|
|
/Re'eh/Zie {Onderhoud}
Thora: Devarim/Deuteronomium 11:26-16:7
Haftarah: Yeshayahu/Jesaja 54:11-55:5
B’rit haChadasha: Yochanan/Johannes 16:1-17:26
Devarim 11:26 Zie, ik houd u heden zegen en vloek voor: 27 zegen, wanneer gij luistert naar de geboden van de Eeuwige, uw God, die ik u heden opleg; 28 maar vloek, indien gij naar de geboden van de Eeuwige, uw God, niet luistert en afwijkt van de weg die ik u heden gebied, door het achterna lopen van andere goden, die gij niet gekend hebt . 29 Wanneer nu de Eeuwige, uw God, u gebracht zal hebben in het land, dat gij in bezit gaat nemen, dan zult gij de zegen uitspreken op de berg Gerizzim en de vloek op de berg Ebal; 30 liggen zij niet aan de overzijde van de Jordaan achter de westelijke heerbaan, in het land der Kanaänieten, die in de vlakte wonen, tegenover Gilgal bij de terebinten van More? 31 Want gij staat op het punt de Jordaan over te trekken om het land in bezit te gaan nemen, dat de Eeuwige, uw God, u geven zal, en gij zult het in bezit nemen en daarin wonen; 32 dan zult gij naarstig onderhouden al de inzettingen en de verordeningen, die ik u heden voorhoud. 12:1 Dit zijn de inzettingen en de verordeningen, die gij naarstig zult onderhouden in het land dat de Eeuwige, de God uwer vaderen, u gegeven heeft om het te bezitten, zolang gij op de aardbodem leeft. 2 Gij zult alle plaatsen volkomen vernietigen , waar de volken, wier gebied gij in bezit neemt, hun goden gediend hebben, op hoge bergen en op heuvels en onder elke groene boom. 3 Gij zult hun altaren afbreken, hun gewijde stenen verbrijzelen, hun gewijde palen met vuur verbranden, de gesneden beelden van hun goden omhouwen en hun naam van die plaats doen verdwijnen. 4 Niet alzo zult gij de Eeuwige, uw God, dienen. 5 Maar de plaats, die de Eeuwige, uw God, uit het gebied van al uw stammen verkiezen zal om daar zijn naam te vestigen, om daar te wonen, die zult gij zoeken en daarheen zult gij gaan. 6 Daarheen zult gij brengen uw brandoffers en slachtoffers, uw tienden en uw wijgeschenken, uw gelofteoffers en uw vrijwillige offers, de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee . 7 Daar zult gij eten voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God, en u verheugen, gij en uw huisgezinnen, over alles wat gij ondernomen hebt , waarin de Eeuwige, uw God, u gezegend heeft. 8 Gij zult geenszins doen wat wij hier thans doen: ieder geheel naar eigen goeddunken. 9 Want gij zijt nog niet gekomen tot de rustplaats en het erfdeel, dat de Eeuwige, uw God, u geven zal. 10 Maar wanneer gij de Jordaan zult zijn overgetrokken en woont in het land dat de Eeuwige , uw God, u zal doen beërven, en Hij u rust geeft van al uw vijanden aan alle kanten, en gij veilig woont; 11 dan zult gij naar de plaats, die de Eeuwige , uw God, verkiezen zal om daar zijn naam te doen wonen, alles brengen, wat ik u gebied: uw brandoffers en slachtoffers, uw tienden en wijgeschenken en de gehele keur der geloften, die gij de Eeuwige doen zult; 12 gij zult u verheugen voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God, gij, uw zonen uw dochters , uw dienstknechten en uw dienstmaagden, en de Leviet, die binnen uw poorten woont, want hij heeft bezit noch erfdeel met u. 13 Neem u ervoor in acht, dat gij uw brandoffers niet brengt op elke willekeurige plaats; 14 maar op de plaats die de Eeuwige in het gebied van een uwer stammen verkiezen zal, daar zult gij uw brandoffers brengen, en daar zult gij doen alles wat ik u gebied. 15 Gij moogt evenwel slachten en vlees eten zoveel gij wilt, overeenkomstig de zegen, die de Eeuwige, uw God, u in al uw woonplaatsen geeft; de onreine zowel als de reine mag daarvan eten, als van een gazel en een hert; 16 alleen het bloed zult gij niet eten , gij zult het op de aarde uitgieten als water. 17 In uw woonplaatsen zult gij de tiende van uw koren niet mogen eten, noch die van uw most en uw olie, noch de eerstelingen van uw runderen en van uw kleinvee, noch iets van de gelofteoffers, die gij beloven zult, noch uw vrijwillige offers, noch uw wijgeschenken. 18 Maar voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God, zult gij ze eten, op de plaats die de Eeuwige, uw God, verkiezen zal, gij en uw zoon en uw dochter, uw dienstknecht en uw dienstmaagd, en de Leviet, die binnen uw poorten woont, en gij zult u verheugen voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God, over alles wat gij ondernomen hebt. 19 Neem u ervoor in acht, dat gij de Leviet niet aan zijn lot overlaat, zolang gij in uw land woont. 20 Wanneer de Eeuwige, uw God, uw gebied zal uitbreiden, zoals Hij u toegezegd heeft, en gij denkt: ik wil vlees eten, omdat het uw verlangen is vlees te eten , dan moogt gij vlees eten zoveel gij wilt. 21 Wanneer de plaats die de Eeuwige, uw God , verkiezen zal om daar zijn naam te vestigen, te ver voor u is, dan zult gij van de runderen en van het kleinvee, die de Eeuwige u gegeven heeft, slachten, zoals ik u geboden heb, en in al uw woonplaatsen daarvan eten zoveel gij wilt. 22 Maar gij zult daarvan eten als van een gazel en een hert: de onreine en de reine beiden mogen ervan eten. 23 Houd er echter aan vast, dat gij geen bloed eet, want het bloed is de ziel en gij zult niet de ziel met het vlees eten. 24 Gij zult het niet eten; gij zult het op de aarde uitgieten als water. 25 Gij zult het niet eten; opdat het u en uw kinderen na u wel ga, als gij doet wat recht is in de ogen van de Eeuwige. 26 Doch wat gij aan heilige gaven hebt en uw gelofteoffers, die zult gij met u meenemen naar de plaats die de Eeuwige verkiezen zal; 27 gij zult uw brandoffers, het vlees en het bloed , bereiden op het altaar van de Eeuwige, uw God, en het bloed van uw slachtoffers zal op het altaar van de Eeuwige, uw God, uitgegoten worden, maar het vlees moogt gij eten. 28 Luister aandachtig naar al deze geboden, die ik u geef; opdat het u en uw kinderen na u voor altoos wel ga , wanneer gij doet wat goed en recht is in de ogen van de Eeuwige, uw God. 29 Wanneer de Eeuwige, uw God, de volken, naar wier gebied gij trekt om hen te verdrijven, uitgeroeid heeft, en gij hun gebied in bezit genomen hebt en in hun land woont, 30 neem u er dan voor in acht, dat gij u niet laat verleiden na hun verdelging hun voorbeeld te volgen, en dat gij hun goden niet zoekt , zeggende: hoe dienden deze volken hun goden? zo wil ik het ook doen. 31 Niet alzo zult gij de Eeuwige, uw God, dienen; want al wat de Eeuwige een gruwel is, wat Hij haat, doen zij voor hun goden; zelfs hun zonen en hun dochters verbranden zij voor hun goden met vuur. 32 Al wat ik u gebied, zult gij naarstig onderhouden; gij zult daaraan niet toedoen, noch daarvan afdoen. 13:1 Wanneer onder u een profeet optreedt of iemand, die dromen heeft, en hij u een teken of een wonder aankondigt, 2 en het teken of het wonder komt, waarover hij u gesproken heeft met de woorden: laten wij andere goden achterna lopen, die gij niet gekend hebt, en laten wij hen dienen; 3 dan zult gij naar de woorden van die profeet of van die dromer niet luisteren; want de Eeuwige, uw God, stelt u op de proef om te weten, of gij de Eeuwige, uw God, liefhebt met uw ganse hart en met uw ganse ziel. 4 de Eeuwige, uw God, zult gij volgen, Hem vrezen, zijn geboden houden en naar zijn stem luisteren: Hem zult gij dienen en aanhangen. 5 Die profeet of dromer zal ter dood gebracht worden, omdat hij afval gepredikt heeft van de Eeuwige, uw God, die u uit het land Egypte geleid en uit het diensthuis verlost heeft; om u af te trekken van de weg, die de Eeuwige, uw God, u geboden heeft te gaan. Zo zult gij het kwaad uit uw midden wegdoen. 6 Wanneer uw broeder, de zoon van uw moeder, of uw zoon, uw dochter, uw eigen vrouw of uw boezemvriend u in het geheim wil verleiden en zegt: laten wij andere goden gaan dienen, goden die noch gij noch uw vaderen gekend hebben, 7 behorende tot de goden der volken rondom u, dichtbij of veraf, van het ene einde der aarde tot het andere; 8 dan zult gij hem niet ter wille zijn noch naar hem luisteren; gij zult hem niet ontzien, noch hem sparen en zijn schuld bedekken, 9 maar hem zeker doden; het eerst zal uw hand zich tegen hem keren om hem ter dood te brengen en daarna de hand van het gehele volk. 10 Gij zult hem stenigen, zodat hij sterft , omdat hij getracht heeft u af te trekken van de Eeuwige, uw God, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis , geleid heeft. 11 Dan zal geheel Israël het horen en vrezen en men zal niet opnieuw zulk een wandaad in uw midden doen. 12 Wanneer gij in een van de steden, die de Eeuwige, uw God, u geven zal om daar te wonen, hoort zeggen: 13 Er zijn snode mannen uit uw midden voortgekomen, die de inwoners van hun stad tot afval gebracht hebben door te zeggen : laten wij andere goden gaan dienen , die gij niet gekend hebt; 14 dan zult gij terdege onderzoek doen en grondig navragen; en als het waar blijkt, als het vast staat, als deze gruwel in uw midden bedreven is, 15 dan zult gij de inwoners van die stad zeker slaan met de scherpte des zwaards , door haar zelf met al wat daarin is en met haar vee door de scherpte des zwaards met de ban te treffen. 16 De gehele buit zult gij midden op het plein bijeenbrengen en gij zult de stad met de gehele buit met vuur verbranden als een volledig brandoffer voor de Eeuwige, uw God: zij zal altoos een puinhoop blijven en niet herbouwd worden; 17 ook zal niets van het gebannene aan uw hand kleven; opdat de Eeuwige zijn brandende toorn late varen, u barmhartigheid betone, Zich over u erbarme en u talrijk make, zoals Hij uw vaderen gezworen heeft; 18 want dan luistert gij naar de stem van de Eeuwige, uw God, om al zijn geboden te onderhouden, die ik u heden opleg , door te doen wat recht is in de ogen van de Eeuwige, uw God. 14:1 Gij zijt kinderen van de Eeuwige, uw God; gij zult uzelf om een dode geen insnijdingen toebrengen, noch het haar boven uw voorhoofd wegscheren; 2 want gij zijt een volk, dat de Eeuwige, uw God, heilig is, en u heeft de Eeuwige uitverkoren om Hem een eigen volk te zijn uit al de volken, die op de aardbodem wonen. 3 Gij zult niets eten, dat een gruwel is. 4 Dit zijn de dieren die gij eten moogt: rund, schaap en geit; 5 hert, gazel, antiloop, steenbok, das, wilde os en wild schaap; 6 elk dier, dat gespleten hoeven heeft (namelijk de beide hoeven geheel gekloofd ) en herkauwt onder de dieren, moogt gij eten. 7 De volgende echter zult gij niet eten van de dieren die herkauwen of geheel gespleten hoeven hebben: de kameel , de haas, en de klipdas, omdat zij wel herkauwen, maar geen gespleten hoeven hebben; onrein zullen zij voor u zijn. 8 Ook het zwijn, omdat het wel gespleten hoeven heeft, maar niet herkauwt; onrein zal het voor u zijn. Van hun vlees zult gij niet eten en hun aas zult gij niet aanraken. 9 Dit moogt gij eten van al wat in het water leeft: al wat vinnen en schubben heeft, moogt gij eten, 10 maar gij zult niets eten dat geen vinnen of schubben heeft; onrein zal dat voor u zijn. 11 Elke reine vogel moogt gij eten. 12 Maar deze zijn het, waarvan gij niet eten zult: de arend, de lammergier en de zeearend; 13 de wouw, de gier en alle soorten kraaien ; 14 alle soorten raven; 15 de struisvogel, de katuil, de meeuw en alle soorten sperwers; 16 de steenuil, de oehoe en de witte uil; 17 de pelikaan, de aasgier en de aalscholver; 18 de ooievaar en alle soorten reigers, de hop en de vleermuis. 19 Ook al het wemelend gedierte met vleugels, dat zal voor u onrein zijn, zij zullen niet gegeten worden. 20 Al het reine gevogelte moogt gij eten. 21 Gij zult geen aas eten; aan de vreemdeling, die binnen uw poorten vertoeft, moogt gij het te eten geven, of gij moogt het aan een buitenlander verkopen, want gij zijt een volk, dat de Eeuwige, uw God, heilig is. Gij zult een bokje niet koken in de melk van zijn moeder. 22 Gij zult de gehele opbrengst van het zaad dat uit uw akker voortkomt, stipt vertienen, jaar op jaar. 23 Gij zult voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God , in de plaats die Hij verkiezen zal om zijn naam daar te doen wonen, eten de tiende van uw koren, uw most en uw olie, en de eerstelingen van uw runderen en van uw kleinvee , opdat gij de Eeuwige, uw God, uw leven lang leert vrezen. 24 Wanneer de weg voor u te lang zou zijn , zodat gij ze niet zoudt kunnen vervoeren, omdat de plaats die de Eeuwige , uw God, verkiezen zal om daar zijn naam te vestigen, te ver van u verwijderd is, wanneer de Eeuwige, uw God, u gezegend heeft, 25 dan zult gij ze te gelde maken en dat geld bij u steken en naar de plaats gaan , die de Eeuwige, uw God, verkiezen zal, 26 en gij zult dat geld besteden voor alles waarin gij lust hebt, voor runderen of kleinvee, voor wijn of bedwelmende drank, of wat gij ook wenst, en gij zult daar voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God, eten en u verheugen, gij met uw huisgezin; 27 ook de Leviet, die binnen uw poorten woont, zult gij aan zijn lot niet overlaten, want hij heeft geen bezit of erfdeel met u. 28 Na verloop van drie jaar zult gij alle tienden van uw opbrengst in dat jaar brengen en in uw poorten neerleggen; 29 dan zullen de Leviet, omdat hij bezit noch erfdeel met u heeft, en de vreemdeling, de wees en de weduwe, die binnen uw poorten wonen, komen en eten en zich verzadigen , opdat de Eeuwige, uw God, u zegene in al het werk, dat uw hand doet. 15:1 Na verloop van zeven jaar zult gij een kwijtschelding doen plaats hebben. 2 En dit is de wijze van kwijtschelding: iedere schuldeiser zal hetgeen hij aan zijn naaste leende, kwijtschelden; hij zal zijn naaste en zijn broeder niet tot betaling dwingen , omdat men een kwijtschelding voor de Eeuwige heeft afgekondigd. 3 Een buitenlander moogt gij tot betaling dwingen , maar hetgeen gij van uw broeder te goed hebt , zult gij hem kwijtschelden. 4 Er zal echter geen arme onder u zijn, want de Eeuwige zal u gewis zegenen in het land, dat de Eeuwige, uw God, u als erfdeel in bezit zal geven, 5 indien gij maar aandachtig luistert naar de Eeuwige, uw God, door heel dit gebod, dat ik u heden opleg, naarstig te onderhouden. 6 Wanneer de Eeuwige, uw God, u zegent, zoals Hij u beloofd heeft, dan zult gij aan vele volken lenen, maar zelf zult gij niet ter leen ontvangen; gij zult over vele volken heersen, maar over u zullen zij niet heersen. 7 Wanneer er onder u een arme mocht zijn, een van uw broeders, in een van uw woonplaatsen , in het land, dat de Eeuwige, uw God, u geven zal, dan zult gij uw hart niet verstokken noch uw hand gesloten houden voor uw arme broeder, 8 maar gij zult uw hand wijd voor hem openen en hem met mildheid lenen, voldoende voor wat hem ontbreekt. 9 Neem u ervoor in acht, dat in uw hart niet de lage gedachte opkomt: het zevende jaar, het jaar der kwijtschelding, nadert. Waardoor gij onbarmhartig wordt jegens uw arme broeder, en gij hem niets geeft, zodat hij tegen u tot de Eeuwige roept en gij u bezondigt. 10 Gij zult hem met mildheid geven en uw hart zal niet verdrietig zijn, wanneer gij hem geeft, want ter wille daarvan zal de Eeuwige, uw God, u zegenen in al uw werk en in alles wat gij onderneemt. 11 Want armen zullen nooit in het land ontbreken; daarom gebied ik u aldus: Gij zult uw hand wijd openen voor uw broeder, voor de ellendige en de arme in uw land. 12 Wanneer uw broeder, een Hebreeuwse man, of een Hebreeuwse vrouw, zich aan u verkoopt, dan zal hij u zes jaar dienen, maar in het zevende jaar zult gij hem vrij laten weggaan. 13 En wanneer gij hem vrij laat weggaan, zult gij hem niet met lege handen laten gaan; 14 gij zult hem met mildheid meegeven van uw kleinvee, van uw dorsvloer en uw perskuip; van datgene waarmee de Eeuwige, uw God, u gezegend heeft, zult gij hem geven. 15 Gij zult gedenken, dat gij een dienstknecht geweest zijt in het land Egypte, en dat de Eeuwige, uw God, u bevrijd heeft; daarom geef ik u heden dit gebod. 16 Maar wanneer hij tot u zegt: Ik wil niet van u heengaan, omdat hij u en uw gezin liefheeft, daar hij het goed bij u heeft, 17 dan zult gij een priem nemen, en die door zijn oor in de deur steken, opdat hij voor altijd uw dienstknecht zij. En ook met uw dienstmaagd zult gij zo doen. 18 Laat het u niet hard vallen, als gij hem vrij laat weggaan, want zes jaar heeft hij het dubbele loon van een dagloner voor u verdiend; dan zal de Eeuwige, uw God, u zegenen in alles wat gij doet. 19 Alle eerstelingen van het mannelijk geslacht , die onder uw runderen en uw kleinvee geboren worden, zult gij de Eeuwige, uw God, heiligen ; gij zult niet arbeiden met de eersteling van uw rund, en de eersteling van uw schaap zult gij niet scheren. 20 Voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God, zult gij ze jaar op jaar eten op de plaats die de Eeuwige verkiezen zal, gij met uw huisgezin. 21 Maar wanneer er een gebrek aan is, als het kreupel of blind is of enig ernstig gebrek heeft, dan zult gij het voor de Eeuwige, uw God , niet slachten. 22 In uw woonplaatsen zult gij, zowel de onreine als de reine, er dan van eten als van een gazel en een hert. 23 Alleen zijn bloed zult gij niet eten ; gij zult het op de aarde uitgieten als water. 16:1 Neem de maand Aviv in acht en vier het Pascha ter ere van de Eeuwige, uw God, want in de maand Aviv heeft de Eeuwige, uw God , u in de nacht uit Egypte geleid. 2 Dan zult gij als Pascha voor de Eeuwige, uw God, kleinvee en runderen slachten op de plaats die de Eeuwige verkiezen zal om zijn naam daar te doen wonen. 3 Gij zult daarbij geen gezuurd brood eten; zeven dagen zult gij daarbij ongezuurde broden eten, brood der verdrukking, want overhaast zijt gij uit het land Egypte getrokken; opdat gij al de dagen uws levens de dag van uw uittocht uit het land Egypte gedenkt. 4 Er zal geen zuurdeeg bij u aangetroffen worden in uw gehele gebied, zeven dagen lang; en van het vlees, dat gij in de avond op de eerste dag slacht, zal niets de nacht overblijven tot de morgen. 5 Gij zult het Pascha niet mogen slachten in een der steden, die de Eeuwige, uw God, u geven zal. 6 Maar op de plaats die de Eeuwige, uw God, verkiezen zal om zijn naam daar te doen wonen, zult gij het Pascha slachten , tegen de avond, als de zon ondergaat , op het tijdstip van uw uittocht uit Egypte. 7 Gij zult het koken en het eten op de plaats die de Eeuwige, uw God, verkiezen zal ; dan zult gij in de morgen de terugreis aanvaarden en naar uw tenten gaan. 8 Zes dagen lang zult gij ongezuurde broden eten en op de zevende dag zal er een feestelijke vergadering zijn ter ere van de Eeuwige, uw God ; dan zult gij geen werk doen. 9 Zeven weken zult gij tellen: van dat de sikkel voor het eerst in het staande koren geslagen wordt, zult gij zeven weken beginnen te tellen. 10 Dan zult gij het feest der weken vieren ter ere van de Eeuwige, uw God, naar de mate van de gaven, die gij vrijwillig geven zult, naar dat de Eeuwige, uw God, u gezegend heeft; 11 gij zult u verheugen voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God, gij met uw zoon en uw dochter , uw dienstknecht en uw dienstmaagd, met de Leviet , die binnen uw poorten woont, en met de vreemdeling, de wees en de weduwe, die in uw midden zijn, op de plaats die de Eeuwige, uw God , verkiezen zal om zijn naam daar te doen wonen. 12 Gij zult gedenken, dat gij een dienstknecht geweest zijt in Egypte en gij zult deze inzettingen naarstig onderhouden. 13 Het loofhuttenfeest zult gij zeven dagen vieren, wanneer gij de opbrengst hebt ingezameld van uw dorsvloer en van uw perskuip. 14 Gij zult u verheugen op uw feest, gij met uw zoon en uw dochter, uw dienstknecht en uw dienstmaagd, met de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe, die binnen uw poorten wonen. 15 Zeven dagen zult gij feest vieren ter ere van de Eeuwige, uw God, op de plaats die de Eeuwige verkiezen zal; want de Eeuwige, uw God , zal u zegenen in heel uw oogst en in al het werk uwer handen, zodat gij waarlijk vrolijk kunt zijn. 16 Driemaal per jaar zal ieder die onder u van het mannelijk geslacht is, voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God, verschijnen op de plaats die Hij verkiezen zal: op het feest der ongezuurde broden, op het feest der weken en op het loofhuttenfeest. Maar hij zal dan niet met lege handen voor het aangezicht van de Eeuwige verschijnen: 17 ieder naar zijn vermogen, naar de zegen die de Eeuwige, uw God, u gegeven heeft.
Yeshayahu 54:11 Gij, ellendige, door storm voortgedrevene, ongetrooste, zie, Ik leg uw stenen in blinkend erts, Ik grondvest u op lazuurstenen, 12 Ik maak uw tinnen van robijnen, uw poorten van karbonkelstenen en uw gehele omwalling van edelsteen. 13 Al uw zonen zullen leerlingen van de Eeuwige zijn, en het heil uwer zonen zal groot zijn; 14 door gerechtigheid zult gij bevestigd worden . Weet u verre van onderdrukking, want gij hebt niet te vrezen, en van verschrikking, want zij zal tot u niet naderen. 15 Valt men heftig aan, dan gaat dat van Mij niet uit; wie u aanvalt, zal over u vallen. 16 Zie, Ik ben het, die de smid geschapen heb , welke het kolenvuur aanblaast en naar zijn kunst het wapen vervaardigt, maar Ik ben het ook, die de verderver geschapen heb om te vernielen. 17 Elk wapen dat tegen u gesmeed wordt , zal niets uitrichten, en elke tong die zich voor het gericht tegen u keert, zult gij in het ongelijk stellen. Dit is het deel van de knechten van de Eeuwige en hun recht van Mijnentwege, luidt het woord van de Eeuwige. 55:1 O, alle dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet; ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk. 2 Waarom weegt gij geld af voor wat geen brood is en uw vermogen voor wat niet verzadigen kan? Hoort aandachtig naar Mij, opdat gij het goede eet en uw ziel zich in overvloed verlustige. 3 Neigt uw oor en komt tot Mij; hoort, opdat uw ziel leve; Ik zal met u een eeuwig verbond sluiten: de betrouwbare genadebewijzen van David. 4 Zie, Ik heb hem tot een getuige voor de natiën gesteld, tot een vorst en gebieder der natiën. 5 Zie, een volk dat gij niet kendet, zult gij roepen, en een volk dat u niet kende, zal tot u snellen ter wille van de Eeuwige, uw God, en van de Heilige Israëls , omdat Hij u verheerlijkt heeft.
Yochanan16:1 Dit heb Ik tot u gesproken, opdat gij niet ten val komt. 2 Men zal u uit de synagoge bannen; ja, de ure komt, dat een ieder, die u doodt, zal menen Gode een heilige dienst te bewijzen. 3 En dit zullen zij doen, omdat zij noch de Vader, noch Mij kennen. 4 Maar deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat, wanneer hun uur komt, gij u moogt herinneren, dat Ik ze u gezegd heb. Doch dit heb Ik u niet van het begin aan gezegd, omdat Ik bij u was. 5 En nu ga Ik heen tot Hem, die Mij gezonden heeft, en niemand van u vraagt Mij: Waar gaat Gij heen? 6 Maar omdat Ik dit tot u gesproken heb, heeft droefheid uw hart vervuld. 7 Doch Ik zeg u de waarheid: Het is beter voor u, dat Ik heenga. Want indien Ik niet heenga, kan de Trooster niet tot u komen, maar indien Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden. 8 En als Hij komt, zal Hij de wereld overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel; 9 van zonde, omdat zij in Mij niet geloven; 10 van gerechtigheid, omdat Ik heenga tot de Vader en gij Mij niet langer ziet; 11 van oordeel, omdat de overste dezer wereld geoordeeld is. 12 Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het thans niet dragen; 13 doch wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid; want Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal Hij u verkondigen. 14 Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen. 15 Al wat de Vader heeft, is het mijne; daarom zeide Ik: Hij neemt uit het mijne en zal het u verkondigen. 16 Nog een korte tijd en gij ziet Mij niet meer, en nogmaals een korte tijd en gij zult Mij zien. 17 Sommige zijner discipelen dan zeiden tot elkander: Wat betekent dit, dat Hij tot ons zegt: Nog een korte tijd en gij ziet Mij niet en nogmaals een korte tijd en gij zult Mij zien? En: Ik ga heen tot de Vader? 18 Zij zeiden dan: Wat is dit, dat Hij zegt: Nog een korte tijd? Wij weten niet, wat Hij bedoelt. 19 Yeshua bemerkte, dat zij Hem iets wilden vragen en zeide tot hen: Redeneert gij hierover met elkander, dat Ik zeide: Nog een korte tijd en gij ziet Mij niet en nogmaals een korte tijd en gij zult Mij zien? 20 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, gij zult schreien en weeklagen, maar de wereld zal zich verblijden; gij zult u bedroeven, maar uw droefheid zal tot blijdschap worden. 21 Een vrouw, die baart, heeft droefheid, omdat haar uur gekomen is; maar wanneer zij het kind ter wereld heeft gebracht, denkt zij niet meer aan haar benauwdheid, uit vreugde, dat een mens ter wereld is gekomen. 22 Ook gij hebt dan nu wel droefheid, maar Ik zal u wederzien en uw hart zal zich verblijden en niemand ontneemt u uw blijdschap. 23 En te dien dage zult gij Mij niets vragen. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, als gij de Vader om iets bidt, zal Hij het u geven in mijn naam. 24 Tot nog toe hebt gij niet om iets gebeden in mijn naam; bidt en gij zult ontvangen, opdat uw blijdschap vervuld zij. 25 Dit heb Ik in beelden tot u gesproken; er komt een ure, dat Ik niet meer in beelden tot u zal spreken, maar u vrijuit over de Vader spreken zal. 26 Te dien dage zult gij in mijn naam bidden en Ik zeg u niet, dat Ik de Vader voor u vragen zal, 27 want de Vader zelf heeft u lief, omdat gij Mij hebt liefgehad en geloofd hebt, dat Ik van God ben uitgegaan. 28 Ik ben van de Vader uitgegaan en in de wereld gekomen; Ik verlaat de wereld weder en ga tot de Vader. 29 Zijn discipelen zeiden: Zie, nu spreekt Gij vrijuit, zonder beeldspraak te gebruiken. 30 Nu weten wij, dat Gij alles weet en niet nodig hebt, dat iemand U vraagt; hierom geloven wij, dat Gij van God zijt uitgegaan. 31 Yeshua antwoordde hun: Gelooft gij thans? 32 Zie, de ure komt en is gekomen, dat gij verstrooid wordt, een ieder naar het zijne en Mij alleen laat. En toch ben Ik niet alleen, want de Vader is met Mij. 33 Dit heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt. In de wereld lijdt gij verdrukking, maar houdt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen. 17:1 Dit sprak Yeshua en Hij hief zijn ogen ten hemel en zeide: Vader, de ure is gekomen; verheerlijk uw Zoon, opdat uw Zoon U verheerlijke, 2 gelijk Gij Hem macht hebt gegeven over alle vlees, om aan al wat Gij Hem gegeven hebt, eeuwig leven te schenken. 3 Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Yeshua haMashiach,, die Gij gezonden hebt. 4 Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt. 5 En nu, verheerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was. 6 Ik heb uw naam geopenbaard aan de mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij behoorden U toe en Gij hebt hen Mij gegeven en zij hebben uw woord bewaard. 7 Nu weten zij, dat al wat Gij Mij gegeven hebt, van U komt, 8 want de woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven en zij hebben ze aangenomen en in waarheid erkend, dat Ik van U ben uitgegaan, en zij hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt. 9 Ik bid voor hen; niet voor de wereld bid Ik U, maar voor hen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn van U, 10 en al het mijne is het uwe en het uwe is het mijne, en Ik ben in hen verheerlijkt. 11 En Ik ben niet meer in de wereld, maar zij zijn in de wereld en Ik kom tot U. Heilige Vader, bewaar hen in uw naam, welke Gij Mij gegeven hebt, dat zij één zijn zoals Wij. 12 Zolang Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in uw naam, welke Gij Mij gegeven hebt, en Ik heb over hen gewaakt en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon des verderfs, opdat de Schrift vervuld werd. 13 Maar nu kom Ik tot U en Ik spreek dit in de wereld, opdat zij ten volle mijn blijdschap in zichzelf mogen hebben. 14 Ik heb hun uw woord gegeven en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij niet uit de wereld zijn, gelijk Ik niet uit de wereld ben. 15 Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor de boze. 16 Zij zijn niet uit de wereld, gelijk Ik niet uit de wereld ben. 17 Heilig hen in uw waarheid; uw woord is de waarheid. 18 Gelijk Gij Mij gezonden hebt in de wereld, heb ook Ik hen gezonden in de wereld; 19 en Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid. 20 En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven, 21 opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt. 22 En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn: 23 Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld erkenne, dat Gij Mij gezonden hebt, en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt. 24 Vader, hetgeen Gij Mij gegeven hebt – Ik wil, dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om mijn heerlijkheid te aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt, want Gij hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld. 25 Rechtvaardige Vader, de wereld kent U niet, maar Ik ken U, en dezen weten, dat Gij Mij gezonden hebt; 26 en Ik heb hun uw naam bekend gemaakt en Ik zal hem bekend maken, opdat de liefde, waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij en Ik in hen.
Een paar gedachten:
>Ieder heeft een vrije wil om te kiezen om God te dienen of niet. HaShem heeft de mens een vrij wil gegeven (11:26). Kiest dan de mens om het goede te doen dan is het goede van hogere waarde dan als hij geen vrije wil heeft en alleen maar goed kan doen
>Neem het land in bezit en doe Gods wil. (11:29). Het is een mitze (goede daad) en een opdracht voor een Jood, een Israëliet, om in Eretz Israel te gaan wonen, het land wat HaShem voor hem bestemd heeft.
>Gods inzettingen (Thora) gelden zolang het volk Israël op de aardbodem leeft (12:1). Dus voor altijd
>Alles wat met afgoderij te maken heeft moet vernietigd worden (12:2,3)
> De plaats waar de Tempel weer moet komen is door God zelf uitgekozen. Geen mens, geen president kan daar verandering in aanbrengen. Jeruzalem is door God vastgesteld als plaats waar Zijn huis zal komen (12:5)
>Offers niet naar een eigen gekozen plaats brengen maar brengen naar de plaats die God verkiest, uiteindelijk zal dat weer de tempel in Jeruzalem zijn (12:13,14)
>Bloed mag niet gegeten worden. Het moet uitgegoten worden (12:16)
>Tienden van de land en van de eerstelingen van de veeopbrengst zijn voor de Tempel in Jeruzalem (12:17)
>Geboden onderhouden als uiting van gehoorzaamheid en omdat het dan goed met je zal gaan. Dezer geestelijke principes gelden voor eeuwig (12:25-28)
>Thora niet uitbreiden boven hetgeen God gegeven heeft. Daarnaast ook niet verminderen (12:32)
>Beproeving tot afleiding laat God toe om ons op de proef te stellen (13:3). Op basis van deze tekst moeten andere religie(vormen) die propageren dat het niet meer nodig is om je als Jood, Israeliet aan de Thora instructies te houden, worden afgewezen. God laat die valse boodschappers alleen toe om het hart van de Joden, de Israelieten te testen. Boeken zoals het Nieuwe Testamen, het Boek van Mormon en de Koran mogen op grond van deze Thora instructie niet als 'woorden en instruxties van God' beschouwd worden.
>Personen die het volk Israel van God afhouden/afleiden moeten uit de gemeenschap verwijderd worden (13:5-8). Deze zonden mogen niet in de gemeenschap getolereerd worden.
>Alle bezitting van zo’n persoon zijn dan ook onrein (13:16,17)
>Neem geen heidense rouwgebruiken van insnijdingen en afschering over (14:1)
>Eigen (segullah) (14:2) in eigen volk betekent: Speciaal, waardevol, schat (zie ook Ex 19:4-6, Deut. 7:6, Deut. 26:18, Ps 135:4 en Mal. 3:17) Ziet op de bijzondere liefdesrelatie tussen God en het volk Israël. Deze relatie komt voort uit de verbondsrelatie die het volk met God had met als doel dat het een koninkrijk van priesters voor God zou zijn.
>Eet kosher (14:2) Onkoshere dieren zijn niet bestemd voor consumptie.
>Aas van (gestorven) reine dieren mogen ook niet gegeten worden (14:21)
>Vertienen (asher) in (14:22) heeft dezelfde wortel als rijk (asheer). 'Vertienen zal je rijk maken opdat je God zal vrezen' wordt er bedoeld in 14:22 en 23)
>Tienden van de oogst zijn voor de Tempel (14:23)
>Zorg voor de Leviet is voor rekening van de gemeenschap waar hij woont (14:27,29) evenals de zorg voor de weduwen en wezen voor gemeenschap. Goed functioneren van die zorg resulteert in zegen (14:29)
>Lening aan broeder binnen de gemeenschap (uit eigen middelen) in het zevende jaar kwijtschelden (als hij geen mogelijkheid heeft om het terug te betalen) zodat er geen arme zal zijn. (15:1-4). Gevolg je zal altijd uit kunnen lenen zonder zelf te hoeven lenen. (15:6)
>Er zullen altijd armen zijn die van gulheid van anderen afhankelijk zijn om niet te verarmen (15:11)
>Breng God geen offeranden met een gebrek (15:21) maar geef Hem het beste.
>Vier de feesten die God heeft ingesteld en bezoek tijdens de drie pelgrimsfeesten de tempel (16:1-16)
>Kom niet met lege handen voor Gods aangezicht (16:16,17). Ieder geeft aan God naar zijn vermogen.
Categories: None
The words you entered did not match the given text. Please try again.
Oops!
Oops, you forgot something.