|
|
Opname Henoch
Laten we eerst zien naar de opname van Henoch. Genesis 5:24 zegt: ‘En Henoch wandelde met God, en hij was niet meer, want God had hem opgenomen’. Hebr.11:5 voegt daaraan toe: ‘door het geloof is Henoch weggenomen zodat hij de dood niet zag….’.
Van het verloren gegane Boek van Henoch werd het meest volledige gedeelte, geschreven in de Ethiopische taal, in Abessinië (thans Ethiopië) eerst in 1773 teruggevonden. Andere (kleinere) vondsten waren geschreven in het Aramees, Hebreeuws, Latijn of Grieks.
Uit de weergevonden delen is een zo volledig mogelijk Boek van Henoch samengesteld.
Uit de teksten van de 2e brief van Petrus en de brief van Judas blijkt dat de toenmalige gelovigen met het Boek van Henoch (en/of het Boek des Oprechten) inzake de geschiedenis en het lot van de gevallen engelen op de hoogte waren, waarbij een enkele verwijzing daarna voor hen voldoende was.
Hoofdstuk 3 van het ‘Boek des Oprechten’, genoemd in Jozua 10:13 en 2 Samuël 1:18, gaat op de opname van Henoch nader in. In vers 32 wordt gesproken over een dagreis, terwijl vers 36 stelt: ‘en op de zevende dag steeg Henoch in een wervelwind met vurige paarden en wagens ten hemel’. Hieruit kunnen we concluderen dat de opname van Henoch op dezelfde wijze plaatsvond als de opname van Elia. Beiden stegen in een wervelwind op ten hemel, dat is in een vurige wagen met vurige paarden.
Opname Elia
Elia's opname lijkt een van de meest spannende gebeurtenissen (2 Koningen 2:1).
Als je opname door God Zelf wordt aangezegd, zou je daarvan toch opgewonden raken. En feitelijk nog meer als die opname binnen heel korte tijd staat te gebeuren.
Stel eens voor dat de Here ons zou zeggen dat we morgen levend opgenomen worden, we zouden gewoon niet weten wat we allemaal nog ineens zouden doen. We zouden van spanning beslist niet meer kunnen slapen. Immers, op dat moment zijn we nog in ons sterfelijk lichaam.
Dat was Elia ook. Bovendien was Elia geen super-mens. De apostel Jacobus (5:17) merkt op dat 'Elia slechts een mens was zoals wij'. Toch raakt Elia door die aanzegging van God helemaal niet opgewonden. Ook zijn opvolger, de profeet Elisa, heeft geen spanning. Evenzo zijn de profeten van Betel en Jericho kalm. Hoe kan dat? Heeft dit feit ons -wedergeboren gelovigen uit de volkeren- iets te zeggen? Wij levenden, die eveneens opgenomen zullen worden en de dag van Jezus' wederkomst zien naderen (Hebr.10:25).
De Here zij geprezen voor Zijn levend Woord. God weet dat we in alle opzichten zwakke mensen zijn (zie. Psalm 103). In circa 6000 jaar wereldgeschiedenis is de opname van de gelovigen een eenmalig feit.
Die opname zou -normaal gesproken- een geweldige spanning kunnen oproepen. Maar daarin heeft God Zelf voorzien. Ook door voor ons de opname van Henoch en Elia te beschrijven. 2 Koningen 2 zegt ons dat alle betrokkenen van de opname weten en volkomen op de hoogte zijn. Dat houdt in dat God Zelf ook voor die korte tijd tot de opname geen spanning, maar Zijn vrede en rust geeft. De profeten van Betel en Jericho zeggen tot Elisa: 'weet ge dat de Here heden uw heer boven uw hoofd zal wegnemen? (2 Kon.2: 3, 5).
Het moet Gods Geest zijn, Die zo’n schitterende omschrijving van de aanstaande gebeurtenis geeft. En Elisa antwoordt tot 2 maal toe: 'Ook ik weet het, zwijgt stil’. We zouden wellicht op het allerlaatst nog uiting willen geven aan alles wat ons zo plotseling bezighoudt.
Maar Gods Woord zegt ons dat we stil moeten zijn (Exod.14:14). Alles in Zijn handen leggen. Alles in vol vertrouwen van Hem verwachten. In stil gebed. En niet omkijken naar onze bezittingen (huis, inboedel, geld). Denk aan de vrouw van Lot (die uit Sodom kwam). Er komt een nacht waarin niemand kan werken (Joh.9:4). Totdat de Here op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank der bazuin Gods, nederdaalt van de hemel.
Opname van de 2 getuigen
In Openbaring 11:3 wordt beschreven dat tijdens de Grote Verdrukking 2 getuigen zullen profeteren. Deze getuigen zijn vermoedelijk Elia en Mozes omdat zij ook verschenen bij de verheerlijking van Jezus op de berg en met Hem spraken over Zijn uitgang die Hij zou volbrengen te Jeruzalem (Lukas 9:30,31).
Als zij hun getuigenis voleindigd zullen hebben, worden zij door het beest uit de afgrond gedood (Openb. 11:7). (beest uit de afgrond = Apollyon-Abaddon – Openb.9:11). Deze getuigen liggen dan 3½ dag dood op de straat van Jeruzalem. Na deze 3½ dag vaart een levensgeest uit God in hen waardoor zij op hun voeten gaan staan. Vervolgens klinkt een luide stem uit de hemel, die tot hen zegt: Klimt hierheen op! En zij klommen naar de hemel op in de wolk (wolkenwagen).
Het einde van een wonderlijke dagreis
Op de dag waarop de Here Elia in een storm (‘onweer’ zegt de S.V. – 2 Kon.2:1) ten hemel opneemt, trekt Elia met Elisa van Gilgal, via Betel en Jericho, naar de Jordaan. Zo gaan die twee, wandelende en sprekende. Zo zijn die twee onafscheidelijk. Het gaat hier om veel meer dan een dagreis. We zullen hier enkele punten aanstippen.
Het einde van de dagreis is één van die geweldige aanwijzingen in Gods Woord met betrekking tot Jezus’ wederkomst. Het betekent het einde van de reis door deze wereld van Israël en de gemeente, het sluitstuk van de verlossing van Gods volk via 2 wonderbare uitwegen. Het beeld van de jongste en de oudste broer, die t e n s l o t t e tesamen optrekken. Waarvan het onderscheid is weggenomen door Christus offer aan het kruis van Golgotha. Die -alleen op grond van Gods plan en door Gods genade- onafscheidelijk zullen blijven.
We zien vandaag de dag Israël en de gemeente bepaald nog niet samen optrekken. Maar we krijgen hier een blik in Gods hart. Zoals God Israël en de gemeente ziet. Opdat het zal worden: ‘één kudde en één Herder’. Laten we er op letten dat Elia -gedurende de dagreis- tot 3 keer toe Elisa vraagt om achter te blijven. Maar Elisa geeft elke keer Gods uiteindelijk doel weer: ‘Zo waar de Here leeft en gijzelf leeft, ik zal u niet verlaten’ (vers 2,4 en 6).
Bij de opname van Elia vraagt Elisa om een dubbel deel van de Geest (vers 9). Die moeilijke wens zal alleen vervuld worden als Elisa de opname van Elia zal zien. En dat gebeurt (vers 10).
Profetisch verwijst ons dat naar de 5e aangewezen Hoogtijd van de Here, het feest van het geklank der bazuin (Lev.23:24). De bazuin, die klinkt bij de opname van de gemeente -dat is het einde van het 4e feest, de inzameling die begon met Pinksteren- en die gaat klinken voor Israël.
Zoals Romeinen 11:25,26 en 2 Korinthe 3:13-16 beschrijven, wordt het deksel (bedekking) door de Here van Israël weggenomen. Daarnaast is zowel bij de opname van de volheid der heidenen als bij de opname van de volheid van Israël de aartsengel (Michaël) betrokken.
Als de opname van Elia een voorafschaduwing is van de opname van de gemeente, en het daarna nog korte verblijf van Elisa op aarde –inclusief dood en opstanding- een beeld is van het verblijf in de woestijn van Israël (Openb.12:6,14), dan is uit deze gebeurtenissen af te leiden dat de opname van de gemeente geschiedt tijdens een wervelwind in de vurige wagens met vurige paarden, in de wolkenwagens, waarvan er volgens Psalm 68:18 (zie ook Ps.104) tenminste 40.000 zijn.
We moeten hier weer voor de uitleg Bijbelteksten vergelijken.
Immers, in Psalm 104:3,4 staat: ‘Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt, Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaars tot een vlammend vuur’.
Daarnaast staat in Nahum 1:3: ‘Des Heren weg is in wervelwind, en in storm, en de wolken zijn het stof Zijner voeten…..’. En Jeremia 4:13 stelt: ‘Ziet, hij komt op als wolken, en zijn wagenen zijn als een wervelwind, zijn paarden zijn sneller dan arenden…..’. Ook Jesaja 66:15 voorzegt: ‘Want ziet, de Here zal met vuur komen, en Zijn wagenen als een wervelwind….’.
Wonderbare uitweg
Henoch en Elia werden opgenomen IN de wolkenwagen. In Ezechiël 10:13 zien we dat de Goddelijke wagens een naam hebben, n.l. ‘Werveling’ of in het Hebreeuws: Galgal = wervelwind.
Laten we er op letten dat in 2 Koningen 2:1 en 2:11 de opname van Elia plaatsvindt in een onweder (storm). Dat is niet om ons op de hoogte te stellen van de toenmalige weersgesteldheid. Het Hebreeuwse woord ‘saa’ar’ dat met onweder(storm) is vertaald, heeft eveneens de betekenis van stormwind of wervelwind. Daarbij moeten we bedenken dat wind hier bedoeld is als wind of adem uit de hemel, die leven geeft. Dat is de adem van de Levengever, de Heilige Geest. Zie in dit verband Rom. 8:2,10 en Hand. 2:2-4.
We vinden dus dat de Here God met de opname van Elia (en Henoch) in een onweder de hemelse wervelwind of de wervelwind van de Heilige Geest aangeeft, waarbij het vervoermiddel –de vurige wagens en paarden- genoemd Galgal of Werveling, eveneens de betekenis heeft van wervelwind en van dat onweder deel uit maakt.
Vervolgens staat er in 2 Kon.2:11 geschreven: ‘Elia voer in een storm (als een onweer) ten hemel’ (King James Version: whirlwind = wervelwind). Hier is zowel sprake van de hemelse ‘wervelstorm’ als van de hemelse ‘Werveling’.
Gelovigen over de gehele wereld zullen op de dag van de opname IN de Goddelijke wolkenwagens worden opgenomen, zoals de Staten-Vertaling zegt in 1 Tess.4:17.
IN de vurige wagens, die hen IN een hemelse ‘wervelstorm’ naar de grote ontmoeting met de Here Jezus IN de lucht brengen. De ontmoeting van ‘aangezicht tot aangezicht’.
Wagens en ruiters van Israël
Er is een bijzonder aspect in de uitroep van Elisa. De profeet noemt het Goddelijk vervoermiddel: ‘wagen en ruiters van Israël’ (2 Kon.2:12). En als Koning Joas op bevel van Elisa een pijl der verlossing des Heren moet afschieten, herhaalt deze Koning dezelfde uitroep: ‘wagen en ruiters van Israël’ (2 Kon.13:14).
Zo wijst de naam die aan de Goddelijke wolkenwagens wordt gegeven op een eindbestemming ten behoeve van Israël, waarbij de afgeschoten pijl op de uiteindelijke verlossing is gericht van Israël.
In 2 Koningen 6:8-23 lezen we dat Elisa met zijn knecht op de berg bij Dothan is. Een sterk leger, bestaande uit paarden en wagens van de Koning van Aram, sluit hen in. De Arameërs bewoonden in die tijd een groot gebied ten noorden van Israël. Het Aramees werd later een wereldtaal. Damascus was de hoofdstad van dit rijk. De knecht van Elisa ziet de omsingeling en de overmacht van Aram (vers 14/15). Geen ontkomen lijkt mogelijk. De knecht is verschrikkelijk benauwd. Een sprekend beeld van de grote benauwdheid van Israël.
Maar Elisa zegt: ‘Vrees niet, want zij, die bij ons zijn, zijn talrijker dan zij, die bij hen zijn’ (vers 16). Vervolgens gaat de profeet bidden en vraagt de Here de ogen van de knecht te openen. De Here verhoort dat gebed.
En dan ziet de knecht dat de berg vol is van vurige paarden en wagens r o n d o m Elisa (vers 17).
Als de wereldwijde gemeente -de volheid der heidenen- wordt opgenomen, zullen de vurige paarden en wagens zich inzetten voor Israël (Jes.66:15). Dat is aan het einde van de tijd van ‘Jacobs benauwdheid’.
Immers, de opname van de wereldwijde gemeente is in Romeinen 11:25,26 verbonden aan het wegnemen van de gedeeltelijke bedekking, het behoud van Israël en de (weder-)komst van de Verlosser. Dan worden hun ogen geopend.
Israël zal zien ‘dat zij, die bij Israël zijn, talrijker zijn dan zij, die bij hun vijanden zijn’.
Wagens en ruiters van Israë1 zal inhouden: In de edele olijf Israël geënte gelovigen uit de volken worden verlost (zeer waarschijnlijk op dezelfde tijd, op dezelfde plaats in de woestijn – Rom. 11:24-26 en 1 Tess.4:13-17 en Openb.12:6,14).
Want de geënte gelovigen zijn van hetzelfde lichaam, huisgenoten Gods, mede-burgers, mede-erfgenamen, en mede-deelgenoten van Gods belofte in Christus door het Evangelie (Efeze 2:16,18, 19 en 3:6).
Het is daarbij vanzelfsprekend dat allen die in de wolkenwagens mogen plaatsnemen een opstandingslichaam moeten hebben verkregen.
De opname van de volheid van Israël
Deze opname (zie ook Ps.73:24) geschiedt doordat ‘aan de vrouw (Israël) zijn gegeven twee vleugelen eens groten arends, opdat zij zou vliegen in de woestijn, in haar plaats, door God bereid…….’ (Openb.12:6,14).
Hier wordt uitdrukking gegeven aan een omschrijving van de wolkenwagens van Israël, die onder aanvoering staan van de aartsengel Michaël (Daniël 12:1). De vleugelen van een grote arend zullen zijn van de cherub, die een vliegende arend gelijk is (Ezech.10:12-14 en Openb.4:7). Ook voor deze vliegreis is de verandering van Israël met een opstandingslichaam duidelijk.
Immers, bij het openbaar maken van het geheimenis (zie vooral hfst.2 en 3 van de Efeze-brief) door Paulus, de apostel der heidenen (Rom.11:13), wordt die duidelijkheid voor Israël als vanzelfsprekend verondersteld. Want wat wordt gegeven aan de mede-burgers, geldt allereerst en zeker voor de burgers (Israël).
In de woestijn zal Israël zien rondom Wie dit alles zich voltrekt. Dan maakt de Messias, de Rots die indertijd reeds in de woestijn met Israël meeging en ook thans meegaat, zich bekend (1 Kor. 10:4 en Zacharia 12:10-14). Zoals de Here Jezus ons bekend maakt in Matt.24:15 zal eerst de vlucht en vervolgens de opname van Israël zich voltrekken aan het einde van de grote benauwenis, dat betekent bij de aanvang van de Grote Verdrukking. Dit tijdstip wordt ondersteund door Openbaring 12:6,14 waar sprake is van één tijd, tijden, en een halve tijd of 3½ jaar, waarin de volheid van Israël door God wordt onderhouden in haar plaats in de woestijn, buiten het gezicht van de slang (duivel).
Ook Hosea (2:13) profeteert dat Israël door God naar de woestijn gevoerd zal worden en dat God daar naar haar hart zal spreken.
Het zal hier waarschijnlijk betreffen de Sinaï-woestijn, alwaar Israël indertijd reeds door God werd gevoed met het manna en de kwakkels (bijv. Psalm 78:24 en 105:40).
Wedergeboorte
Nadat Elisa is gestorven en zojuist begraven, zijn -vlak naast zijn laatste rustplaats- mensen opnieuw bezig een graf te delven voor een gestorven man (2 Kon.13:20,21).
Plotseling zien de grafdelvers een bende uit Moab naderen. Omdat het graf nog niet klaar is werpen ze de gestorven man zonder meer in het open graf van Elisa en zetten het op een lopen.
Maar dan gebeurt opeens een groot wonder. Op het moment dat de gestorven man in het graf van Elisa wordt gegooid en in aanraking komt met het gebeente van Elisa, wordt de man levend en rijst overeind op zijn voeten.
De Here heeft door de geschiedenis van Elisa het volk Israël willen verzekeren van kracht, genade en levendmaking in het laatst der dagen.
Romeinen 11:12,15 zegt: ‘Betekent nu hun val de rijkdom der wereld, en hun vermindering de rijkdom der heidenen, hoeveel te meer hun volheid’ en ’....wat zal hun aanneming anders wezen dan leven uit de doden’.
En Hosea (6:2) roept uit: ‘Hij zal ons na twee dagen levend maken; op de derde dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven’.
Dat is precies hetgeen ook de Hoofdstukken 37 tot en met 39 van Ezechiël uittekenen. De wedergeboorte, het leven uit de doden, het volkomen herstel van het ganse huis Israël in het laatst der dagen. Eerst naar lichaam. Daarna naar Geest. Want God zal over Israël de bedekking wegnemen en uitstorten de Geest der genade en der gebeden (Zacharia 12:10).
Dat is dezelfde Geest der genade, die het onderpand werd van de gelovigen uit de volkeren in de tijd der genade. In de gave van de Heilige Geest is begrepen de opstanding, het opstandingslichaam, de onsterfelijkheid en de erfenis.
Daarnaast voorzegt de profeet Ezechiël (39:29): ‘en Ik zal Mijn aangezicht voor hen niet meer verbergen, wanneer Ik Mijn Geest over het huis Israëls zal hebben uitgegoten, spreekt de Here Here...... Ezech. 37:25-28: En zij zullen wonen in het land, dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb....tot in eeuwigheid...Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En de heidenen zullen weten, dat Ik de Here ben, die Israël heilig, als Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in eeuwigheid'.
Zo verzekert de Here in 2 Kron.33:4: 'Te Jeruzalem zal Mijn Naam zijn tot in eeuwigheid'. Jeruzalem is de stad van de grote Koning (Matt.5:35).
Laten bij dit alles bedenken dat de Here Israël in eeuwigheid bemint (1 Kon. 10:9).
Ter verduidelijking nog het volgende. We zijn gewend om 1 Tess.4:13:17 uit te leggen als geschreven voor de gemeente van gelovigen uit de volken. Maar bij nader inzicht gaat deze tekst eveneens over Israël.
Immers, 1 Tess.4:16 spreekt over “die van Christus zijn”. Dat sluit ook Israël in (zie ook Jes.45:25; 60:21 en Lukas 14:14 = opstanding rechtvaardigen – uitverkorenen). Dat nu de meeste Joden niet in Hem geloven door de Goddelijke bedekking, neemt dat niet weg. Immers, God heeft Zijn volk niet verstoten. Als de levenden veranderd zullen worden in een ondeelbaar ogenblik, dan valt Israël dat ook ten deel. Het enige verschil met Israël is, dat de Here Zelf Israël op het laatst de ogen zal openen voor haar Messias en Koning.
De onkunde of onwetenheid (Hand.3:17) verandert in zien en geloof. De laatsten worden weer de eersten. De apostel Paulus schrijft vol verwachting over hun komende ‘volheid’ en het wegnemen van hun zonden (Rom.11:12 en 27). In volkomen overeenstemming met hetgeen over de Messias staat in Matt.1:21.
Voorafschaduwing
In het begin van deze studie hebben we de vraag gesteld waarom God zo lang geleden de wegrukking (opname) van de levende Henoch en Elia als voorbeeld heeft gegeven.
Immers, God Zelf openbaarde Henoch en Elia dat zij niet eerst dood zouden gaan maar binnen heel korte tijd levend ten hemel werden opgenomen. Naast vele andere opstandingen uit de dood (bijv.Lazarus) openbaart Jezus dat Hij de Opstanding en het Leven is (Joh.11:25) en geeft God nog het voorbeeld van de 2 getuigen aan het einde van de Grote Verdrukking, die opstaan uit de dood en levend ten hemel varen.
Het antwoord zal in de loop van deze studie duidelijker zijn geworden. Want dat voorbeeld wijst profetisch op de wegrukking van de levenden, die niet dood gaan maar veranderd worden (1 Tess.4:15,17 en Openb.12:6,14) alsmede op de in Christus gestorvenen (Israël en gemeente), die zullen leven in eeuwigheid (zie ook Joh.11:25,26). Vandaar dat 1 Tess.4:13-17 en Openb.11:7-12 zowel de gestorvenen noemt als de levenden.
Het tijdstip (op het allerlaatst gezien) van de wegrukking
Zowel de wonderbare wegrukking van de gemeente als van Israël zal –op het allerlaatst gezien- vrijwel gelijktijdig plaatsvinden. Dat wil zeggen: direct voordat satan met zijn demonen uit de hemel wordt geworpen en de Grote Verdrukking een aanvang neemt.
Wat Israël betreft zegt de Here in Ezechiël 39:22 nadrukkelijk het volgende: ‘En die van het huis Israëls zullen weten, dat Ik, de Here, Uw God ben, van die dag af en voortaan’.
Bovendien zegt de Here in Ezechiël 39:29 (zie ook Joël 2:28; Zacharia 12:10) dat Gods Geest over Israël zal worden uitgestort. Naast Romeinen 11:25,26 bewijst dit dat God van Israël de bedekking heeft weggenomen.
‘Van die dag af en voortaan’ wordt gesproken bij het einde van de oorlog van Gog. Ezechiël 38:8,16 plaatst die oorlog en de ondergang van Gog in het laatst der dagen. Uit Openbaring 12:6,14 is af te leiden dat het einde van die oorlog tegelijk de inleiding is tot de Grote Verdrukking.
Wat de volheid der heidenen (de in de eeuwen in Christus gestorvenen en de op aarde levenden) betreft, zijn er nog veel meer aanwijzingen. Immers, de op aarde levende Filadephia-gemeente wordt bewaard voor de ure der verzoeking (een synoniem voor het optreden van de anti-christ gedurende de Grote Verdrukking) (Openbaring 3).
De volheid der gelovige heidenen (Filippensen 3:20) heeft vanaf de 1e Pinksterdag na de hemelvaart van de Here Jezus "uit de hemelen Zijn Zoon verwacht, die Hij uit de doden opgewekt heeft, Jezus, Die ons verlost van de toekomende toorn." (1 Tess.1:10). Dat is niet alleen de toorn die over ons leven ligt, die ons deel zou zijn indien de Here Jezus niet voor ons in de plaats was getreden, maar ook toekomstige toorn, de oordelen van de laatste jaarweek van Israël (Daniël 9:20 e.v.).
Daarvan is de gelovige verlost. De Here Jezus heeft voor de gelovige het oordeel op het kruis van Golgotha gedragen. Hij heeft voor allen als het onschuldig Lam Gods het loon van de zonde, dat is de dood, ondergaan. Wat verkregen werd met de dood en opstanding van Christus is geen gedeeltelijk werk. Het is de volkomen verlossing van alle toorn en straf.
Daarom staat geschreven in Johannes 5:24: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie mijn woord hoort en Hem gelooft, die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit de dood in het leven."
God zegt dus overduidelijk dat de gelovige niet in het (toekomstig) oordeel komt. Dat houdt in dat de gelovige moet zijn opgenomen vóórdat de toekomstige toorn, vóórdat de oordelen van de Grote Verdrukking aanvangen.
Een volgende aanwijzing ontmoeten we in 2 Thessalonicensen 2:6,7. Paulus zegt: "En gij weet thans wel wat hem (de antichrist) weerhoudt, totdat hij zich openbaart op zijn tijd. Want het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking; wacht slechts totdat Hij, die op het ogenblik nog weerhoudt, verwijderd is. Dan zal de wetteloze (satan/antichrist/valse profeet) zich openbaren."
Het gaat hier om zowel wat als Hij, die weerhoudt. Paulus spreekt daarover 2000 jaar geleden tot de gemeente. Bij "Hij, die weerhoudt" kan het dus niet om een natuurlijk persoon gaan, die zoveel eeuwen de antichrist tegenhoudt. Het moet een geestelijk sterker persoon zijn.
In 1 Johannes 4:3,4 staat het antwoord. "Iedere geest, die Jezus niet belijdt, is niet uit God. En dit is de geest van de antichrist, waarvan gij gehoord hebt, dat hij komen zal, en hij is nu reeds in de wereld. Gij zijt uit God, kinderkens (=gelovigen der gemeente), en gij hebt hen overwonnen; want Hij, die in u is, is meerder dan die in de wereld is."
De antichristelijke geest was er dus al 2000 jaar geleden bij het ontstaan van de 1e gemeente. De wedergeboren gelovige is verzegeld met de Heilige Geest als onderpand van de erfenis.
Wie de antichrist weerhoudt is dus de Heilige Geest in de gemeente. Wat de antichrist weerhoudt moeten de vurige paarden en wagens rondom de gemeente zijn, aangedreven door de H.Geest (2 Kon.6:8-23 en Zach.6:5-8). Daarop wijst ook de taak van de engelen (Hebr.1:13-14). Want de aartsengel Michael en zijn engelen zijn sterker dan de draak (satan) en zijn demonen, die door hen op aarde worden geworpen (Openb.12:7-9). Dat is tegelijk het einde van de periode van de gemeente op aarde, die wordt gekenmerkt door de wegrukking (opname).
Eerst daarna kan de namaak-drieëenheid van satan, antichrist en valse profeet zich openbaren aan het begin van de Grote Verdrukking (Openb.13).
Nadat de apostel Paulus in de eerste brief aan de Tessalonicenzen (4:13-17) de wonderlijke opname van de gelovige rest uit de heidenen (de gemeente) heeft verklaard, vervolgt hij in zijn tweede brief (2 Tessalonicenzen 2, vanaf vers 1) met ‘onze toevergadering tot Jezus Christus’.
In dit vervolg gaat het vooral om verwarring te voorkomen. Die ‘toevergadering tot Jezus Christus’ zal pas kunnen plaatsvinden als ‘de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs, die zich tegenstelt en verheft boven al wat God genaamd of als God geëerd wordt, alzo dat hij in de Tempel Gods als een God zal zitten, zichzelve vertonende dat hij God is’. Hier spreekt de apostel dus eerst over de afval en daarna over de openbaring van de antichrist.
Dit gegeven is een extra bevestiging dat de toevergadering van de gelovige rest uit de heidenen tot Yeshua (de Here Jezus) in elk geval zal plaatsvinden vóórdat de antichrist zich openbaart en in de (herbouwde) Tempel te Jeruzalem plaats neemt.
Tenslotte wijzen we op nog een heel bijzonder Bijbels gegeven. Immers, de opname van de volheid der gemeente geschiedt, de Here tegemoet, in de lucht. Dat is de eerste wederkomst van de Here. Maar de wederkomst van de Here voor de volheid van Israël –zie bijv.Zach. 12:10-14 en Openb.1:7- alsmede de wederkomst van de Here voor de wereld –zie bijv.Zach. 14:4 en Openb.19:11- geschiedt op aarde.
Er zijn dus verschillende wederkomsten, niet alleen met betrekking tot verschillende doelgroepen, maar ook betreffende de plaats van de wederkomst, d.w.z. in de lucht en op aarde. Wat wil dit zeggen?
De eerste wederkomst van de Here in de lucht is een extra bewijs dat de volheid der gemeente tenminste vóór de Grote Verdrukking wordt opgenomen! Immers, dan is satan nog overste der lucht, terwijl dat feit zeker eindigt bij de aanvang van de Grote Verdrukking. Want dan worden satan en zijn afgevallen engelen uit de hemelse gewesten op aarde geworpen. De Here zorgt voor bescherming tijdens de opname van de volheid der heidenen (gemeente) in vijandelijk gebied door Zich tussen de vijand en Zijn volk in de lucht op te stellen! Wie hieraan zou twijfelen, moet nog op het volgende letten.
Het is buitengewoon belangrijk hoeveel bewijzen er zijn dat de volheid van de heidenen (wedergeboren gemeente van Christus – zie ook 1 Thessalonicensen 4:13-17) tenminste vóór de Grote Verdrukking is opgenomen.
Als de duivel en zijn demonen op aarde is geworpen, kan de gemeente niet meer op aarde zijn. Immers, dan zou het niet waar zijn dat de gemeente op aarde de strijd heeft tegen de overheden, tegen de geestelijke machten der boosheid in de lucht. Zie in dit verband Efeze 6:12.
Dit alles betekent dat min of meer in dezelfde overgangsperiode enorme gebeurtenissen zowel in de lucht als op aarde zullen plaatsvinden. Die gebeurtenissen zullen grote gevolgen hebben, waaronder de invoering van het merkteken, zonder welke niemand meer kan kopen of verkopen.
De bevrijding
In Psalm 124, vers 8, staat: Onze hulp is in de Naam des Heren, die hemel en aarde gemaakt heeft. Bij bestudering van de Hebreeuwse tekst staat er letterlijk vertaald: ‘die hemel en aarde makende is’. Wat wil dit zeggen?
Het betekent dat in het verleden hier niet van een afgesloten werk wordt gesproken. Neen, de Here heeft door alle gebeurtenissen heen, en tenslotte in het laatst der dagen van de eindtijd, de hemel en aarde gemaakt tot alles wat Hij Zich voorgenomen had, n.l. de van ongerechtigheid gereinigde, dus de nieuwe hemel en aarde. (zie ook Hebreeën (12:22 e.v.).
En zo zien we in Openbaring 11:16,17 (NBG) dat aan God de volgende dank wordt gebracht: “Wij danken U, Here God, Almachtige, die is, en die was, dat Gij uw grote kracht hebt aangenomen en uw heerschappij (koningschap) hebt aanvaard”.
In voorafgaande Bijbelteksten werd gesproken over de Here God, die is, die was, en die komt.
Maar hier in Openbaring 11:16,17 behoeft niet meer over ‘en die komt’ te worden gebeden, want Hij is dan gekomen! Die (weder-)komst is in wezen de verschijning van Messias Jezus Christus. En dan gaat alles heel vlug.
In Daniël wordt dit geopenbaard in de hemel. Daniël 7:13 e.v.: “Verder zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Een met de wolken des hemels, als eens mensen zoon, en Hij kwam tot de Oude (Eeuwige) van dagen (God de Vader), en zij deden Hem voor Denzelven naderen. En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natiën en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden.”
De wolkenwagens zullen dan opnieuw verschijnen. Immers, zoals Daniël 7:13 e.v. getuigt ook Matteüs 24:30; 26:64: ‘en zullen de Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels…’, terwijl Openbaring 1:7 stelt: ‘Zie, Hij komt met de wolken…..
Weergaven: 5
Categories: None
The words you entered did not match the given text. Please try again.
Oops!
Oops, you forgot something.