dragend zal ik tot mijn zoon in het dodenrijk neerdalen. En zijn vader beweende hem. 36 De Midjanieten nu verkochten hem naar Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao , de overste der lijfwacht. 38:1 In die tijd trok Juda van zijn broeders weg en nam zijn intrek bij een man van Adullam, genaamd Chira. 2 En Juda zag daar de dochter van een Kanaänitisch man, genaamd Sua; hij huwde haar en kwam tot haar. 3 En zij werd zwanger, baarde een zoon, en noemde hem Er. 4 Daarna werd zij opnieuw zwanger, baarde een zoon en noemde hem Onan. 5 Vervolgens baarde zij nogmaals een zoon, en noemde hem Sela. Hij was te Kezib, toen zij hem baarde. 6 En Juda nam voor Er, zijn eerstgeborene , een vrouw, genaamd Tamar. 7 En Er, de eerstgeborene van Juda, wekte het misnoegen van De Eeuwige op, en De Eeuwige doodde hem. 8 Toen zeide Juda tot Onan: Ga tot uws broeders vrouw, sluit met haar het zwagerhuwelijk en verwek voor uw broeder nakroost. 9 Maar Onan wist, dat het nakroost hem niet zou toebehoren, daarom, zo vaak hij tot de vrouw van zijn broeder kwam, verspilde hij het zaad op de grond, om aan zijn broeder geen nakroost te geven. 10 En hetgeen hij gedaan had, was kwaad in de ogen van De Eeuwige, en Hij doodde ook hem. 11 Toen zeide Juda tot zijn schoondochter Tamar: Ga als weduwe in het huis van uw vader wonen, totdat mijn zoon Sela groot is , want hij dacht: Dat ook hij niet sterve evenals zijn broeders. En Tamar ging in het huis van haar vader wone. 12 Na verloop van vele dagen stierf de dochter van Sua, de vrouw van Juda. En toen Juda de rouwtijd ten einde gebracht had, ging hij naar de scheerders van zijn schapen, hij en zijn vriend Chira, de Adullamiet, naar Timna. 13 Toen aan Tamar bericht werd: Zie , uw schoonvader is naar Timna gegaan om zijn schapen te scheren, 14 trok zij haar weduwkleed uit, bedekte zich met een sluier, vermomde zich en ging zitten aan de ingang van Enaim, dat aan de weg naar Timna ligt, omdat zij gezien had, dat Sela groot geworden was, en zij hem niet tot vrouw was gegeven. 15 Toen Juda haar zag, hield hij haar voor een hoer, omdat zij haar aangezicht bedekt had. 16 En hij wendde zich tot haar aan de weg en zeide: Welaan, laat mij toch tot u komen, want hij wist niet, dat zij zijn schoondochter was. Daarop zeide zij: Wat zult gij mij geven, wanneer gij tot mij komt? 17 En hij zeide: Ik zal u een geitebokje van de kudde zenden. Zij dan zeide: Als gij mij dan maar een pand geeft , totdat gij het gezonden hebt. 18 Hij zeide: Wat voor pand moet ik u geven ? Zij zeide: Uw zegelring, uw snoeren en de staf, die in uw hand is. Toen gaf hij het haar, en hij kwam tot haar en zij werd zwanger van hem. 19 Daarna stond zij op, en ging heen, legde haar sluier af en trok haar weduwkleed aan. 20 Juda nu zond het geitebokje door bemiddeling van zijn vriend, de Adullamiet, om het pand uit de hand der vrouw in ontvangst te nemen, maar deze trof haar niet aan. 21 En hij vroeg de mannen van haar woonplaats : Waar is die deerne, die te Enaim aan de weg zat? En zij zeiden: Er is hier geen deerne geweest. 22 Hij dan kwam tot Juda terug en zeide: Ik heb haar niet gevonden; en ook de mannen van die plaats zeiden: Er is hier geen deerne geweest. 23 Toen zeide Juda: Laat zij het behouden, opdat wij niet tot spot worden; zie ik heb het bokje gezonden, maar gij hebt haar niet kunnen vinden. 24 Na verloop van ongeveer drie maanden werd Juda bericht: Uw schoondochter Tamar heeft hoererij bedreven, en zie, zij is ook zwanger door hoererij. Toen zeide Juda: Brengt haar naar buiten, opdat zij verbrand worde. 25 Terwijl zij naar buiten gebracht werd, zond zij haar schoonvader deze boodschap: Bij de man, van wie deze dingen zijn, ben ik zwanger. Ook zeide zij: Zie eens goed, van wie deze zegelring en snoeren en staf zijn. 26 Toen herkende Juda ze en hij zeide: Zij staat tegenover mij in haar recht, omdat ik haar niet aan mijn zoon Sela heb gegeven. En hij heeft geen gemeenschap meer met haar gehad. 27 Toen het nu de tijd was, dat zij baren zou , was er een tweeling in haar schoot. 28 En toen zij baarde, stak er een zijn hand uit, en de vroedvrouw nam die, bond om zijn hand een scharlaken draad en zeide: Deze is het eerst gekomen. 29 En toen hij zijn hand weer introk, daar kwam zijn broeder, en zij zeide: Hoe krachtig zijt gij doorgebroken, en zij gaf hem de naam Peres. 30 En daarna kwam zijn broeder aan wiens hand de scharlaken draad was, en men noemde hem Zerach. 39:1 Yoseph nu werd naar Egypte gebracht; en Potifar, een hoveling van Farao, de overste der lijfwacht, een Egyptenaar, kocht hem van de Ismaëlieten die hem daarheen gebracht hadden. 2 En De Eeuwige was met Yoseph, zodat hij een voorspoedig man werd, en hij woonde in het huis van zijn heer, de Egyptenaar . 3 Toen zijn heer zag, dat De Eeuwige met hem was, en dat De Eeuwige alles wat hij ondernam onder zijn hand deed gelukken, 4 won Yoseph zijn genegenheid en hij mocht hem bedienen; hij stelde hem aan over zijn huis, en alles wat hij had, gaf hij in zijn hand. 5 Van het ogenblik af, dat hij hem over zijn huis en over al wat hij bezat had aangesteld, zegende De Eeuwige het huis van de Egyptenaar om Yosephs wil: de zegen van De Eeuwige rustte op alles wat hij had, zowel in huis als op het veld. 6 En hij liet al het zijne aan Yoseph over, en met hem naast zich, bemoeide hij zich enkel met het brood dat hij at. Yoseph nu was schoon van gestalte en schoon van uiterlijk. 7 Hierna sloeg de vrouw van zijn heer haar ogen op Yoseph, en zij zeide : Kom bij mij liggen. 8 Maar hij weigerde en zeide tot de vrouw van zijn heer: Zie, mijn heer bemoeit zich, met mij naast zich, met niets van wat er in huis is, en alles wat hij heeft, heeft hij in mijn hand gegeven; 9 niemand is in dit huis machtiger dan ik, en hij heeft mij niets onthouden dan alleen u, omdat gij zijn vrouw zijt; hoe zou ik dan dit grote kwaad doen en zondigen tegen God? 10 En ofschoon zij dag aan dag tot Yoseph sprak, voldeed hij niet aan haar wens bij haar te gaan liggen en omgang met haar te hebben. 11 Op zekere dag kwam hij het huis binnen om zijn werk te verrichten, terwijl niemand van de huisgenoten daar in huis was. 12 Toen greep zij hem bij zijn kleed en zeide : Kom bij mij liggen. Maar hij liet zijn kleed in haar hand achter, vluchtte en liep naar buiten. 13 Toen zij nu zag, dat hij zijn kleed in haar hand achtergelaten had en naar buiten gevlucht was, 14 riep zij haar huisgenoten en zeide tot hen: Ziet toch, hij heeft ons een Hebreeuwse man gebracht opdat deze zijn spel met ons drijve; hij is bij mij gekomen om bij mij te liggen, maar ik heb met luider stem geroepen; 15 en toen hij hoorde, dat ik mijn stem verhief en riep, liet hij zijn kleed bij mij achter, vluchtte en liep naar buiten. 16 Daarop legde zij zijn kleed bij zich neer, totdat zijn heer thuiskwam. 17 En zij sprak tot hem in dezer voege : Die Hebreeuwse slaaf, die gij ons gebracht hebt, is bij mij gekomen om zijn spel met mij te drijven. 18 Maar toen ik mijn stem verhief en riep, heeft hij zijn kleed bij mij achtergelaten en is naar buiten gevlucht. 19 Zodra zijn heer de woorden hoorde , die zijn vrouw tot hem sprak : zo en zo heeft uw slaaf mij gedaan, ontbrandde zijn toorn. 20 En Yosephs heer greep hem en wierp hem in de gevangenis, de plaats waar de gevangenen van de koning gevangen zaten . Zo kwam hij daar in de gevangenis. 21 En De Eeuwige was met Yoseph; Hij bewees hem genade en deed hem de genegenheid van de overste der gevangenis winnen. 22 Daarom vertrouwde de overste der gevangenis al de gevangenen die in de gevangenis waren, aan Yoseph toe, en al wat daar te doen was, deed hij. 23 De overste der gevangenis keek niet om naar iets dat hem was toevertrouwd, omdat De Eeuwige met hem was; en wat hij verrichtte, deed De Eeuwige gelukken. 40:1 Hierna gebeurde het, dat de schenker en de bakker van de koning van Egypte zondigden tegen hun heer, de koning van Egypte. 2 En Farao werd toornig op zijn beide hovelingen, de overste der schenkers en de overste der bakkers. 3 Hij zette hen in hechtenis in het huis van de overste der lijfwacht, in de gevangenis, de plaats waar Yoseph gevangen zat. 4 En de overste der lijfwacht stelde Yoseph bij hen aan, om hen te bedienen. En zij waren geruime tijd in hechtenis. 5 Zij nu hadden beiden een droom, ieder zijn eigen droom, in dezelfde nacht, ieder een droom met een eigen betekenis, zowel de schenker als de bakker van de koning van Egypte , die in de gevangenis gevangen zaten. 6 Toen Yoseph in de morgen bij hen kwam, zag hij hen aan, en zie, zij waren mismoedig. 7 Hij vroeg aan de hovelingen van Farao, die met hem in hechtenis waren in het huis van zijn heer: Waarom staat uw gezicht zo somber vandaag? 8 Daarop zeiden zij tot hem: Wij hebben een droom gehad en er is niemand, die hem kan uitleggen. Toen zeide Yoseph tot hen: Zijn de uitleggingen niet Gods zaak? Vertelt het mij toch. 9 Daarop vertelde de overste der schenkers aan Yoseph zijn droom en zeide tot hem: In mijn droom, zie, er stond een wijnstok voor mij. 10 Aan de wijnstok waren drie ranken, en nauwelijks begon hij te botten, of zijn bloesem was er, en zijn trossen droegen rijpe druiven. 11 En Farao’s beker was in mijn hand. Ik nam de druiven, perste ze uit in Farao’s beker en gaf de beker in Farao’s hand. 12 Toen zeide Yoseph tot hem: Dit is de uitlegging ervan: de drie ranken, dat zijn drie dagen; 13 binnen drie dagen zal Farao uw hoofd verhogen en u in uw rang herstellen , en gij zult Farao de beker in de hand geven, zoals gij tevoren placht te doen, toen gij zijn schenker waart. 14 Maar blijf aan mij denken, wanneer het u goed zal gaan; toon mij toch uw dankbaarheid door van mij gewag te maken bij Farao, en breng mij uit dit huis. 15 Want gestolen ben ik uit het land der Hebreeën, en ook hier heb ik niets gedaan, waarom zij mij in dit kerkerhol hadden kunnen zetten. 16 Toen de overste der bakkers zag, dat Yoseph een gunstige uitlegging gegeven had , zeide hij tot hem: Ook ik had een droom: zie, er waren op mijn hoofd drie korven met gebak. 17 In de bovenste korf was allerlei spijs voor Farao, wat een bakker bereidt. Het gevogelte at dit uit de korf, boven mijn hoofd. 18 Toen antwoordde Yoseph: Dit is de uitlegging ervan: de drie korven, dat zijn drie dagen; 19 binnen drie dagen zal Farao uw hoofd verhogen, boven u, en u aan een paal hangen en het gevogelte zal het vlees van u afeten. 20 Op de derde dag nu, de geboortedag van Farao, maakte hij een maaltijd voor al zijn dienaren. En hij verhief het hoofd van de overste der schenkers en het hoofd van de overste der bakkers te midden van zijn dienaren. 21 Want hij herstelde de overste der schenkers in zijn schenkersambt, zodat hij de beker weer in Farao’s hand gaf. 22 Maar de overste der bakkers hing hij op , zoals Yoseph hun had uitgelegd. 23 Doch de overste der schenkers dacht niet aan Yoseph, maar vergat hem.

 

Amotz 2:6-3:8, 6 Zo zegt De Eeuwige: Om drie overtredingen van Israël, ja om vier, zal Ik het niet herroepen. Omdat zij de rechtvaardige voor geld verkopen en de arme om een paar schoenen. 7 Zij die ernaar snakken, dat stof van de aarde zij op het hoofd der geringen, en die de weg der weerlozen ombuigen; en een man en zijn vader gaan naar hetzelfde meisje, om mijn heilige naam te ontwijden; 8 op verpande klederen strekken zij zich uit naast elk altaar, en de wijn der beboeten drinken zij in hun godshuizen; 9 en Ik had nog wel de Amoriet verdelgd voor hun aangezicht, al was hij dan hoog als de ceders en sterk als de eiken; ja Ik roeide zijn vrucht uit van boven en zijn wortels beneden; 10 en Ik had u nog wel uit het land Egypte gevoerd en u veertig jaren in de woestijn geleid , opdat gij het land der Amorieten in bezit zoudt nemen; 11 en uit uw zonen verwekte Ik er tot profeten en uit uw jongelingen tot nazireeers. Is dat soms niet zo, gij Israëlieten? luidt het woord van De Eeuwige. 12 Maar gij gaaft de nazireeers wijn te drinken , en geboodt de profeten: Gij moogt niet profeteren! 13 Zie, Ik maak, dat het onder u zal kraken, gelijk een wagen kraakt, van garven overvol. 14 Dan zal aan de snelle de vlucht afgesneden zijn , de sterke zal zijn kracht niet kunnen ontplooien en de krijgsheld zal er het leven niet afbrengen. 15 Ook de boogschutter zal niet standhouden en de snelvoetige zal niet ontkomen en de ruiter zal er het leven niet afbrengen. 16 Ja, de kloekhartigste onder de helden zal te dien dage naakt wegvluchten, luidt het woord van De Eeuwige. 3:1 Hoort dit woord, dat De Eeuwige over u spreekt, gij Israëlieten, over het ganse geslacht dat Ik uit het land Egypte heb gevoerd: 2 U alleen heb Ik gekend uit alle geslachten van het aardrijk; daarom zal Ik al uw ongerechtigheden aan u bezoeken. 3 Gaan er twee tezamen, zonder dat zij het eens geworden zijn? 4 Brult een leeuw in het woud, zonder dat hij prooi heeft? Laat een jonge leeuw zijn gegrom horen uit zijn hol, tenzij hij iets heeft gevangen? 5 Schiet een vogel neer op het klapnet op de aarde, zonder dat er een lokaas voor hem is? Vliegt het klapnet op van de grond, zonder dat het iets vangt? 6 Wordt de bazuin in een stad geblazen, zonder dat de inwoners opschrikken? Geschiedt er een ramp in een stad, zonder dat De Eeuwige die bewerkt? 7 Voorzeker, De Eeuwige de Here doet geen ding, of Hij openbaart zijn raad aan zijn knechten, de profeten. 8 De leeuw heeft gebruld; wie zou niet vrezen? De Eeuwige de Here heeft gesproken ; wie zou niet profeteren?

 

Yochanan 2:13 En het Pascha der Joden was nabij en Yeshua ging op naar Jeruzalem. 14 En Hij vond in de tempel de verkopers van runderen en schapen en duiven, en de wisselaars, die daar zaten. 15 En Hij maakte een zweep van touw en dreef allen uit de tempel, de schapen en de runderen; en het geld van de wisselaars wierp Hij op de grond en hun tafels keerde Hij om. 16 En tot de duivenverkopers zeide Hij: Neemt dit alles hier vandaan, maakt het huis mijns Vaders niet tot een verkoophuis. 17 En zijn discipelen herinnerden zich, dat er geschreven is: De ijver voor uw huis zal Mij verteren. 18 De Joden dan antwoordden en zeiden tot Hem: Welk teken toont Gij ons, dat Gij dit moogt doen? 19 Yeshua antwoordde en zeide tot hen: Breekt deze tempel af en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen. 20 De Joden dan zeiden: Zesenveertig jaren is over deze tempel gebouwd en Gij zult hem binnen drie dagen doen herrijzen? 21 Maar Hij sprak van de tempel zijns lichaams. 22 Toen Hij dan opgewekt was uit de doden, herinnerden zijn discipelen zich, dat Hij dit gezegd had, en zij geloofden de Schrift en het woord, dat Yeshua gesproken had. 23 En terwijl Hij te Jeruzalem was, op het Paasfeest, geloofden velen in zijn naam, doordat zij zijn tekenen zagen, die Hij deed; 24 maar Yeshua zelf vertrouwde Zichzelf hun niet toe, omdat Hij hen allen kende 25 en omdat het voor Hem niet nodig was, dat iemand van de mens getuigde; want Hij wist zelf, wat in de mens was. 1 En er was iemand uit de Farizeeën, wiens naam was Nikodemus, een overste der Joden; 2 deze kwam des nachts tot Hem en zeide tot Hem: Rabbi, wij weten, dat Gij van God gekomen zijt als leraar; want niemand kan die tekenen doen, welke Gij doet, tenzij God met Hem is. 3 Yeshua antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien. 4 Nikodemus zeide tot Hem: Hoe kan een mens geboren worden, als hij oud is? Kan hij dan voor de tweede maal in de moederschoot ingaan en geboren worden? 5 Yeshua antwoordde: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan. 6 Wat uit het vlees geboren is, is vlees, en wat uit de Geest geboren is, is geest. 7 Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden. 8 De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet, vanwaar hij komt of waar hij heengaat; zó is een ieder, die uit de Geest geboren is. 9 Nikodemus antwoordde en zeide tot Hem: Hoe kan dit geschieden? 10 Yeshua antwoordde en zeide tot hem: Gij zijt de leraar van Israël, en deze dingen verstaat gij niet? 11 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wij spreken van wat wij weten en wij getuigen van wat wij gezien hebben, en gij neemt ons getuigenis niet aan. 12 Indien Ik ulieden van het aardse gesproken heb, zonder dat gij gelooft, hoe zult gij geloven, wanneer Ik u van het hemelse spreek? 13 En niemand is opgevaren naar de hemel, dan die uit de hemel nedergedaald is, de Zoon des mensen. 14 En gelijk Moshe de slang in de woestijn verhoogd heeft, zó moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden, 15 opdat een ieder, die gelooft, in Hem eeuwig leven hebbe. 16 Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. 17 Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld veroordele, maar opdat de wereld door Hem behouden worde. 18 Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld; wie niet gelooft, is reeds veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God. 19 Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is en de mensen de duisternis liever gehad hebben dan het licht, want hun werken waren boos. 20 Want een ieder, die kwaad bedrijft, haat het licht, en gaat niet tot het licht, opdat zijn werken niet aan de dag komen; 21 maar wie de waarheid doet, gaat tot het licht, opdat van zijn werken blijke, dat zij in God verricht zijn. 22 Daarna ging Yeshua met zijn discipelen naar het land van Judea en Hij vertoefde daar met hen en doopte. 23 Doch ook Yochanan doopte, te Enon bij Salim, omdat daar veel water was, en de mensen kwamen daar en lieten zich dopen; 24 want Yochanan was nog niet in de gevangenis geworpen. 25 Er rees dan geschil tussen de discipelen van Yochanan met een Jood over de reiniging. 26 En zij kwamen tot Yochanan en zeiden tot hem: Rabbi, die met u was aan de overzijde van de Jordaan en van wie gij getuigd hebt, zie, die doopt en allen gaan tot Hem. 27 Yochanan antwoordde en zeide: Geen mens kan iets aannemen, of het moet hem uit de hemel gegeven zijn. 28 Gij kunt zelf van mij getuigen, dat ik gezegd heb: Ik ben de Christus niet, maar ik ben voor Hem uit gezonden. 29 Die de bruid heeft, is de bruidegom; maar de vriend van de bruidegom, die erbij staat en naar hem luistert, verblijdt zich met blijdschap over de stem van de bruidegom. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld. 30 Hij moet wassen, ik moet minder worden. 31 Die van boven komt, is boven allen; wie uit de aarde is, is uit de aarde en spreekt van de aarde. 32 Die uit de hemel komt, is boven allen; wat Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij en zijn getuigenis neemt niemand aan. 33 Wie zijn getuigenis aanvaardt, heeft bezegeld, dat God waarachtig is. 34 Want Hij, die God gezonden heeft, die spreekt de woorden Gods, want Hij geeft de Geest niet met mate. 35 De Vader heeft de Zoon lief en heeft Hem alles in handen gegeven. 36 Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; doch wie aan de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem. 1 Toen nu de Here vernam, dat de Farizeeën gehoord hadden, dat Yeshua meer discipelen maakte en doopte dan Yochanan, 2 – ofschoon Yeshua niet zelf doopte, maar zijn discipelen – 3 verliet Hij Judea en vertrok weder naar Galilea. 4 En Hij moest door Samaria gaan. 5 Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd Sichar, dicht bij het veld, dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had; daar was de bron van Jakob. 6 Yeshua nu was vermoeid van de tocht en bleef zo bij de bron zitten; het was ongeveer het zesde uur. 7 Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten. Yeshua zeide tot haar: Geef Mij te drinken. 8 Want zijn discipelen waren naar de stad gegaan om voedsel te kopen. 9 De Samaritaanse vrouw dan zeide tot Hem: Hoe kunt Gij, als Jood, van mij, een Samaritaanse vrouw, te drinken vragen? [Want Joden gaan niet om met Samaritanen.] 10 Yeshua antwoordde en zeide tot haar: Indien gij wist van de gave Gods en wie het is, die tot u zegt: Geef Mij te drinken, gij zoudt het Hem gevraagd hebben en Hij zou u levend water hebben gegeven. 11 Zij zeide tot Hem: Here, Gij hebt geen emmer en de put is diep; hoe komt Gij dan aan het levende water? 12 Zijt Gij soms meer dan onze vader Jakob, die ons de put gegeven en zelf eruit gedronken heeft met zijn zonen en zijn kudden? 13 Yeshua antwoordde en zeide tot haar: Een ieder, die van dit water drinkt, zal weder dorst krijgen; 14 maar wie gedronken heeft van het water, dat Ik hem zal geven, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid, maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van water, dat springt ten eeuwigen leven. 15 De vrouw zeide tot Hem: Here, geef mij dit water, opdat ik geen dorst heb en niet hierheen behoef te gaan om te putten. 16 Hij zeide tot haar: Ga heen, roep uw man en kom hier. 17 De vrouw antwoordde en zeide: Ik heb geen man. Yeshua zeide tot haar: Terecht zegt gij: ik heb geen man; 18 want gij hebt vijf mannen gehad en die gij nu hebt, is uw man niet; hierin hebt gij de waarheid gesproken. 19 De vrouw zeide tot Hem: Here, ik zie, dat Gij een profeet zijt. 20 Onze vaderen hebben op deze berg aangebeden en gijlieden zegt, dat te Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden. 21 Yeshua zeide tot haar: Geloof Mij, vrouw, de ure komt, dat gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden. 22 Gij aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten, want het heil is uit de Joden; 23 maar de ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders; 24 God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid. 25 De vrouw zeide tot Hem: Ik weet, dat de Messias komt, die Christus genoemd wordt; wanneer die komt, zal Hij ons alles verkondigen. 26 Yeshua zeide tot haar: Ik, die met u spreek, ben het. 27 En daarop kwamen zijn discipelen en waren verbaasd, dat Hij met een vrouw in gesprek was, en toch zeide niemand: Wat zoekt Gij, of: Waarom spreekt Gij met haar? 28 De vrouw dan liet haar kruik staan, en ging naar de stad en zeide tot de mensen: 29 Komt mede en ziet een mens, die gezegd heeft alles wat ik gedaan heb: zou deze niet de Christus zijn? 30 Zij gingen de stad uit en kwamen tot Hem. 31 Intussen vroegen zijn discipelen Hem, zeggende: Rabbi, eet. 32 Hij zeide echter tot hen: Ik heb een spijs te eten, waarvan gij niet weet. 33 De discipelen dan zeiden tot elkander: Iemand heeft Hem toch niet te eten gebracht? 34 Yeshua zeide tot hen: Mijn spijze is de wil te doen desgenen, die Mij gezonden heeft, en zijn werk te volbrengen. 35 Zegt gij niet: Nog vier maanden, dan komt de oogst? Zie, Ik zeg u, slaat uw ogen op en beschouwt de velden, dat zij wit zijn om te oogsten. 36 Reeds ontvangt de maaier loon en verzamelt hij vrucht ten eeuwigen leven, opdat de zaaier zich tegelijk met de maaier verblijde. 37 Want hier is de spreuk waarachtig: De een zaait, de ander maait.

 

Tags: Bijbel, Parashat Hashavuah, Shabbat, Thora, Thoralezing, Vayeshev, וישב

 

 

 

Categories: None

Post a Comment

Oops!

Oops, you forgot something.

Oops!

The words you entered did not match the given text. Please try again.

Already a member? Sign In

0 Comments