Blog

Terumah/Heffing

Posted by Miriyam Burger on February 1, 2014 at 5:35 AM

 



/Terumah/Heffing

 

Thora: Shemot/Exodus 25:1-27:19

 

Haftarah: M’lachim Alef/1Koningen 5:26-6:13

 

B’rit haChadasha: Matit’yahu/Mattheüs 13:1-53

 

Shemot 25:1-27:19 1 De Eeuwige sprak tot Moshé: 2 Zeg tot de Israëlieten, dat zij voor Mij een heffing inzamelen; van iedere man, wiens hart hem dringt, zult gij voor Mij een heffing inzamelen. 3 Dit nu is de heffing die gij van hen inzamelen zult: goud, zilver, koper; 4 blauwpurper, roodpurper, scharlaken, fijn linnen, geitenhaar; 5 roodgeverfde ramsvellen, tachasvellen en acaciahout; 6 olie voor het licht, specerijen voor de zalfolie en voor het welriekend reukwerk; 7 chrysopraasstenen en vulstenen voor de efod en voor het borstschild. 8 En zij zullen Mij een heiligdom maken, en Ik zal in hun midden wonen. 9 Gij zult het maken overeenkomstig alles wat Ik u toon, het model van de tabernakel en het model van al zijn gerei. 10 Zij moeten dan een ark van acaciahout maken, twee en een halve el lang, anderhalve el breed, en anderhalve el hoog. 11 Gij zult die overtrekken met louter goud ; van binnen en van buiten zult gij die overtrekken en er rondom een gouden omlijsting op maken. 12 Gij zult er vier gouden ringen voor gieten en die bevestigen aan de vier voetstukken en wel twee ringen aan de ene zijwand en twee ringen aan de andere zijwand. 13 Gij zult draagstokken van acaciahout maken en die met goud overtrekken. 14 Gij zult de draagstokken steken in de ringen aan de zijwanden van de ark, om daarmee de ark te dragen. 15 De draagstokken zullen in de ringen van de ark blijven, zij zullen er niet uit verwijderd worden . 16 In de ark zult gij de Getuigenis leggen , die Ik u geven zal. 17 Ook zult gij een verzoendeksel van louter goud maken, twee en een halve el lang en anderhalve el breed. 18 En gij zult twee cherubs van goud maken , van gedreven werk zult gij ze maken , aan de beide einden van het verzoendeksel. 19 Maak een cherub aan het ene einde en een cherub aan het andere einde; uit een stuk met het verzoendeksel zult gij de cherubs op zijn beide einden maken. 20 De cherubs zullen twee vleugels uitgespreid houden naar boven, met hun vleugels het verzoendeksel bedekkende en hun aangezicht naar elkander gericht; naar het verzoendeksel zullen de aangezichten der cherubs gericht zijn. 21 Gij zult het verzoendeksel bovenop de ark leggen en in de ark zult gij de getuigenis leggen, die Ik u geven zal. 22 En Ik zal daar met u samenkomen en van het verzoendeksel af, tussen de beide cherubs op de ark der getuigenis, over alles met u spreken wat Ik u voor de Israëlieten gebieden zal. 23 Gij zult een tafel van acaciahout maken, twee el lang, een el breed en anderhalve el hoog. 24 Gij zult die overtrekken met louter goud en er een gouden omlijsting omheen maken. 25 Gij zult er een rand van een handbreedte omheen maken en een gouden omlijsting rondom haar rand. 26 Gij zult vier gouden ringen ervoor maken en de ringen zetten op de vier hoeken aan haar vier poten. 27 Dicht bij de rand zullen zich de ringen bevinden als houders voor draagstokken, om de tafel te dragen. 28 Gij zult de draagstokken van acaciahout maken en ze met goud overtrekken, opdat daarmee de tafel gedragen worde. 29 Gij zult schotels, schalen, kannen en kommen maken, waarmee geplengd wordt; van louter goud zult gij ze maken. 30 En gij zult op de tafel geregeld toonbrood leggen voor mijn aangezicht. 31 Gij zult een kandelaar van louter goud maken , van gedreven werk zal de kandelaar gemaakt worden, het voetstuk zowel als de schacht; de bloemkelken met knoppen en bloesems, zullen daarmee een geheel vormen. 32 Zes armen nu zullen uit zijn zijden uitsteken: drie armen van de kandelaar uit de ene zijde en drie armen van de kandelaar uit de andere zijde. 33 Drie bloemkelken in de vorm van amandelbloesem aan de ene arm, met knop en bloesem ; en drie bloemkelken in de vorm van amandelbloesem aan de andere arm, met knop en bloesem; aldus voor de zes armen, die uit de kandelaar uitsteken. 34 Op de kandelaar vier bloemkelken in de vorm van amandelbloesem, met zijn knoppen en bloesems. 35 Ook een knop onder het eerste paar armen , die uit hem voortkomen, en een knop onder het tweede paar armen, die uit hem voortkomen, en een knop onder het derde paar armen, die uit hem voortkomen; aldus bij de zes armen, die uit de kandelaar uitsteken. 36 De knoppen en de armen zullen uit hem voortkomen, terwijl het geheel een gedreven werk van louter goud is. 37 Gij zult er zeven lampen voor maken en men zal die lampen erop zetten en het licht laten vallen naar de voorkant. 38 Zijn snuiters en zijn bakjes zullen van louter goud zijn. 39 Van een talent louter goud zal men hem maken, met al dit gerei. 40 Zie nu toe, dat gij alles maakt naar het model dat u daarvan op de berg getoond is.

26:1 De tabernakel zult gij maken van tien tentkleden; van getweernd fijn linnen blauwpurper, roodpurper en scharlaken, met kunstig geweven cherubs zult gij ze maken. 2 De lengte van elk tentkleed zal achtentwintig el zijn en de breedte van elk tentkleed vier el: eenzelfde maat voor al de tentkleden. 3 Vijf van de tentkleden zullen verbonden zijn aan elkander, en nog eens vijf tentkleden zullen verbonden zijn aan elkander. 4 Ook zult gij blauwpurperen lussen maken op de rand van het ene tentkleed aan het einde, aan het ene stel, en evenzo zult gij doen op de rand van het laatste tentkleed aan het andere stel. 5 Vijftig lussen zult gij maken op het ene tentkleed en vijftig lussen zult gij maken aan het einde van het tentkleed, dat tot het andere stel behoort, zodat de lussen tegenover elkaar staan, de ene tegenover de andere. 6 En gij zult vijftig gouden haken maken en de tentkleden aan elkander door de haken verbinden, zodat de tabernakel een geheel is. 7 Ook zult gij tentkleden van geitenhaar maken tot een tent over de tabernakel, elf tentkleden zult gij maken. 8 De lengte van elk tentkleed zal dertig el zijn en de breedte van elk tentkleed vier el: eenzelfde maat voor de elf tentkleden. 9 Gij zult vijf van de tentkleden afzonderlijk verbinden en zes van de tentkleden afzonderlijk, en gij zult het zesde tentkleed dubbel leggen, aan de voorkant van de tent. 10 Gij zult vijftig lussen maken op de rand van het ene tentkleed, het laatste aan het ene stel, en vijftig lussen op de rand van het tentkleed, aan het andere stel. 11 Gij zult vijftig koperen haken maken en de haken in de lussen steken en de tent samenvoegen, zodat zij een geheel is. 12 Wat het overhangende betreft, dat overhangt aan de tentkleden der tent, de helft van het overhangende tentkleed zal overhangen aan de achterkant van de tabernakel. 13 Een el aan deze zijde en een el aan gene zijde van wat overhangt in de lengte van de tentkleden der tent zal overhangen aan de zijde van de tabernakel, aan deze en aan gene zijde, om haar te bedekken. 14 Ook zult gij een dekkleed voor de tent maken van roodgeverfde ramsvellen, en een dekkleed van tachasvellen daaroverheen. 15 Gij zult de planken voor de tabernakel maken van acaciahout, rechtopstaande; 16 tien el zal een plank lang zijn en anderhalve el breed. 17 Elke plank zal twee tappen hebben, zodat zij aan elkaar kunnen worden verbonden; zo zult gij met al de planken van de tabernakel doen. 18 Gij zult de planken voor de tabernakel maken, twintig planken aan de zuidkant. 19 En veertig zilveren voetstukken zult gij maken onder de twintig planken, twee voetstukken onder de ene plank voor haar beide tappen, en twee voetstukken onder de andere plank voor haar beide tappen. 20 Evenzo voor de andere zijde van de tabernakel aan de noordkant twintig planken 21 met veertig zilveren voetstukken: twee voetstukken onder de ene plank en twee voetstukken onder de andere plank. 22 Voor de achterzijde van de tabernakel aan de westkant zult gij zes planken maken. 23 Twee planken zult gij maken voor de hoeken van de tabernakel aan de achterkant. 24 Volkomen gelijk nu zullen zij zijn aan de onderkant en aan de bovenkant, tot de ene ring; zo zal het voor die beide zijn: zij zullen de beide hoeken vormen. 25 Er zullen dus acht planken zijn met haar zilveren voetstukken: zestien voetstukken; twee voetstukken onder de ene plank en twee voetstukken onder de andere plank. 26 Ook zult gij dwarsbalken maken van acaciahout: vijf voor de planken van de ene zijde van de tabernakel, 27 vijf dwarsbalken voor de planken van de andere zijde van de tabernakel, en vijf dwarsbalken voor de planken van de zijde van de tabernakel aan de achterkant naar het westen, 28 met de middelste dwarsbalk, in het midden der planken, dwars doorlopende van het ene einde naar het andere. 29 De planken nu zult gij met goud overtrekken , de ringen zult gij van goud maken als houders voor de dwarsbalken, en de dwarsbalken zult gij met goud overtrekken. 30 Dan zult gij de tabernakel oprichten overeenkomstig het plan dat u daarvan op de berg getoond werd. 31 Gij zult een voorhangsel maken van blauwpurper, roodpurper, scharlaken en getweernd fijn linnen; met kunstig geweven cherubs zult gij het maken. 32 Gij zult het hangen aan vier pilaren van acaciahout, met goud overtrokken, van gouden haken voorzien, op vier zilveren voetstukken. 33 Gij zult het voorhangsel onder de haken hangen en daarheen, binnen het voorhangsel, de ark der getuigenis brengen, zodat het voorhangsel voor u scheiding maakt tussen het heilige en het heilige der heiligen. 34 Gij zult het verzoendeksel op de ark der getuigenis leggen in het heilige der heiligen. 35 Gij zult de tafel buiten het voorhangsel zetten, en de kandelaar tegenover de tafel aan de zuidzijde van de tabernakel, en de tafel zult gij plaatsen aan de noordzijde. 36 Ook zult gij een gordijn voor de ingang der tent maken van blauwpurper, roodpurper, scharlaken en getweernd fijn linnen: veelkleurig weefwerk. 37 Gij zult voor het gordijn vijf pilaren van acaciahout maken en ze met goud overtrekken, van gouden haken voorzien, en gij zult daarvoor vijf koperen voetstukken gieten.

 

27:1 Gij zult het altaar van acaciahout maken , vijf el lang en vijf el breed, zodat het altaar vierkant is, en drie el hoog. 2 Gij zult hoornen aan de vier hoeken maken ; de hoornen zullen daarmee een geheel vormen , en gij zult het overtrekken met koper. 3 Ook zult gij er potten voor maken, om het van as te reinigen, en scheppen, sprengbekkens, vorken en vuurpannen; al zijn gerei zult gij van koper maken. 4 Gij zult een traliewerk ervoor maken, een koperen netwerk, en op het net vier koperen ringen maken aan de vier einden. 5 Gij zult het onder de rand van het altaar van onderen bevestigen, zodat het netwerk halverwege het altaar reikt. 6 Gij zult draagstokken voor het altaar maken , draagstokken van acaciahout en die met koper overtrekken. 7 Zijn draagstokken moeten in de ringen gestoken worden en de draagstokken zullen zich aan de beide zijden van het altaar bevinden, wanneer men het draagt. 8 Hol, van planken, zult gij het maken ; zoals Hij u op de berg getoond heeft , zo zal men het maken. 9 Gij zult de voorhof van de tabernakel maken ; aan de zuidzijde gordijnen voor de voorhof van getweernd fijn linnen, honderd el lengte aan de ene zijde; 10 en daarvoor twintig pilaren, en twintig voetstukken van koper, voor de pilaren haken en dwarsstangen van zilver. 11 Zo ook aan de noordzijde in de lengte gordijnen van honderd el lengte en daarvoor twintig pilaren, en twintig voetstukken van koper, voor de pilaren haken en dwarsstangen van zilver. 12 In de breedte nu van de voorhof aan de westzijde gordijnen van vijftig el, met hun tien pilaren en de tien voetstukken daarvan. 13 De breedte nu van de voorhof aan de oostzijde: vijftig el. 14 En vijftien el gordijnen voor het ene zijstuk, met hun drie pilaren en de drie voetstukken daarvan. 15 Ook voor het andere zijstuk vijftien el gordijnen, met hun drie pilaren en de drie voetstukken daarvan. 16 En voor de poort van de voorhof een gordijn van twintig el van blauwpurper, roodpurper, scharlaken en van getweernd fijn linnen, veelkleurig weefwerk, met de vier pilaren en de vier voetstukken daarvan. 17 Al de pilaren rondom de voorhof door zilveren dwarsstangen verbonden, en hun haken van zilver en hun voetstukken van koper. 18 De lengte van de voorhof honderd el, de breedte telkens vijftig en de hoogte vijf el van getweernd fijn linnen, en de voetstukken ervan van koper. 19 Wat al het gerei voor de gehele inrichting van de tabernakel betreft, en al zijn pinnen en al de pinnen van de voorhof, dat moet van koper zijn.

 

 

M’lachim Alef 5:26-6:13 5:12(26) De Eeuwige nu had Salomo wijsheid geschonken , zoals Hij hem had toegezegd. En er was vrede tussen Chiram en Salomo, en die beiden sloten een verbond. 13 En koning Salomo riep uit geheel Israël een lichting op voor herendienst; de lichting bedroeg dertigduizend man. 14 Van hen zond hij maandelijks bij afwisseling tienduizend naar de Libanon, zodat zij een maand in de Libanon waren en twee maanden thuis; en Adoniram stond over de herendienst. 15 Voorts had Salomo zeventigduizend lastdragers en tachtigduizend steenhouwers in het gebergte, 16 behalve Salomo’s hoofdopzichters over de arbeid, drieduizend driehonderd , die aangesteld waren over het volk dat de arbeid verrichtte. 17 En de koning gebood, dat men grote, kostbare stenen zou uitbreken om het huis op gehouwen stenen te grondvesten. 18 De bouwlieden van Salomo en van Chiram en de Giblieten behieuwen de boomstammen en de stenen, en maakten ze pasklaar voor de bouw van het huis.

6:1 In het vierhonderd tachtigste jaar na de uittocht der Israëlieten uit het land Egypte, in het vierde jaar van Salomo’s regering over Israël, in de maand Ziw, dat is de tweede maand, bouwde hij het huis voor De Eeuwige. 2 Het huis dat koning Salomo voor de Eeuwige bouwde, was zestig el lang, twintig el breed en dertig el hoog. 3 De voorhal aan de voorzijde van de hoofdzaal van het huis was twintig el lang over de breedte van het huis en tien el diep, voor aan het huis. 4 Ook maakte hij aan het huis vensters van eng latwerk. 5 Voorts bouwde hij tegen de muur van het huis een aanbouw, rondom tegen de muren van het huis, rondom tegen de hoofdzaal en de achterzaal; en hij maakte die rondom met verdiepingen. 6 De benedenste verdieping had een breedte van vijf el, de middelste van zes el en de derde van zeven el, want hij bracht aan het huis rondom van buiten inkortingen aan om niet in de muren van het huis in te hoeven grijpen. 7 Toen het huis gebouwd werd, werd het opgetrokken van steen, afgewerkt aan de groeve, en geen hamer of beitel of enig ijzeren gereedschap werd gehoord bij het bouwen van het huis. 8 De toegang tot de benedenste verdieping was aan de rechtervleugel van het huis, en met wenteltrappen ging men op naar de middelste en van de middelste naar de derde. 9 Toen hij de bouw van het huis voltooid had , dekte hij het huis bij wijze van vakken en rijen met cederhout. 10 En nadat hij de aanbouw tegen het gehele huis opgetrokken had, elke verdieping vijf el hoog, betimmerde hij het huis met cederhout. 11 En het woord van de Eeuwige kwam tot Salomo: 12 Aangaande dit huis, dat gij bezig zijt te bouwen; Indien gij in mijn inzettingen wandelt, mijn verordeningen doet en al mijn geboden in acht neemt door daarnaar te wandelen, zal Ik aan u het woord gestand doen , dat Ik tot uw vader David gesproken heb, 13 dat Ik te midden der Israëlieten zal wonen en mijn volk Israël niet zal verlaten .

 

 

Matit’yahu 13: 1 Op die dag ging Yeshua het huis uit en Hij zat bij de zee. 2 En vele scharen vergaderden zich bij Hem, zodat Hij in een schip ging en daar nederzat, en de gehele schare stond op de oever. 3 En Hij sprak tot hen vele dingen in gelijkenissen en zeide: Zie, een zaaier ging uit om te zaaien. 4 En bij het zaaien viel een deel langs de weg en de vogels kwamen en aten het op. 5 Een ander deel viel op de steenachtige plaatsen, waar het niet veel aarde had, en terstond schoot het op, omdat het geen diepe aarde had, 6 maar toen de zon opkwam, verschroeide het en omdat het geen wortel had, verdorde het. 7 Een ander deel viel op de dorens en de dorens kwamen op en verstikten het. 8 Een ander deel viel in goede aarde en het gaf vrucht, deels honderd-, deels zestig-, deels dertigvoudig. 9 Wie oren heeft, die hore! 10 En de discipelen kwamen en zeiden tot Hem: Waarom spreekt Gij tot hen in gelijkenissen? 11 Hij antwoordde hun en zeide: Omdat het u gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen, maar hun is dat niet gegeven. 12 Want wie heeft, hem zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, ook wat hij heeft, zal hem ontnomen worden. 13 Daarom spreek Ik tot hen in gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien en horende niet horen of begrijpen. 14 En aan hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken; 15 want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen, en met hun oren niet horen, en met hun hart niet verstaan en zich bekeren, en Ik hen zou genezen. 16 Maar uw ogen zijn zalig, omdat zij zien en uw oren, omdat zij horen. 17 Voorwaar, Ik zeg u: Vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien wat gij ziet, en zij hebben het niet gezien, en te horen wat gij hoort, en zij hebben het niet gehoord. 18 Gij nu, hoort de gelijkenis van de zaaier. 19 Bij een ieder, die het woord van het Koninkrijk hoort en het niet verstaat, komt de boze en rooft wat in zijn hart gezaaid is: dat is de langs de weg gezaaide. 20 De op steenachtige plaatsen gezaaide is hij, die het woord hoort en het terstond met blijdschap aanneemt; 21 maar hij heeft geen wortel in zich, doch is iemand van het ogenblik; wanneer echter verdrukking of vervolging komt om der wille van het woord, komt hij terstond ten val. 22 De in de dorens gezaaide is hij, die het woord hoort, en de zorg van de wereld en het bedrog van de rijkdom verstikt het woord en hij wordt onvruchtbaar. 23 De in goede aarde gezaaide is hij, die het woord hoort en verstaat, die dan ook vrucht draagt en oplevert, deels honderd-, deels zestig-, deels dertigvoudig. 24 Nog een gelijkenis hield Hij hun voor en Hij zeide: Het Koninkrijk der hemelen komt overeen met iemand, die goed zaad gezaaid had in zijn akker. 25 Doch terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide er onkruid overheen, midden tussen het koren, en ging weg. 26 Toen het graan opkwam en vrucht zette, toen kwam ook het onkruid te voorschijn. 27 Daarna kwamen de slaven van de eigenaar en zeiden tot hem: Heer, hebt gij niet goed zaad in uw akker gezaaid? Hoe komt hij dan aan onkruid? 28 Hij zeide tot hen: Dat heeft een vijandig mens gedaan. 29 De slaven zeiden tot hem: Wilt gij dan, dat wij het bijeenhalen? Hij zeide: Neen, want bij het bijeenhalen van het onkruid zoudt gij tevens het koren kunnen uittrekken. 30 Laat beide samen opgroeien tot de oogst. En in de oogsttijd zal ik tot de maaiers zeggen: Haalt eerst het onkruid bijeen en bindt het in bossen om het te verbranden, maar brengt het koren bijeen in mijn schuur. 31 Nog een gelijkenis hield Hij hun voor en Hij zeide: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaadje, dat iemand nam en in zijn akker zaaide. 32 Het is wel het kleinste van alle zaden, maar als het volgroeid is, is het groter dan de tuingewassen en het wordt een boom, zodat de vogelen des hemels in zijn takken kunnen nestelen. 33 Nog een gelijkenis sprak Hij tot hen: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een zuurdesem, welke een vrouw nam en in drie maten meel deed, totdat het geheel doorzuurd was. 34 Dit alles zeide Yeshua in gelijkenissen tot de scharen en zonder gelijkenis zeide Hij niets tot hen, 35 opdat vervuld zou worden het woord, gesproken door de profeet, toen hij zeide: Ik zal mijn mond opendoen met gelijkenissen, Ik zal verkondigen wat sinds de grondlegging der wereld verborgen gebleven is. 36 Toen liet Hij de scharen gaan en ging naar huis. En zijn discipelen kwamen bij Hem en zeiden: Maak ons de gelijkenis van het onkruid in de akker duidelijk. 37 Hij antwoordde en zeide: Die het goede zaad zaait, is de Zoon des mensen; 38 de akker is de wereld; het goede zaad, dat zijn de kinderen van het Koninkrijk; 39 het onkruid zijn de kinderen van de boze; de vijand, die het gezaaid heeft, is de duivel; de oogst is de voleinding der wereld; de maaiers zijn de engelen. 40 Zoals nu het onkruid verzameld wordt en met vuur verbrand, zo zal het gaan bij de voleinding der wereld. 41 De Zoon des mensen zal zijn engelen uitzenden en zij zullen uit zijn Koninkrijk verzamelen al wat tot zonde verleidt en hen, die de ongerechtigheid bedrijven, 42 en zij zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars. 43 Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zon in het Koninkrijk huns Vaders. Wie oren heeft, die hore! 44 Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een schat, verborgen in een akker, die een mens ontdekte en verborg, en in zijn blijdschap erover gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft en koopt die akker. 45 Evenzo is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een koopman, die schone parelen zocht. 46 Toen hij een kostbare parel gevonden had, ging hij heen en verkocht al wat hij had, en kocht die. 47 Evenzo is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een sleepnet, neergelaten in de zee, dat allerlei bijeenbrengt. 48 Wanneer het vol is, haalt men het op de oever, en zet zich neer en verzamelt het goede in vaten, doch het ondeugdelijke werpt men weg. 49 Zó zal het gaan bij de voleinding der wereld. De engelen zullen uitgaan om de bozen uit het midden der rechtvaardigen af te zonderen, 50 en zij zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars. 51 Hebt gij dit alles verstaan? Zij zeiden tot Hem: Ja. 52 Hij zeide tot hen: Daarom is iedere schriftgeleerde, die een discipel geworden is van het Koninkrijk der hemelen, gelijk aan een heer des huizes, die uit zijn voorraad nieuwe en oude dingen te voorschijn brengt. 53 En het geschiedde, toen Yeshua deze gelijkenissen ten einde gebracht had, dat Hij vandaar wegging.

 

Een paar gedachten;

 

 

>Zeg tot de Israëlieten, dat zij voor Mij een heffing inzamelen; van iedere man, wiens hart hem dringt, zult gij voor Mij een heffing inzamelen. (25:2) Door de vrijwillige gave van de Israëlieten kon G’d dichter tot de Israëlieten naderen. Met die vrijwillige gave moet de tabernakel gebouwd worden. Ondanks dat het vrijwillig is geeft G’d wel aan hoe Hij het wil hebben wil G'd dat de mens Hem vrijwillig dient op de manier zoals Hij dat wil.

 

 

 

 

>van iedere man, wiens hart hem dringt (25:2b) De man voldoet de verplichting namens zijn familie.

 

 

 

 

>wiens hart hem dringt (25:2) G’d dienen in volkomenheid is een dienen in vrijwilligheid vanuit een hartsverlangen om te luisteren naar G’d.

 

 

 

 

>En zij zullen Mij een heiligdom maken, en Ik zal in hun midden wonen (25:8). Door de tempel kan G’d dichter tot de mensen naderen. De Israëlieten worden opgedragen om zelf, met wat ze kunnen en de creativiteit die ze hebben, de tabernakel en later de tempel te bouwen. Dat is de ruimte waar G’d met Zijn Shechina kwam en zal komen wonen. Als de tempel straks weer gebouwd zal zijn kan G’d zo evenzo weer met Zijn aanwezigheid hier op aarde wonen.De plaats waar, volgens de Joodse wijzen, de hemel de aarde kust. Het volk Israël heeft een verantwoordelijkheid voor de wereld. Dat is een plaats te creëren waar de hemel de aarde raakt. Daar is de daadwerkelijk verbinding van G’d en zijn volk. De tabernakel en later de Tempel was er voor nodig om die aanwezigheid van G’d op aarde (in die grote 'dimensie') mogelijk te maken. De Tempel zal ook weer nodig zijn om dat opnieuw te realiseren. Zie ook Jesaja 11:1 En er zal een rijsje voortkomen uit de tronk van Isai en een scheut uit zijn wortelen zal vrucht dragen. 2 En op hem zal de Geest van de Eeuwige rusten, de Geest van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en vreze van de Eeuwige; 3 ja, zijn lust zal zijn in de vreze van de Eeuwige. Hij zal niet richten naar hetgeen zijn ogen zien, noch rechtspreken naar hetgeen zijn oren horen; 4 want hij zal de geringen in gerechtigheid richten en over de ootmoedigen des lands in billijkheid rechtspreken, maar hij zal de aarde slaan met de roede zijns monds en met de adem zijner lippen de goddeloze doden. 5 Gerechtigheid zal de gordel zijner lendenen zijn en trouw de gordel zijner heupen. 6 Dan zal de wolf bij het schaap verkeren en de panter zich nederleggen bij het bokje; het kalf, de jonge leeuw en het mestvee zullen tezamen zijn, en een kleine jongen zal ze hoeden; 7 de koe en de berin zullen samen weiden, haar jongen zullen zich tezamen nederleggen, en de leeuw zal stro eten als het rund; 8 dan zal een zuigeling bij het hol van een adder spelen en naar het nest van een giftige slang zal een gespeend kind zijn hand uitstrekken. 9 Men zal geen kwaad doen noch verderf stichten op gans mijn heilige berg, want de aarde zal vol zijn van kennis van de Eeuwige, zoals de wateren de bodem der zee bedekken. 10 En het zal te dien dage geschieden, dat de volken de wortel van Isai zullen zoeken, die zal staan als een banier der natien, en zijn rustplaats zal heerlijk zijn. Zie ook. Habakuk 2:14 (Want de aarde zal vol worden van de kennis van de heerlijkheid van de Eeuwige, gelijk de wateren die de bodem der zee bedekken.) waar over die tijd wordt gesproken.

 

 

 

 

>en Ik zal in hun midden wonen (25:8b). Het is G’ds verlangen om temidden van Zijn volk Israël te wonen. Temidden van een volk wat vrijwillig, uit een vrije keus er voor kiest te leven volgens G'ds wil.

 

 

 

 

>Gij zult die overtrekken met louter goud; van binnen en van buiten zult gij die overtrekken en er rondom een gouden omlijsting op maken (25:11) Zo dient volgens de Talmoed de Thorastudent er van buiten en binnen hetzelfde er uit te zien, van goud (Talmud, Yoma 72b).

 

 

 

 

>Creativiteit, kunst en kwaliteit is iets wat G’d in de mens heeft gelegd. Het komt van Hemzelf. De mens is naar Zijn beeld geschapen. Natuurlijk verheerlijkt het in de eerste plaats G’d zelf en is eigenlijk bestemd voor G’d zelf. (25:1-27:19).

 

 

 

 

>En Ik zal daar met u samenkomen en van het verzoendeksel af, tussen de beide cherubs op de ark der getuigenis, over alles met u spreken wat Ik u voor de Israëlieten gebieden zal (25:22). Toen de tabernakel en later de tempel er was was er meer goddelijke openbaring dan nu zonder tempel. Die mate van openbaring zal er weer zijn als de tempel er weer is.

 

 

 

 

>De Tabernakel was een zichtbaar teken (voor Israël maar ook voor de omliggende volken) van de unieke relatie van God met Israël. De volken mogen zich echter er ook bij aansluiten en de grotere verantwoordelijkheid om G’d te dienen volgens Zijn instructies op zich te nemen. Jesaja 56: 2 Welzalig de sterveling die dit doet, en het mensenkind dat daaraan vasthoudt; die acht geeft op de sabbat, zodat hij hem niet ontheiligt, en acht geeft op zijn hand, zodat zij niets kwaads doet. 3 Laat dan de vreemdeling die zich bij de Eeuwige aansloot, niet zeggen: De Eeuwige zal mij zeker afzonderen van zijn volk; en laat de ontmande niet zeggen: Zie, ik ben een dorre boom. 4 Want zo zegt de Eeuwige van de ontmanden, die mijn sabbatten onderhouden en verkiezen wat Mij behaagt en vasthouden aan mijn verbond: 5 Ik geef hun in mijn huis en binnen mijn muren een gedenkteken en een naam, beter dan zonen en dochters; Ik geef hun een eeuwige naam, die niet uitgeroeid zal worden. 6 En de vreemdelingen die zich bij de Eeuwige aansloten om Hem te dienen, en om de naam van de eeuwige lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn, allen die de sabbat onderhouden, zodat zij hem niet ontheiligen, en die vasthouden aan mijn verbond: 7 hen zal Ik brengen naar mijn heilige berg en Ik zal hun vreugde bereiden in mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen welgevallig zijn op mijn altaar, want mijn huis zal een bedehuis heten voor alle volken. 8 Het woord van de Adonai de Eeuwige, die de verdrevenen van Israël bijeenbrengt, luidt: Ik zal daartoe nog meerderen bijeenbrengen, dan er reeds toegebracht zijn.

 

 

 

 

>En Ik zal daar met u samenkomen en van het verzoendeksel af, tussen de beide cherubs op de ark der getuigenis, over alles met u spreken wat Ik u voor de Israëlieten gebieden zal (25:22). Toen de tabernakel en later de tempel er was was er meer goddelijke openbaring dan nu zonder tempel. Die mate van openbaring zal er weer zijn als de tempel er weer is.

 

 

 

 

>Zie nu toe, dat gij alles maakt naar het model dat u daarvan op de berg getoond is (25:40). De tempel, geheel gemaakt volgens goddelijke inspiratie. Zo zal de nieuwe tempel naar G’s instructies gemaakt worden. Zie ook Ezechiël 43 en verder.

 

 

 

 

>Gij zult het voorhangsel onder de haken hangen en daarheen, binnen het voorhangsel , de ark der getuigenis brengen, zodat het voorhangsel voor u scheiding maakt tussen het heilige en het heilige der heiligen (26:33). G’d maakt scheiding tussen heilig en gewoon en tussen heilig en heiliger. Zo is er ook een verschil tussen Israël en de volken. Het volk Israël is geroepen een koninklijk priesterschap voor G’d te zijn. Exodus 19:6 En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk.

 

 

 

 

>Gij zult het voorhangsel onder de haken hangen en daarheen, binnen het voorhangsel , de ark der getuigenis brengen, zodat het voorhangsel voor u scheiding maakt tussen het heilige en het heilige der heiligen (26:33) Toedekken is het heilige afzonderen van het minder heilige. Om het niet te laten vermengen.

 

 

 

 

>Aangaande dit huis, dat gij bezig zijt te bouwen; Indien gij in mijn inzettingen wandelt, mijn verordeningen doet en al mijn geboden in acht neemt door daarnaar te wandelen, zal Ik aan u het woord gestand doen , dat Ik tot uw vader David gesproken heb, dat Ik te midden der Israëlieten zal wonen en mijn volk Israël niet zal verlaten. 1 Kon 6:12,13. G’d kan er wonen en blijven wonen als het volk daadwerkelijk een heilig priesterlijk volk is.

 

Tags: Bijbel, Parashat Hashavuah, Shabbat, Terumah, Thora, Thoralezing, תרומה

 

 

Categories: None

Post a Comment

Oops!

Oops, you forgot something.

Oops!

The words you entered did not match the given text. Please try again.

Already a member? Sign In

0 Comments