Blog

GODS VERBORGENHEID MET DE GEDEELTELIJKE BEDEKKING

Posted by Miriyam Burger on May 27, 2013 at 2:30 PM

 

 

BIJBELSTUDIE

 

GODS VERBORGENHEID MET DE GEDEELTELIJKE BEDEKKING

 

Paul J.M. van Teeffelen

 

 

In het bijzonder gaat deze bijbelstudie over een geheimenis van de sluier, waartoe God al besloten had vóór de grondlegging der wereld.

 

Immers, God is almachtig (Job 42:2), dus onafhankelijk en onbeperkt (Johannes 5:26). Hem is alle kracht.

 

Hij is o.a. de eeuwig Levende (Jesaja 40:28), Geest (2 Korinthe 3:17,18), Licht (Psalm 89:16), Liefde (1 Joh.4:8,16), alomtegenwoordig (Psalm 139:7-10), alwetend (1 Johannes 3:20), onveranderlijk (Jakobus 1:17), genadig en barmhartig (Exodus 33:19), heilig en rechtvaardig (Lukas 1:49; Johannes 17:25). Dit alles kunnen we uit Zijn Woord, de Bijbel, verstaan.

 

 

God wil dat wij Hem kennen (Handelingen 17:24-27). Yeshua zegt in Johannes 17:3: ‘Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enig waarachtige God en Yeshua haMashiach, die Gij gezonden hebt’.

 

We zouden nooit in staat zijn om de onzichtbare God te kennen als Hij Zich niet kenbaar gemaakt had. Nu zegt Hebreeën 1:3 dat Zijn eniggeboren Zoon de afstraling Zijner heerlijkheid en de afdruk van Zijn wezen is. Wie Yeshua aanschouwt, aanschouwt de Vader, die Yeshua gezonden heeft. Hij en de Vader zijn één (Johannes 12:45; 17:22). En Kolossenzen 2:9 getuigt: ‘In Hem (Yeshua) woont al de volheid der Godheid’.

 

Het kennen van God is uitsluitend mogelijk geworden in de openbaring van Yeshua, die zegt: ‘Niemand heeft God ooit gezien; de eniggeboren Zoon, die aan de boezem van de Vader is, heeft Hem doen kennen (Johannes 1:18). En daaraan voegt Hij in Mattheüs 11:27 toe: ‘….niemand kent de Vader dan de Zoon en wie de Zoon het wil openbaren’.

 

Evenwel te zijner tijd zal de Zoon de zalige en enige Heerser doen aanschouwen, de Koning der koningen en de Here der Heren, die alleen onsterfelijkheid heeft en een ontoegankelijk licht bewoont, die geen der mensen gezien heeft of zien kan. Hem zij eer en eeuwige kracht.Amen (1 Timoteüs 6:14-16).

 

 

Nadat God de engelen (Job 38:7), alsmede hemel en aarde had geschapen, behoorde tot Zijn almacht en onbeperktheid Zijn verlangen om een wereld (aarde) te creëren met mensen, naar Zijn beeld en gelijkenis, dus met ziel, geest, lichaam en een vrije wil, alsmede planten en dieren in allerlei variaties, geuren en kleuren.

 

God is eveneens alwetend. Zo wist Hij van tevoren dat van Hem zowel engelen als mensen zouden afvallen. Zou God Zich door deze wetenschap van Zijn creatief verlangen hebben laten afbrengen, dan had Hij Zich laten beperken. En dat verdraagt zich niet met Zijn onafhankelijkheid en onbeperktheid.

 

Dit alles van tevoren wetende, daarbij indachtig dat alleen Hij ten koste van het diepste lijden van Zichzelf en van Zijn eniggeboren Zoon de schepping naar Zijn voornemen zou kunnen herstellen, heeft God als het ware voorzorgsmaatregelen genomen door in Zijn Plan met de schepping der wereld verborgenheden in te bouwen. Aldus waren Zijn werken van de grondlegging der wereld al gereed (Hebreeën 4:3).

 

Verborgenheden vóór de grondlegging der wereld, zoals o.a.:

 

. het boek des levens (Openbaring 17:8)

 

. het Koninkrijk (Mattheüs 13:35)

 

. het in Yeshua uitverkoren zijn van Israël en de gelovigen uit de volkeren (Efeze 1:4) alsmede de verandering (1 Korinthe 15:51)

 

. de wijsheid Gods, om de oversten van deze wereld (satan en zijn demonen) te misleiden (1 Korinthe 2:7,8) en de verborgenheid der ongerechtigheid (2 Tess.2:7)

 

. de eerste opstanding (Johannes 5:28,29) en de godsvrucht (1 Tim.3:16)

 

. de zeven sterren en kandelaren (Openbaring hfst.2 en 3)

 

. de opneming van de gemeente en Israël (1 Tessalonicenzen 4:13-17 en Openbaring 12:6,14).

 

 

Ook één van die verborgenheden betreft de gedeeltelijke bedekking van Zijn volk Israël (Romeinen 11:25). Het overoude volk dat Hij in het aanzijn riep (Jesaja 44:7), en hetgeen er in de toekomst gebeuren zal, mogen zij verkondigen.

 

Omdat elk van de genoemde verborgenheden tenminste een afzonderlijke studie geldt, en vooral van de gedeeltelijke bedekking van Israël nog steeds weinig is begrepen, gaan we in deze studie in op de verborgenheid van deze gedeeltelijke bedekking.

 

Daarbij willen we allereerst benadrukken dat het doorgronden van Goddelijke verborgenheden in de Bijbel steeds in lijnrecht contrast wordt geplaatst met louter menselijke kennis of wijsheid. Zoals de apostel Paulus zegt: ‘Een wijsheid, niet van deze wereld, noch van de oversten dezer wereld, die teniet worden; maar wij spreken de wijsheid Gods, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God tevoren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was’(1 Korinthe 2:6,7).

 

Zo wordt de wijze waarop de wedergeborenen, die als onderpand de Heilige Geest hebben (2 Korinthe 5:5), worden ingewijd in de Goddelijke verborgenheden, door de apostel als volgt verklaard: ‘Doch God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest, want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods…..Zo weet ook niemand hetgeen van God is, dan de Geest Gods’ (1 Korinthe 2:10,11).

 

En aldus wordt het een voortdurende vreugde als Gods Geest uitleg geeft aan het menselijk verstand en verborgenheden openbaart.

 

 

Gaan we nu met name over tot de verklaring van de verborgenheid van de gedeeltelijke bedekking van Israël.

 

Ik moet bij deze bijbelse verborgenheid vaak terugdenken aan een VOILE, dat is een sluier, hangende aan een dameshoed.

 

Indertijd droeg ook mijn moeder zo’n hoed met een voile, met een sluier, bijv. als zij naar de kerk ging. Door die voile kon je haar gezicht uit de verte of op enige afstand niet zo goed onderscheiden. Dat veranderde pas bij een ontmoeting.

 

Wanneer een familielid haar dan wilde omhelzen, diende mijn moeder haar voile met haar hand omhoog te brengen, waardoor de sluier bovenop haar hoed kwam te rusten, zodat haar gezicht onbedekt werd.

 

In deze handeling zit voor mij symboliek aangaande het wegnemen van de sluier, de bedekking van Israël.

 

Want zo stel ik me ook de bekendmaking van de Messias en de bekering van Zijn broeders voor.

 

Immers, overeenkomstig de profetieën werd hun bekering uitgesteld (Johannes 12:40). Maar wanneer de volheid der gemeente zal ingegaan zijn (Romeinen 11:25) is de uitgestelde tijd voorbij en volgt hun bekering (2 Korinthe 3:16).

 

God zal de voile, de sluier of bedekking met Zijn Hand omhoog brengen, als het ware naar de hemel optrekken, zodat alle stammen van Israël de heerlijkheid van de Messias zullen aanschouwen.

 

Door de uitstorting van de Geest der genade en der gebeden (Zacharia 12:10) zullen zij met onbedekte aangezichten Hem ineens herkennen als een enige Zoon.

 

En Hij zal hen omhelzen.

 

 

Maar, hoewel we niet zover meer van dat moment af zijn, heeft de bedekking van Israël een geweldig lange geschiedenis. En door de eeuwen heen is onbegrip gaan heersen.

 

Laten we nu eerst zien naar Exodus 33:18-23. Daar vraagt Mozes om de heerlijkheid van de Here te mogen zien.

 

De Here zegt dan het volgende: ‘Zie, er is een plaats bij Mij: daar zult gij u op de steenrots stellen; en het zal geschieden wanneer Mijn heerlijkheid voorbij zal gaan, zo zal ik u in een kloof van de steenrots zetten en Ik zal u met Mijn hand overdekken, totdat Ik zal voorbijgegaan zijn……’.

 

Ongetwijfeld zal Mozes op die plaats letterlijk het voorbijgaan van de heerlijkheid des Heren hebben meegemaakt. Maar Mozes heeft nog veel meer meegemaakt als we bedenken dat de steenrots Yeshua was (1 Korinthe 10:4). God Zelf zette Mozes dus in de kloof van de steenrots, dat was de plaats bij God. Dat zag vooruit naar het sterven van Yeshua op de plaats van het kruis van Golgotha, want zo zegt Hebreën 10:20: ‘het voorhangsel scheurde, dat is het verbreken (kloven) van Zijn vlees’ (zie ook Lukas 23:45).

 

Maar er is nog een bijzonderheid. Toen Gods heerlijkheid voorbijging aan de kloof van de steenrots, was Mozes daar niet alleen. Hooglied 2:14 getuigt: ‘Mijn duif, zijnde in de kloven der steenrots, in het verborgene van een steile plaats, toon Mij uw gedaante, doe Mij uw stem horen; want uw stem is zoet en uw gedaante is lieflijk’. Die gedaante wordt o.a. in Lukas 3:22 en Johannes 1:32 omschreven als de Heilige Geest, die in de lichamelijke gedaante als een duif op Yeshua neerdaalde, en op Hem bleef.

 

 

Hoewel Mozes zo’n 1500 jaar vóór de dood en opstanding van Yeshua leefde, heeft hij vooruit mogen zien naar de plaats die God bereid had, en in de kloof van de steenrots mogen verstaan dat in Yeshua de voorhang zou scheuren alsmede dat de Heilige Geest op Hem zou blijven.

 

In Numeri 12:6-8 zegt God feitelijk drie dingen van Mozes: hij is vertrouwd in geheel Mijn huis (tabernakel); Ik spreek van mond tot mond met hem; hij aanschouwt de gestalte des Heren. Mozes ging door het voorhangsel, niet alleen in de tabernakeldienst, maar in zijn hele omgang met God (Exodus 20:21; 24:16:18; 33:9).

 

Mozes verrichtte slechts dienst bij een afbeelding en schaduw van het hemelse (Hebreeën 8:5). Maar hij heeft heel wat meer gezien dan de gelovige, die leeft na de dood en opstanding van Yeshua. Mozes heeft de smaad van Yeshua groter rijkdom geacht, hij was als ziende de Onzienlijke (Hebreeën 11:26,27). Mozes zag de Heerlijkheid des Heren.

 

Dat betekent zeker ook dat hij bekend werd met de Goddelijke wegen en plannen, die in de nabije en verre toekomst nog te gaan zijn.

 

Met andere woorden: Gods heerlijkheid in Yeshua! De Rots die met Israël meeging. De Rots die ook nu met Israël en de gelovige rest uit de heidenen meegaat. En de Trooster, de Heilige Geest, die het onderpand is van de wedergeboren gelovigen uit de volken (Efeze 1:13,14) en die over geheel Israël in de laatste dagen wordt uitgestort (o.a. Ezechiël 39:29 en Handelingen 2:17).

 

 

Zo werd Mozes ook bekend met de gedeeltelijke bedekking van Israël in Gods wegen en plannen. Toen God aan Mozes voorbijging toonde God Zijn heerlijkheid in Yeshua, de enige plaats van verzoening voor Israël en de gemeente alsmede de enige grondslag voor het behoud van een mens.

 

Daarom spreekt God reeds tot Mozes over Zijn eeuwige Naam (Exodus 3:15) en over al Zijn goedheid en genade. Daarom symboliseert die plaats bij God en die kloof eveneens de schuilplaats voor Gods volk. Die veilige schuilplaats is Gods woning.

 

Ook de Kenieten, het volk van de schoonvader van Mozes, de enige stam die Israël barmhartig was en indertijd met hen meeging door de woestijn naar het beloofde, hadden hun vaste woning in de steenrots gelegd (Numeri 24:21).

 

 

Mozes vertegenwoordigde geheel Israël, dat is de edele olijf, waarop de gelovigen uit de volken zijn geënt (Maleachi 4:4). Maar Israël moest in Gods Plan langdurig en gedeeltelijk bedekt worden voor Gods heerlijkheid in Yeshua. Omwille van de uitbreiding van het heil tot alle einden der aarde, dus de heiden-volkeren (Jesaja 49:6; Romeinen 11:25). Vandaar dat die gedeeltelijke bedekking reeds aanving in de tijd van Mozes (Deuteronomium 29:4).

 

Die gedeeltelijke bedekking werd ook gesymboliseerd door het voorbijgaan van God aan Mozes, waarbij Mozes alleen een gedeelte, n.l. de achterkant van God mocht zien (Exodus 33:23).

 

Dat is de diepere zin van het overdekken door Gods hand en de gedeeltelijke bedekking van de gestalte des Heren, toen Gods heerlijkheid aan Mozes (en daarmee Israël) in de kloof van de steenrots voorbijging.

 

Want Mozes zelf behoefde met Gods hand niet overdekt te worden. Immers, de Here sprak met Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals iemand spreekt met zijn vriend (Exodus 33:11).

 

Overigens benadrukt de apostel Paulus in Romeinen 11:7 nog het gedeeltelijke van de bedekking door te getuigen van ‘het uitverkoren deel, dat het heeft verkregen’, terwijl de overige Joden verhard (bedekt) zijn. Het uitverkoren, dus onbedekt, klein deel, duiden we in onze tijd aan met de Messiaanse Joden. In feite was Mozes, toen God hem bekend maakte met Zijn wegen en plannen, een voorloper van de Messiaanse Joden.

 

 

Het voorgaande wordt nog beter begrijpelijk als we de verzen 29 t/m 35 van Exodus 34, in relatie met 2 Korinthe 3:7-15, lezen.

 

Als Mozes van de berg afdaalt weet hij niet dat de huid van zijn gezicht straalt. Mozes is zich niet bewust van die straling. Maar Aäron en het volk merken het duidelijk en kunnen het niet verdragen. Daarom doet Mozes, als hij met het volk spreekt, een doek voor zijn gezicht. Maar als Mozes met de Here spreekt, neemt hij de doek weg.

 

Het Griekse woord, dat hier met doek vertaald is, betekent feitelijk "sluier". In het Hebreeuws betekent het "deksel of bedekking". Die vertaling volgt de Staten-Bijbel (Exodus 34:35).

 

Het "deksel" of "de bedekking" die Mozes aanbracht toen hij tot het volk Israël kwam wijst op het bedekken van de Heerlijkheid van de Here, die zijn gezicht weerspiegelde.

 

Ten tijde van het 1e verblijf daalde Mozes van de berg af met de 10 geboden. Dat is de wet. En nog voordat Mozes de wet aan het volk kan meedelen, heeft Israël al afschuwelijke afgoderij gepleegd. Daarom verbrijzelt Mozes de 2 stenen tafelen.

 

Gedurende het 2e verblijf op de bergtop openbaart de Here Zijn Heerlijkheid aan Mozes. Die Heerlijkheid betekent hier genade en vergeving. De wet was goed. Daarom krijgt Mozes opnieuw 2 stenen tafelen. Maar geen mens kan de wet vervullen. Hier straalt de Heerlijkheid van de Heiland der wereld uit dat Hij als mens Zelf de wet zal vervullen.

 

Want Yeshua is het einde van de wet tot gerechtigheid voor ieder die gelooft (Romeinen 10:4).

 

Die genade en vergeving, dat evangelie, die menswording van Gods Zoon, is in de tijd van Mozes nog verre toekomst voor Israël. Maar ook die toekomst kan Israël niet verdragen!

 

Daarom is sprake van een verborgenheid, zoals de apostel Paulus getuigt. Die bedekte verborgenheid zal blijven bestaan totdat het Goddelijk tijdstip aanbreekt. Dat zal zijn als de gemeente (Messiaanse Joden en volheid der heidenen) ingaat. Daarna neemt de Here de gedeeltelijke bedekking van Israël weg (Romeinen 11:26,27).

 

Die genade en vergeving weerspiegelt het gezicht van Mozes. Mozes is als ziende de Onzienlijke. Die genade en vergeving moet bedekt worden. Want dat is verre toekomst voor Israël. Die (bedekte) genade en vergeving is dat "Zij dronken uit een geestelijke Rots, Die met hen meeging, en die Rots was Yeshua!" (1 Korintiërs 10:4).

 

 

Nu moeten we in de evangeliën nauwkeurig onderscheiden hetgeen Yeshua beklemtoont.

 

Enerzijds doet Yeshua de latere Messias-belijdende Jood Nicodemus verstaan, dat een mens door het geloof in God wedergeboren (letterlijk: opnieuw verwekt) moet worden (Johannes 3:1-21).

 

Dat vooraanstaande leden van de Joodse Raad, zoals Nicodemus en Jozef van Arimathea, in het geheim discipelen van Yeshua werden, blijkt uit Johannes 19:38-42. Dat wordt ook beklemtoond door het feit dat Nicodemus –zoals Maria (Matteüs 26:12) – met het oog op de begrafenis van de Here zelfs een kostbaar balsem- en/of zalfmengsel van mirre en aloë bracht, met een gewicht van omtrent honderd ponden. Zoals we uit Psalm 45:9 kunnen begrijpen, behoren mirre en aloë tot de geuren van de kleding van de Messiaanse Koning.

 

Anderzijds benadrukt Yeshua de vele profetische voorzeggingen dat de Joden niet in Hem konden geloven (Johannes 12:37-41).

 

En de apostel Paulus vult dit aan door te spreken over uitverkorenen (Messias-belijdende Joden), een overblijfsel dat het verkreeg, en anderen, die gedeeltelijk bedekt zijn (Romeinen 11:5-7).

 

 

Kerken hebben in al die eeuwen van de gedeeltelijke bedekking van Israël vrijwel niets begrepen. Er was vrijwel alleen aandacht voor de wedergeboorte door het geloof en de vervangingstheologie.

 

Als leidraad gold het gebod om alle volken het Evangelie te brengen (o.a. Matteüs 28:19). Daarbij is voorbij gezien aan het Hebreeuws, waar ‘voor alle volken’ staat: ‘goyiem’, hetgeen betekent de niet-Joden.

 

Vanuit een veelvoud van kerkelijk onbegrip zijn allerlei pogingen ondernomen om Joden te bekeren.

 

Maar toen dit grotendeels mislukte, werd een andere weg ingeslagen, die een gretig vervolg kreeg in de politiek van regeringen. De weg van : niet goedschiks, maar kwaadschiks door vervolgingen, brandstapels, kruistochten. inquisitie, getto’s, uitmondend in de Holocaust.

 

 

Nogmaals: Messias Yeshua, Zelf naar het vlees uit de Joden geboren, getuigt uitdrukkelijk in Johannes 12:37-41, dat Israël niet in Hem kan geloven OPDAT zij bekeerd worden (zie ook Jesaja 6:9).

 

Dat getuigenis geldt uiteraard totdat God, die de gedeeltelijke bedekking aanbracht, deze ook wegneemt en Yeshua Zichzelf in de laatste dagen aan geheel Israël bekend maakt (Zacharia 12:10-14). Pas dan zal Israël zien en in Hem geloven.

 

Op dat ogenblik zal de ganse ziel en het ganse hart van God Zich over Israël verblijden (Jeremia 32:41). Want dan is Gods Plan met de wereld via Zijn volk Israël voltooid en is de verborgenheid Gods voleindigd, zoals Hij zijn knechten, de profeten, heeft verkondigd (Openbaring 10:7).

 

 

Zo moeten kerken -door de leiding van de Heilige Geest- letten op de gans andere weg, die God met Israël tot en met het laatst der dagen gaat.

 

Want wie door Gods genade scherper mag toezien ontdekt in die gedeeltelijke bedekking van Israël ‘de onwetendheid’, waardoor God ALZO de lijdensweg van Yeshua heeft vervuld (Handelingen 3:17,18).

 

Vandaar de wijsheid Gods, zelfs vóór de grondlegging der wereld, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, om de oversten van deze wereld (satan en zijn demonen) te misleiden. Want indien satan en zijn demonen deze verborgenheid gekend hadden, zo zouden zij de Here der heerlijkheid niet gekruisigd hebben (1 Korinthe 2:7,8).

 

Maar indien ook Israël niet door God gedeeltelijk bedekt was in het lezen (begrijpen) van het Oude Testament met de vele profetieën aangaande de Messias, die naar het vlees uit hen geboren zou worden, dan zouden zij Hem onmiddellijk herkend hebben en zich met alle macht hebben verzet tegen Zijn lijdensweg en kruisiging (2 Korinthe 3:13-15)

 

Als we nog even terugdenken aan Gods overdekkende hand, toen Zijn heerlijkheid aan Mozes voorbijging, heeft die gedeeltelijke bedekking ook de betekenis van Gods beschermende hand omwille van de gemeente (Romeinen 11:28), teneinde de volheid der gemeente behouden in het beloofde te brengen.

 

Bovendien houdt deze gedeeltelijke bedekking de Goddelijke verzekering van de belofte in om gans Israël tenslotte te behouden (Jesaja 45:25; Daniël 9:24; Romeinen 11:25-27).

 

Het buitengewone van deze verzekering is, dat -in tegenstelling tot de ca. 20 eeuwen durende inzameling van Christus' gemeente- het Joodse volk ineens uit de doden opstaat, al wie in het boek geschreven wordt bevonden. Niet een aantal personen herleeft, maar een herleving als volk vindt plaats als God zijn Geest in hen geeft. Want het dal van de dorre doodsbeenderen betreft geheel Israël (Daniël 12:1-2; Ezechiël 37:14; Romeinen 11:15).

 

 

Gods verborgenheid met de gedeeltelijke bedekking van Israël heeft dus vele redenen.

 

Omdat dikwijls de reden niet begrepen is dat de gedeeltelijke bedekking van Israël eveneens omwille van de gemeente uit de heidenen (volken) is (Romeinen 11:28), lichten we dit nog nader toe.

 

Zoals eerder opgemerkt, zegt Mozes reeds in Deuteronomium 29:4 tegen Israël: “Maar de Here heeft u lieden niet gegeven een hart om te verstaan, noch ogen om te zien, noch oren om te horen, tot op deze dag”.

 

De apostel Paulus voert ons in Romeinen 11:8 en 9 en in Handelingen 28:26 e.v. terug naar Jesaja 29:10 en Psalm 69:23,24, waar steeds sprake is van een door God gegeven geest van diepe slaap, blinde ogen en dove oren.

 

Ook de evangelisten (Mattheüs 13:14.15; Markus 4:12; Lukas 8:10 en Johannes 12:39,40) gebruiken een overeenkomstige oudtestamentische passage (Jesaja 6:9,10). En Petrus spreekt in Handelingen 3:17 over de onwetendheid (onkunde) van Israël.

 

Eerst bij de profeet Jesaja, die geroepen werd in het jaar 740 v.Chr. en die werkzaam was tot ca.700 v.Chr. -dus NA Jona- wordt het grote doel van Gods plan met de gedeeltelijke bedekking van Israël omwille van de heidenen geopenbaard.

 

In Jesaja 49:5,6 zegt de Here tot Zijn eniggeboren Zoon, de Verlosser: “Het is te gering dat gij Mij een knecht zoudt zijn, om op te richten de stammen Jakobs en om weder te brengen de bewaarden in Israël; Ik heb u ook gegeven tot een licht der heidenen (volken), om mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde”.

 

Als Yeshua n i e t gekruisigd was, zouden satan en zijn demonen niet zijn verslagen en het heil beperkt zijn gebleven tot het volk Israël.

 

Dus Gods grote doel met de gedeeltelijke verharding van Israël vanaf Mozes/Jozua was dat toen de Messias kwam, Israël Hem niet kon geloven (o.a. Johannes 12:39). Paulus legt in Romeinen 11:25-28 deze verborgenheid uit.

 

De Joden moeten “neen” zeggen tegen Yeshua ter wille van de heidenen, maar ze blijven geliefden om der vaderen wil. Totdat……God deze verharding wegneemt.

 

 

Laten we nu zien naar het sprekend voorbeeld in het bijbelboek Jona.

 

De Goddelijke opdracht aan Jona is om Gods Heil te brengen naar de heidenen, met name naar de grote en boze stad Nineve (met meer dan 120.000 inwoners).

 

Aanvankelijk weigert Jona om de Goddelijke opdracht uit te voeren en hij vlucht. Dat is niet zo vreemd als het lijkt. Want Israël heeft vrijwel nimmer barmhartigheid van heidense volken ondervonden, ja zelfs daartegen voortdurend moeten strijden. Jona ziet dus niets in het brengen van Gods Heil naar de vijand.

 

Op zijn vlucht verbergt Jona zich in een schip en valt in diepe slaap, een beeld van zijn bedekking. Maar dan wordt de zee enorm onstuimig zodat het schip dreigt te vergaan. Jona moet dan bekennen als Hebreeër op de vlucht voor God te zijn, waarbij hij te kennen geeft dat de zee weer rustig zal worden als hij in zee wordt geworpen. Vervolgens werpen de scheepslieden hem in de zee, maar uit Jona 2:3 blijkt dat het feitelijk de Here is, die hem in de zee werpt. De Here gebiedt dan een grote vis, die Jona inslikt. Na 3 dagen en nachten –een voorafschaduwing van het offer en de opstanding van Jezus (Matt.12:40)- wordt Jona door de grote vis op het droge uitgespuwd en voert uiteindelijk Gods opdracht uit. En de grote, boze, heidense stad Nineve, die het wonder van Jona heeft vernomen, bekeert zich.

 

 

Wat we hiermee willen zeggen is: Jona was zich bewust van de zeer bevoorrechte positie en het heil voor het uitverkoren volk Israël, wist (nog) niet van het heil voor de volkeren, maakte de vele aanvallen van de heidenen (o.a. Aram) mee, en wilde voorkomen dat het heil naar de heidenen kwam (Ninevé). In zijn gedeeltelijke bedektheid wilde hij genade en barmhartigheid reserveren voor Zijn volk Israël.

 

De almachtige God geeft Jona ook de les van de wonderboom (Jona 4:6-10) om duidelijk te maken dat Hij volkomen kan besluiten tot wie Hij het heil wil brengen.

 

Dat is Zijn Verlossingsplan om het heil uit de Joden (Joh.4:22) tot alle einden der aarde te verspreiden. Zie ook 2 Korintiërs 3:11-16.

 

In de vlucht van Jona uit zijn land ontdekken we het beeld van de verstrooiing van Israël over de ganse aarde (Deut.28:13-44). Daarnaast vertegenwoordigt de val van Jona in de zee de val van Israël in de volkerenzee. Voor ‘de val’ mag ook worden gelezen de volgende synoniemen: ongehoorzaamheid, verharding, bedekking, verstrooiing, vermindering, verwerping (van de Messias).

 

Nu zegt Romeinen 11:11,12,15 dat door hun val (vermindering, bedekking, verstrooiing) Gods Heil tot de heidenen (volken) is gekomen. Hun val betekent rijkdom en verzoening voor de wereld en hun tekort (vermindering, bedekking) rijkdom (in Yeshua) voor de heidenen.

 

Israël werd, van 1e der volken, tot een staart der volken (Deuteronomium 28:13,44). Verstrooid over de gehele wereld.

 

Maar ook die vermindering/bedekking en die val hebben een einde.

 

Israël wordt hersteld als 1e der volken.

 

Zoals de profeet Jeremia (30:24 en Hfst.31) aankondigt voor het laatste der dagen: 'Want zo zegt de HERE: Jubelt van vreugde over Jakob, juicht om het hoofd der volkeren, verkondigt, looft en zegt: de HERE heeft Zijn volk verlost, het overblijfsel van Israël.....'.

 

Dat alles vormt de verborgenheid van Gods weg omwille van de gemeente uit de heidenen.

 

 

Tenslotte moeten we er goed op letten dat de God, die de gedeeltelijke bedekking op Israël aanbracht, deze ook op de bepaalde tijd zal wegnemen. Die bepaalde tijd komt dichterbij omdat een einde aan de verstrooiing is gekomen en Israël weer een eigen staat heeft.

 

Als de volheid van de heidenen zal ingaan, neemt God de bedekking van Israël weg. En alzo zal gans Israël zalig worden (Romeinen 11:25,26).

 

Dat wil zeggen: allen van Israël, die in het boek staan (Daniël 12:1). Welk boek zouden we kunnen vragen? Dat is het –Goddelijk- boek van het huis Israëls (Ezechiël 13:9).

 

Het wegnemen van de bedekking is alleen mogelijk door een Goddelijk ingrijpen.

 

Dit wordt ondersteund bijv. in Joh.9:24-34.

 

Die verzen betreffen de blindgeborene, blind vanaf zijn geboorte, wiens ogen door Yeshua met slijk worden bestreken en gezonden wordt naar het badwater Siloam.

 

Een van de onderdelen van het Loofhuttenfeest was het scheppen van water uit de bron Siloam. Dat werd feestelijk meegenomen naar de Tempel, uitgegoten aan de voet van het brandofferaltaar. Dit water verwees naar de regen, die de grond vruchtbaar maakt, en naar een eschatologische toekomstverwachting met bronnen van heil en Geest, Die over het volk zou komen. Het is dus niet vreemd dat Yeshua over water sprak. Zie ook Joh.7:37-52.

Hij biedt Zich aan als de Levensbron voor hen die snakken naar Gods heil en geestesgaven. Ze worden gevuld met rivieren met stromend water. De Geest zal als een nooit opdrogende bron in hun hart zijn. Het is geen stilstaand, maar stromend water, dat als een rivier stroomt en zegenrijk is voor een grote omgeving.

 

Als de blindgeborene zich gewassen heeft in het badwater Siloam wordt hij ziende.

 

‘Yeshua moet wel van God komen’, zegt de blindgeborene. ‘Anders kan Hij geen blinde de ogen openen’ (verzen 32-33). Wij zouden misschien zeggen: ‘Iemand van blindheid genezen’.

 

Maar de woorden: ‘een blinde de ogen openen’, verwijzen naar Jesaja 42:6,7, waar gesproken wordt over de Dienaar (uitverkoren Knecht) van de Here, Die blinden de ogen zal openen. Die Dienaar is de Messias. Alleen al door deze uitdrukking te gebruiken, wordt duidelijk dat de Messias de blindheid van Israël zal wegnemen.

 

En dat gebeurt –zoals we in Zacharia 12:10-14- lezen, als de Geest der genade en der gebeden wordt uitgestort en de Messias Zich bekend maakt aan elk van de stammen van Israël.

 

 

GEBED

 

Heilige Vader, dank U wel voor het inzicht in één van Uw diepe verborgenheden, die U al vóór de grondlegging der wereld voorzien hebt.

 

In onze studie is er op gewezen dat de kerk der eeuwen dat geheimenis niet heeft willen begrijpen, hetgeen geleid heeft tot verdrukking en vervolging van Uw volk Israël.

 

Zelfs nu nog heerst kerkelijk onbegrip.

 

Maar het zou van zelfverheffing getuigen als we het alleen bij die constatering zouden laten. Immers, ook wij, die Israël liefhebben, en uit genade inzicht mochten verkrijgen, zijn zondaren en behoren tot die universele kerk.

 

Daarom belijden wij ootmoedig onze eigen schuld.

 

Maar wij bidden dat U het ontsluieren van Uw diepe verborgenheid door de Heilige Geest met haast in het hart van de kerk zult planten, als wezenlijk richtsnoer ter bevrijding van Uw volk Israël. Want uit U, en door U, en tot U zijn alle dingen. U zij de heerlijkheid in de eeuwigheid. Amen’.

 

Tags: Bijbel, Bijbelstudie, Paul J.M. van Teeffelen, Studie

 

Categories: None

Post a Comment

Oops!

Oops, you forgot something.

Oops!

The words you entered did not match the given text. Please try again.

Already a member? Sign In

0 Comments